Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

De dood van Menelaüs

131In het jaar 149 kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Antiochus Eupator met een groot leger onderweg was naar Judea, 2

13:2
1 Mak. 6:30
samen met zijn voogd, de regent Lysias. Elk van beiden beschikte over een Griekse strijdmacht van honderdtienduizend man voetvolk, drieënvijftighonderd ruiters, tweeëntwintig olifanten en driehonderd wagens met messen aan de wielen. 3
13:3
2 Mak. 4:23
Menelaüs had zich bij hen aangesloten. De valsaard sterkte Antiochus in zijn voornemen, niet met het welzijn van het vaderland voor ogen, maar in de hoop daardoor met het bestuur van zijn land belast te blijven. 4Maar de hoogste koning liet Antiochus in woede tegen deze verrader ontsteken. Nadat Lysias Menelaüs had aangewezen als veroorzaker van alle ellende, beval Antiochus dat hij naar Berea gevoerd moest worden om op de daar gebruikelijke manier te worden terechtgesteld. 5Er stond in Berea een vijftig el hoge toren vol as, met erboven een trechtervormige stellage die in de as uitmondde. 6Wie zich schuldig maakte aan tempelroof of een andere zeer ernstige wandaad, werd in die trechter geduwd en vond op die manier de dood. 7Zo verging het ook de wetsovertreder Menelaüs. Hij werd niet begraven 8maar vond de dood in de as, een passende straf voor iemand die zo veel vergrijpen had gepleegd tegen het altaar, waarvan het vuur en de as heilig zijn.

Judas verslaat Antiochus Eupator

9Antiochus trok op met de barbaarse bedoeling de Joden nog wreder te behandelen dan onder zijn vader het geval was geweest. 10Toen Judas hiervan hoorde, droeg hij het volk op de Heer dag en nacht aan te roepen om hem te vragen of hij hun opnieuw te hulp wilde komen. 11Weer immers dreigden ze te worden beroofd van hun wet, hun vaderland en hun heilige tempel. De Heer kon toch niet toestaan dat zijn volk, dat nog maar zo kort geleden het gewone leven had kunnen hervatten, nu weer die verdorven volken in handen zou vallen. 12Eensgezind baden allen drie dagen lang tot de barmhartige Heer, waarbij ze jammerden, vastten en in het stof neerbogen. Daarna sprak Judas hen bemoedigend toe en beval hij hun zich gereed te houden. 13Na een afzonderlijk beraad met de oudsten besloot hij uit te rukken en de zaak met Gods hulp te beslechten voordat het leger van de koning Judea zou binnenvallen om de stad in te nemen.

14Nadat hij de beslissing dus in handen van de schepper van de wereld had gelegd, sloeg hij in de buurt van Modeïn zijn kamp op en spoorde hij zijn mannen aan om dapper, op leven en dood, te strijden voor wet, tempel, stad, vaderland en het recht op zelfbeschikking. 15

13:15
1 Mak. 6:43
2 Mak. 8:23
Na zijn manschappen de strijdkreet ‘God overwint!’ te hebben gegeven, overviel hij met een keur van dappere jongemannen bij nacht het koninklijk kwartier. In het kamp doodden ze ongeveer tweeduizend man en velden ze bovendien de grootste olifant en zijn drijver. 16-17Zo zaaiden ze in het hele kamp paniek en verwarring en konden ze ten slotte dankzij de bescherming die de Heer aan Judas had geboden, bij het aanbreken van de ochtend zegevierend het kamp verlaten.

18

13:18-23
1 Mak. 6:48-63
Nu de koning een voorproefje had gekregen van de strijdlust van de Joden, probeerde hij hun steden door middel van list te veroveren. 19
13:19
1 Mak. 6:31
Hij trok op tegen Bet-Sur, een sterke Joodse vesting, werd teruggedreven, deed opnieuw een aanval, maar werd weer verslagen. 20Intussen zorgde Judas ervoor dat de bevolking van de belegerde stad bevoorraad werd. 21Rodokus, iemand uit het Joodse leger, speelde geheime inlichtingen aan de vijand door, maar werd opgespoord, gegrepen en ter dood gebracht. 22De koning knoopte voor een tweede keer onderhandelingen aan met de inwoners van Bet-Sur, en nu aanvaardden zij het vredesverdrag dat hij hun aanbood. Hij brak het beleg op, trok weg 23en deed een rechtstreekse aanval op het leger van Judas, maar werd verslagen.

Filippus was in Antiochië gebleven om de staatszaken te behartigen. Toen Antiochus vernam dat Filippus hem ontrouw was geworden, was hij zo ontdaan dat hij zich bereid verklaarde op de voorwaarden van de Joden in te gaan. Hij riep hen bij zich, beloofde onder ede al hun rechtmatige eisen in te willigen en bekrachtigde dit in een verdrag. Om zijn goede gezindheid tegenover de heilige plaats te laten blijken, bracht hij een offer en betoonde hij eer aan de tempel. 24Hij ontving de Makkabeeër en benoemde Hegemonides tot gouverneur over het gebied tussen Ptolemaïs en Gerar. 25De inwoners van Ptolemaïs voelden zich door dit verdrag echter tekortgedaan. Toen de koning een bezoek bracht aan Ptolemaïs, eiste de bevolking op hoge toon dat de overeenkomst ongedaan zou worden gemaakt. 26Lysias beklom het spreekgestoelte en hield een gloedvol betoog, waarmee hij erin slaagde zijn gehoor te kalmeren, milder te stemmen en ten slotte te overtuigen. Daarop vertrok hij naar Antiochië.

Zo verliepen de aanval en de terugtocht van de koning.

14

Het verraad van Alkimus

141

14:1-10
1 Mak. 7:1-21
Drie jaar later kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Demetrius, de zoon van Seleukus, met een vloot met een groot leger aan boord de haven van Tripolis was binnengevaren. 2Hij had Antiochus en diens voogd Lysias gedood en zich van het rijk meester gemaakt. 3Een zekere Alkimus, een vroegere hogepriester, had zichzelf ten tijde van de vervolging uit eigen beweging ontwijd en was zich ervan bewust dat hij niet langer veilig was en nooit meer toegang zou krijgen tot het heilige altaar. 4Daarom ging hij in het jaar 151 of daaromtrent naar koning Demetrius om hem een gouden krans en een palmtak te overhandigen. Ook bood hij hem, zoals gebruikelijk, olijftakken uit de tempel aan. Verder deed hij die dag nog niets. 5Maar toen hij door Demetrius in de raadsvergadering werd ontboden om uiteen te zetten hoe de stemming en gezindheid van de Joden was, zag hij zijn kans schoon om zijn waanzinnige plannen ten uitvoer te brengen en gaf hij de koning het volgende antwoord: 6‘De groep Joden die zich chasideeën noemen en die onder leiding staan van Judas Makkabeüs, is nog steeds opstandig. Zij blijven de vijandelijkheden voortzetten en brengen zo de stabiliteit van het rijk in gevaar. 7Dat is de reden waarom ik, beroofd als ik ben van de waardigheid die mijn familie toekomt – ik bedoel het hogepriesterschap –, hierheen ben gekomen. 8Ik doe dit in de eerste plaats met het oog op de belangen van de koning, maar daarnaast ook uit bezorgdheid om het welzijn van mijn volksgenoten, want door het onbezonnen optreden van voornoemde personen heeft ons hele volk ernstig te lijden. 9Nu u dit alles weet, majesteit, wil ik u verzoeken de zorg voor ons land en ons benarde volk op u te nemen met de vriendelijke welwillendheid waarmee u een ieder tegemoet treedt. 10Zolang Judas in leven is, kan er geen vrede heersen in uw koninkrijk.’ 11
14:11-17
1 Mak. 7:26-32
Toen hij was uitgesproken, wakkerden de vertrouwelingen van de koning, die eveneens zeer gekant waren tegen Judas en zijn zaak, Demetrius’ woede nog verder aan. 12Meteen wees deze een zekere Nikanor, die voorheen was belast met het bevel over het eskadron olifanten, als bevelhebber in Judea aan. Hij stuurde hem ernaartoe 13met de opdracht Judas te doden en zijn mannen uiteen te slaan. En Alkimus moest weer worden hersteld in het ambt van hogepriester van de grote tempel. 14De vreemde volken die voor Judas uit Judea waren gevlucht, hoopten dat de rampspoed en ellende van de Joden hunzelf voorspoed zou brengen en sloten zich in groten getale bij Nikanor aan.

15Toen Judas en zijn mannen hoorden dat Nikanor in aantocht was en de vreemde volken hen wilden aanvallen, wierpen ze stof over hun hoofd en richtten ze een smeekgebed tot hem die Israël voor eeuwig tot zijn volk en eigendom heeft gemaakt en het steeds opnieuw heeft geholpen door te verschijnen wanneer dat nodig was. 16Op het sein van hun aanvoerder rukten ze vervolgens direct uit. Bij het dorp Dessaü kwam het tot een treffen. 17Judas’ broer Simon raakte slaags met Nikanor. Verrast door de plotselinge komst van de aanvallers werd hij voor korte tijd teruggedreven. 18Maar Nikanor durfde het er niet op aan te laten komen de zaak gewapenderhand tot een beslissing te brengen, want hij had gehoord over de moed en strijdlust waarmee Judas en zijn mannen bereid waren hun vaderland te verdedigen. 19In plaats daarvan vaardigde hij Posidonius, Theodotus en Mattatias af om vredesonderhandelingen te openen. 20Hun voorstellen werden zorgvuldig bestudeerd, en nadat de aanvoerder met zijn troepen had overlegd, werd het verdrag eenstemmig aanvaard. 21Op de dag die voor de ontmoeting tussen Judas en Nikanor was bepaald, kwam elk in zijn strijdwagen aanrijden. Er waren zetels voor hen klaargezet. 22Judas had op strategische punten gewapende manschappen opgesteld voor het geval de vijand plotseling een verraderlijke aanval zou doen, maar de bespreking verliep zonder incidenten.

23

14:23
2 Mak. 6:7
Nikanor deed tijdens zijn verblijf in Jeruzalem niets onbehoorlijks; hij stuurde zelfs de ongeregelde troepen weg die hem vergezelden. 24Hij zocht dikwijls Judas’ gezelschap en raakte zeer op hem gesteld. 25Hij raadde hem aan te trouwen en een gezin te stichten. Judas volgde die raad op en leidde vanaf toen een vreedzaam en gelukkig leven.

26Toen Alkimus merkte dat Nikanor met Judas op vriendschappelijke voet verkeerde, ging hij met een exemplaar van het gesloten verdrag naar Demetrius en vertelde hem dat Nikanor het landsbelang uit het oog had verloren door Judas, de vijand van het koninkrijk, tot zijn plaatsvervanger te benoemen. 27Opgehitst door de aantijgingen van deze valse verrader ontstak de koning in woede. Hij schreef een brief aan Nikanor, waarin hij onderstreepte dat hij hevig ontstemd was over het verdrag en hem opdroeg de Makkabeeër onmiddellijk gevangen te nemen en naar Antiochië te sturen. 28Dit bevel bracht Nikanor in ernstige gewetensnood. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen het verdrag te schenden terwijl Judas niets verkeerds had gedaan, 29maar hij kon natuurlijk evenmin tegen het bevel van de koning in gaan. Daarom nam hij zijn toevlucht tot een list. 30

14:30-36
1 Mak. 7:29-38
Hij begon zich nogal stuurs tegenover de Makkabeeër te gedragen en ging heel wat minder vriendelijk met hem om dan voorheen. Dit ontging Judas niet, en hij vreesde dat deze norsheid niet veel goeds voorspelde. Daarom verborg hij zich met een groot aantal van zijn mannen voor Nikanor. 31Toen Nikanor begreep dat Judas hem op meesterlijke wijze te slim af was geweest, ging hij naar de hoogheilige tempel, waar de priesters aan het offeren waren, en beval dat Judas moest worden uitgeleverd. 32De priesters verklaarden echter onder ede dat ze niet wisten waar de gezochte zich bevond. 33Daarop strekte Nikanor zijn rechterarm naar de tempel uit en zwoer: ‘Als u Judas niet geboeid aan mij uitlevert, zal ik de heilige tempel van God met de grond gelijkmaken, het altaar vernietigen en in plaats daarvan een schitterende tempel voor Dionysus neerzetten.’ 34Zodra hij weg was, hieven de priesters hun handen ten hemel en riepen hem aan die in alle omstandigheden ons volk verdedigt: 35‘U, Heer, u hebt niets nodig, en toch heeft het u behaagd dat er een tempel zou zijn waarin u te midden van ons kunt wonen. 36Behoed daarom, allerheiligste Heer, deze tempel, die nog maar zo kort geleden werd gereinigd, eeuwig voor bezoedeling.’

De dood van Razis

37Het kwam Nikanor ter ore dat Razis, een van de oudsten van Jeruzalem, bekendstond als zeer vaderlandslievend. Hij genoot een goede reputatie en had vanwege zijn toewijding de bijnaam ‘Vader van de Joden’ gekregen. 38In het verleden, tijdens de vervolging, had hij namelijk terechtgestaan omdat hij vasthield aan de Joodse levenswijze en hij had toen vastberaden geweigerd zijn overtuiging op te geven, hoewel zijn leven op het spel stond. 39Nikanor wilde duidelijk maken dat zijn vijandige gezindheid tegenover de Joden hem ernst was. Daarom stuurde hij meer dan vijfhonderd soldaten eropuit om Razis gevangen te nemen, 40want hij was ervan overtuigd dat zijn aanhouding voor de Joden een zware slag zou betekenen. 41Om de toren waarin Razis zich verschanst had in te nemen, begonnen de soldaten de toegangsdeur te rammen, onderwijl schreeuwend dat er vuur moest komen om de binnendeuren in brand te steken. Razis, die begreep dat er voor hem geen uitweg meer was, doorstak zich met zijn eigen zwaard, 42want hij wilde liever een nobele dood sterven dan in handen vallen van die onverlaten en onteerd worden op een manier die niet zou stroken met zijn waardige karakter. 43Maar in zijn haast stak hij mis, en terwijl de meute door de poortdeuren binnendrong, klom hij zo snel als hij kon boven op de muur en wierp zich manmoedig naar beneden, midden in de menigte. 44De mensen weken snel uiteen om plaats te maken voor zijn neerstortende lichaam. 45Maar nog was hij niet dood. Woedend stond hij op en baande zich, gewond als hij was, zo snel hij kon een weg door de menigte, terwijl het bloed uit zijn lichaam stroomde. Hij ging boven op een steile rots staan 46en trok, nu bijna leeggebloed, zijn ingewanden met beide handen naar buiten en slingerde ze de menigte in, terwijl hij de Heer die de levensadem schenkt smeekte hem ze weer terug te geven. Zo stierf hij dan eindelijk.

15

Nikanor definitief verslagen en gedood

151

15:1-4
1 Mak. 2:31-41
Nikanor kreeg bericht dat Judas en de zijnen zich in de omgeving van Samaria bevonden. Uit voorzorg besloot hij hen aan te vallen op hun rustdag. 2De Joden die hij gedwongen had met hem mee te gaan, verzochten hem geen wreed en barbaars bloedbad aan te richten, maar de dag in ere te houden die door de Alziende van het begin af aan heilig is verklaard. 3De door en door verdorven schurk vroeg hun daarop of er in de hemel soms een heerser was die bevolen had de sabbat te vieren. 4
15:4
Ex. 20:8-11
Toen ze hem onomwonden zeiden: ‘De levende Heer zelf is heerser in de hemel, en hij heeft bevolen dat de zevende dag in ere gehouden moet worden,’ 5antwoordde Nikanor: ‘En ik ben heerser op aarde, en ik beveel u de wapens op te nemen en te doen wat de koning u opdraagt.’ Toch slaagde hij er niet in zijn verdorven plannen ten uitvoer te brengen.

6Terwijl Nikanor zich in zijn mateloze hoogmoed al voorstelde hoe hij een zegeteken zou oprichten uit de wapenrustingen die hij op Judas en zijn mannen zou buitmaken, 7was de Makkabeeër nog altijd vol goede hoop. Hij vertrouwde erop dat de Heer hem te hulp zou komen 8en hield zijn mannen voor dat ze niet bang moesten zijn voor de aanval van de vreemde volken. Hij herinnerde hen aan de hulp die hun al eerder vanuit de hemel geboden was. Ook nu moesten ze erop vertrouwen dat de Almachtige hun de overwinning zou schenken. 9Ter bemoediging haalde hij de Wet en de Profeten aan, en om hun moed aan te wakkeren bracht hij hun eerder doorstane gevechten in herinnering. 10

15:10
2 Mak. 14:28-29
Nadat hij ten slotte hun strijdlust had geprikkeld door te wijzen op de trouweloosheid van die volken, die immers het verdrag geschonden hadden, deelde hij zijn bevelen uit. 11Zo wapende hij ieder van hen niet zozeer met de zekerheid die schilden en lansen kunnen bieden, maar vooral met welgekozen bemoedigende woorden. Hun geestdrift werd met name gewekt toen hij vertelde dat hij een droom had gehad die beslist zou uitkomen. 12
15:12
1 Mak. 3:1
Hij had gedroomd van de vroegere hogepriester Onias, een goed en nobel mens die bescheiden in de omgang was en zacht van karakter, die waardig het woord kon voeren en van jongs af aan een deugdzaam leven had geleid. Deze Onias nu had zijn handen geheven om te bidden voor het hele Joodse volk. 13Ook was in zijn droom een man van een opmerkelijke ouderdom en waardigheid verschenen; een bewonderenswaardige en vorstelijke voornaamheid straalde van hem af. 14Toen had Onias gezegd: ‘Deze man, die zijn volksgenoten liefheeft en voortdurend bidt voor hen en voor de heilige stad, is Jeremia, de profeet van God.’ 15Jeremia had zijn rechterarm uitgestrekt en Judas een gouden zwaard overhandigd, en daarbij had hij gezegd: 16‘Neem dit heilige zwaard aan als geschenk van God. Hiermee zul je de vijand verpletteren.’

17Gesterkt door de bezielende woorden van Judas, die de dapperheid aanwakkerden en het gemoed van de jongeren staalden, besloten ze zich niet eerst in slagorde op te stellen maar direct aan te vallen, zich dapper in de strijd te werpen en op die manier de zaak te beslechten. De stad, het tempelterrein en de tempel zelf liepen immers gevaar. 18Hun eerste en voornaamste zorg gold niet hun vrouwen en kinderen of familie en vrienden, maar de heilige tempel. 19Ook de mensen die in de stad waren achtergebleven zaten in grote angst, ongerust als ze waren over de afloop van een strijd op open terrein.

20

15:20-24
1 Mak. 7:39-42
Terwijl allen in spanning de komende beslissing afwachtten, trok de vijand zijn leger samen en stelde het in slagorde op. De olifanten werden op een strategische positie geplaatst en de ruiterij werd over de beide flanken verdeeld. 21Toen de Makkabeeër het vijandelijke leger in ogenschouw nam en zag met wat voor een verscheidenheid aan wapens het uitgerust was en hoe woest hun olifanten waren, hief hij zijn handen ten hemel en bad tot de Heer die wonderen kan verrichten. Hij wist immers dat de overwinning niet met wapens zou worden behaald, maar dat de Heer, wanneer het hem behaagt, de overwinning schenkt aan degenen die hij het waard acht. 22
15:22
2 Kon. 19:35
Jes. 37:36
2 Mak. 8:19
Zijn gebed luidde als volgt: ‘U, Heer, u hebt koning Hizkia van Juda uw engel gezonden, die ongeveer honderdvijfentachtigduizend man uit het kamp van Sanherib heeft gedood. 23Heer van de hemel, zend ook nu een goede engel voor ons uit om angst en paniek te zaaien. 24Mogen zij die met een godslastering op de lippen tegen uw heilige volk zijn opgetrokken, door de kracht van uw arm verpletterd worden.’ Zo luidde zijn gebed.

25

15:25-36
1 Mak. 7:43-50
Het leger van Nikanor stormde onder trompetgeschal en krijgsliederen naar voren. 26Het leger van Judas stortte zich onder het aanroepen van Gods naam en het aanheffen van gebeden in de strijd. 27Terwijl ze streden met hun handen, baden ze in hun hart tot God. Zo doodden ze niet minder dan vijfendertigduizend man, en deze klaarblijkelijke hulp van God stemde hen tot grote vreugde.

28Toen ze na afloop van de slag opgetogen de terugtocht aanvaardden, herkenden ze in een van de gevallenen Nikanor, die in volle wapenrusting was gesneuveld. 29Ze begonnen te schreeuwen en te joelen en hieven daarna in hun moedertaal een loflied aan op de Heer. 30Judas, hij die altijd met hart en ziel voor zijn medeburgers was opgekomen en zijn volksgenoten van jongs af aan toegewijd was geweest, gaf bevel Nikanors hoofd en zijn hele arm af te hakken en deze mee te nemen naar Jeruzalem. 31Daar aangekomen riep hij zijn volksgenoten bijeen, droeg de priesters op bij het altaar te gaan staan en ontbood het garnizoen van de citadel. 32Toen toonde hij aan iedereen het hoofd van de verdorven Nikanor en de arm van de ellendeling, dezelfde arm die hij in zijn hoogmoed had uitgestrekt naar de heilige woning van de Almachtige. 33Hij sneed de godslasteraar zijn tong uit zijn mond en zei dat die in kleine stukjes aan de vogels moest worden gevoerd. Zijn arm moest als loon voor zijn waanzin tegenover de tempel worden opgehangen. 34Alle aanwezigen hieven hun gezicht naar de hemel en loofden de Heer omdat hij zijn aanwezigheid kenbaar had gemaakt: ‘Geprezen zij hij, die zijn eigen woning voor bezoedeling heeft behoed.’ 35

15:35
1 Sam. 31:9-10
Nikanors hoofd werd aan de buitenkant van de citadel opgehangen als een voor iedereen zichtbare herinnering aan de hulp die de Heer geboden had. 36Met algemene stemmen werd besloten dat deze dag niet vergeten mocht worden, maar voortaan ieder jaar zou worden gevierd op de dertiende dag van de twaalfde maand (de maand adar in het Aramees), dat wil zeggen één dag voor het feest van Mordechai.

37Zo liep het dus met Nikanor af. Sindsdien is de stad in handen van de Hebreeën gebleven.

Nawoord

Hiermee ben ik aan het slot van mijn verhaal gekomen. 38Als het goed verteld en logisch geordend is, ben ik in mijn opzet geslaagd; als het resultaat zwak en middelmatig is, heb ik in elk geval mijn best gedaan. 39Het is niet goed om onverdunde wijn te drinken, en hetzelfde geldt voor water waaraan niets is toegevoegd. Maar wijn met water aangelengd streelt de tong en geeft een gevoel van welbehagen, en zo streelt ook een goed gecomponeerd verhaal de oren van de lezer. Laat dit het einde zijn.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]