Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
12

Veldtochten van Judas

121Zodra bovengenoemde verdragen gesloten waren, ging Lysias terug naar de koning en legden de Joden zich weer toe op het bebouwen van hun akkers. 2Maar enkele plaatselijke bevelhebbers, te weten Timoteüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, Hiëronymus en Demofon, en vooral Nikanor, de bevelhebber van de Cyprioten, gunden hun geen rust en bleven hen lastigvallen.

3De inwoners van Joppe begingen de volgende goddeloze wandaad: ze verzochten de Joden die in hun stad woonden om zich met hun vrouwen en kinderen in te schepen in een aantal voor dat doel gereedliggende vaartuigen. Ze lieten daarbij niets van hun vijandige gezindheid blijken, 4maar zeiden alleen dat het een besluit van het stadsbestuur betrof. De Joden, die graag in vrede wilden leven, voldeden nietsvermoedend aan dit verzoek. Maar eenmaal op open zee gekomen werden de schepen, met niet minder dan tweehonderd Joden aan boord, tot zinken gebracht. 5Judas hoorde over deze wreedheid en bracht zijn mannen op de hoogte van wat er gebeurd was. 6Nadat hij God, de rechtvaardige rechter, had aangeroepen, trok hij op tegen degenen die zijn volksgenoten vermoord hadden. Hij stichtte bij nacht brand in de haven en liet alle schepen in vlammen opgaan, en iedereen die er zijn toevlucht had gezocht werd gedood. 7Omdat de poorten van de stad zelf gesloten waren, trok hij zich terug met de bedoeling later ook de rest van de bevolking van Joppe uit te roeien. 8Toen hij vernam dat de inwoners van Jamnia soortgelijke plannen beraamden tegen de in hun stad wonende Joden, 9overviel hij ook daar ’s nachts de haven en stak de vloot in brand. Tot in het tweehonderdveertig stadie verder gelegen Jeruzalem was de gloed van de vlammen te zien.

10

12:10-32
1 Mak. 5:24-54
Vervolgens ondernamen Judas en zijn mannen een veldtocht tegen Timoteüs. Ze hadden nog geen negen stadie afgelegd, of ze werden overvallen door een Arabisch leger van niet minder dan vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters. 11Er ontbrandde een hevige strijd, waarin de mannen van Judas dankzij de hulp van God de overwinning behaalden. De verslagen nomaden vroegen hem of hij vrede met hen wilde sluiten. In ruil daarvoor beloofden ze vee te geven en hem ook op andere manieren van dienst te zullen zijn. 12Omdat Judas van oordeel was dat de Arabieren hem inderdaad bij allerlei zaken van nut konden zijn, ging hij op hun vredesvoorstel in. Nadat ze het verdrag hadden bekrachtigd, keerden de Arabieren terug naar hun tenten.

13Judas viel ook de stad Kaspin aan, door bruggen te slaan naar de wallen.12:13 door bruggen te slaan naar de wallen – Andere handschriften lezen: ‘die door bruggen/wallen versterkt was’. De stad was aan alle kanten ommuurd en werd bewoond door mensen van allerlei herkomst. 14De belegerden hadden zo veel vertrouwen in de sterkte van de muren en de hoeveelheid voedsel die ze in voorraad hadden, dat ze zich aanmatigden de mannen van Judas de huid vol te schelden en bovendien God te lasteren en liederlijke taal uit te slaan. 15

12:15
Joz. 6:1-27
Daarop riepen Judas’ mannen de grote Heer van de wereld aan, die ten tijde van Jozua de muren van Jericho zonder stormrammen of andere oorlogswerktuigen omver had geworpen, en ze bestormden blind van woede de stadsmuur. 16Omdat God het wilde namen ze de stad in. Ze richtten zo’n onbeschrijfelijk bloedbad aan dat een nabijgelegen meertje, dat twee stadie breed was, helemaal gevuld scheen met bloed.

17

12:17
1 Mak. 5:13
Van daar trokken ze naar Charax, zevenhonderdvijftig stadie verder. Daar woonden Joden die Tobiaden genoemd werden. 18Timoteüs troffen ze daar niet, want die was onverrichter zake uit dat gebied vertrokken. Hij had echter wel op een bepaalde plaats een zeer sterke bezettingsmacht achtergelaten. 19Dositeüs en Sosipatrus, twee van Judas’ aanvoerders, vielen met hun eenheden de troepen die Timoteüs in de vesting had achtergelaten aan en doodden meer dan tienduizend man. 20De Makkabeeër zelf stelde zijn leger in slagorde op, benoemde over elke eenheid een bevelhebber en trok op tegen Timoteüs, die beschikte over honderdtwintigduizend man voetvolk en vijfentwintighonderd ruiters. 21Toen Timoteüs bericht ontving dat Judas in aantocht was, stuurde hij de vrouwen en kinderen met de overtollige bagage naar het heiligdom van de gehoornde Astarte.12:21 naar het heiligdom van de gehoornde Astarte – Ook mogelijk is de vertaling: ‘naar de stad Karnion’. Die plaats was namelijk moeilijk te belegeren of aan te vallen omdat alle toegangswegen door nauwe kloven leidden. 22Zodra de vijanden de eerste eenheid van Judas’ leger zagen aankomen, werden ze door angst overmand, en ze raakten nog meer in paniek toen de Alziende aan hen verscheen. Ze vluchtten alle kanten uit, en velen van hen werden door hun eigen mensen verwond of met het zwaard doorstoken. 23Judas zette in alle hevigheid de achtervolging in en sloeg de onverlaten neer; hij doodde er ongeveer dertigduizend. 24Timoteüs zelf viel in handen van de mannen van Dositeüs en Sosipatrus. Maar hij was zo doortrapt hun voor te houden dat hij van velen van hen de ouders of broers in gijzeling had, met wie nietsontziend zou worden afgerekend als men hem niet ongemoeid liet vertrekken. 25Nadat hij hun met veel omhaal van woorden verzekerd had dat hij de gijzelaars ongedeerd zou teruggeven als ze hem zouden laten gaan, lieten ze hem vrij om hun verwanten te redden. 26Judas rukte op naar de heiligdommen van Astarte en Atargatis, waar hij vijfentwintigduizend mensen doodde.

27

12:27-28
1 Mak. 5:46-51
Na de nederlaag en ondergang van deze vijanden trok hij op tegen Efron, een vestingstad met een groot aantal inwoners12:27 een vestingstad met een groot aantal inwoners – Andere handschriften lezen: ‘een vestingstad waar Lysias woonde en een groot aantal inwoners’. afkomstig uit verschillende volken. De stadsmuren werden krachtig verdedigd door sterke, jonge kerels, en in de stad bevond zich een grote voorraad wapens en oorlogswerktuigen. 28Maar Judas en zijn mannen riepen de Heer aan, hij die de vijandelijke macht met grote kracht verbrijzelt, namen de stad in en doodden er ongeveer vijfentwintigduizend mensen.

29Van daar verplaatste hij zijn leger naar Skythopolis, dat op zeshonderd stadie van Jeruzalem ligt. 30Maar de Joden daar verklaarden dat de bevolking hen goed behandelde en in moeilijke tijden had bijgestaan. 31Judas bedankte de inwoners van Skythopolis en spoorde hen aan de Joden ook in het vervolg goedgezind te blijven. Daarna ging hij met zijn mannen naar Jeruzalem om het op handen zijnde Wekenfeest bij te wonen.

32Na afloop van dit feest, dat ook wel het Pinksterfeest wordt genoemd, trokken ze op tegen Gorgias, de bevelhebber in Idumea. 33Gorgias kwam hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters. 34Tijdens de slag viel aan de kant van de Joden een klein aantal slachtoffers. 35Een zekere Dositeüs, een van de ruiters van Bakenor, was een man met uitzonderlijk grote kracht. Hij greep de vervloekte Gorgias bij zijn mantel en sleurde hem in volle vaart mee, in een poging hem levend gevangen te nemen. Maar een van de Tracische ruiters viel Dositeüs aan en hakte zijn arm af, waarop Gorgias naar Maresa ontkwam. 36De mannen van Esdris waren na een lange strijd de uitputting nabij. Daarom riep Judas de Heer aan om als medestrijder te verschijnen en de troepen aan te voeren. 37In zijn moedertaal slaakte hij een strijdkreet en hief een krijgslied aan, en hij stormde onverwachts op het leger van Gorgias af en joeg het op de vlucht.

38Nadat Judas zijn leger had gehergroepeerd, ging hij naar Adullam. Aangezien toen juist de zevende dag van de week aanbrak, reinigden ze zich volgens gebruik en vierden daar de sabbat. 39De dag na de sabbat gingen de mannen van Judas op weg om de lichamen van de gevallenen te bergen, want het was inmiddels hoog tijd om die bij te zetten in de graven van hun voorouders. 40

12:40
Deut. 7:25
Bij ieder van de gesneuvelden vonden ze onder zijn kleren afgodsbeeldjes uit Jamnia. Omdat het bezit daarvan voor Joden bij de wet verboden is, begreep iedereen dat dit er de oorzaak van was dat ze waren gevallen. 41Allen prezen daarom de Heer, de rechtvaardige rechter die aan het licht brengt wat verborgen is, 42en hieven een smeekgebed aan waarin ze vroegen of deze zonde volledig mocht worden uitgewist. De edele Judas waarschuwde het volk om, nu men met eigen ogen had gezien wat de gesneuvelden zich met hun vergrijp op de hals gehaald hadden, zich niet ook aan zonden schuldig te maken. 43Hij hield een inzameling onder al zijn mannen en stuurde de opbrengst, ongeveer tweeduizend zilveren drachmen, naar Jeruzalem om een zoenoffer te laten brengen. Deze goede en nobele daad verrichtte hij met het oog op de opstanding; 44als hij niet verwacht had dat de gesneuvelden uit de dood zouden opstaan, zou het immers zinloos en dwaas zijn geweest om voor hen te bidden. 45In het besef dat voor wie als vroom mens sterft een prachtige beloning in het verschiet ligt – inderdaad een heilige en godvruchtige gedachte –, bracht hij ten behoeve van de doden dit zoenoffer, opdat ze van hun zonde zouden worden vrijgesproken.

13

De dood van Menelaüs

131In het jaar 149 kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Antiochus Eupator met een groot leger onderweg was naar Judea, 2

13:2
1 Mak. 6:30
samen met zijn voogd, de regent Lysias. Elk van beiden beschikte over een Griekse strijdmacht van honderdtienduizend man voetvolk, drieënvijftighonderd ruiters, tweeëntwintig olifanten en driehonderd wagens met messen aan de wielen. 3
13:3
2 Mak. 4:23
Menelaüs had zich bij hen aangesloten. De valsaard sterkte Antiochus in zijn voornemen, niet met het welzijn van het vaderland voor ogen, maar in de hoop daardoor met het bestuur van zijn land belast te blijven. 4Maar de hoogste koning liet Antiochus in woede tegen deze verrader ontsteken. Nadat Lysias Menelaüs had aangewezen als veroorzaker van alle ellende, beval Antiochus dat hij naar Berea gevoerd moest worden om op de daar gebruikelijke manier te worden terechtgesteld. 5Er stond in Berea een vijftig el hoge toren vol as, met erboven een trechtervormige stellage die in de as uitmondde. 6Wie zich schuldig maakte aan tempelroof of een andere zeer ernstige wandaad, werd in die trechter geduwd en vond op die manier de dood. 7Zo verging het ook de wetsovertreder Menelaüs. Hij werd niet begraven 8maar vond de dood in de as, een passende straf voor iemand die zo veel vergrijpen had gepleegd tegen het altaar, waarvan het vuur en de as heilig zijn.

Judas verslaat Antiochus Eupator

9Antiochus trok op met de barbaarse bedoeling de Joden nog wreder te behandelen dan onder zijn vader het geval was geweest. 10Toen Judas hiervan hoorde, droeg hij het volk op de Heer dag en nacht aan te roepen om hem te vragen of hij hun opnieuw te hulp wilde komen. 11Weer immers dreigden ze te worden beroofd van hun wet, hun vaderland en hun heilige tempel. De Heer kon toch niet toestaan dat zijn volk, dat nog maar zo kort geleden het gewone leven had kunnen hervatten, nu weer die verdorven volken in handen zou vallen. 12Eensgezind baden allen drie dagen lang tot de barmhartige Heer, waarbij ze jammerden, vastten en in het stof neerbogen. Daarna sprak Judas hen bemoedigend toe en beval hij hun zich gereed te houden. 13Na een afzonderlijk beraad met de oudsten besloot hij uit te rukken en de zaak met Gods hulp te beslechten voordat het leger van de koning Judea zou binnenvallen om de stad in te nemen.

14Nadat hij de beslissing dus in handen van de schepper van de wereld had gelegd, sloeg hij in de buurt van Modeïn zijn kamp op en spoorde hij zijn mannen aan om dapper, op leven en dood, te strijden voor wet, tempel, stad, vaderland en het recht op zelfbeschikking. 15

13:15
1 Mak. 6:43
2 Mak. 8:23
Na zijn manschappen de strijdkreet ‘God overwint!’ te hebben gegeven, overviel hij met een keur van dappere jongemannen bij nacht het koninklijk kwartier. In het kamp doodden ze ongeveer tweeduizend man en velden ze bovendien de grootste olifant en zijn drijver. 16-17Zo zaaiden ze in het hele kamp paniek en verwarring en konden ze ten slotte dankzij de bescherming die de Heer aan Judas had geboden, bij het aanbreken van de ochtend zegevierend het kamp verlaten.

18

13:18-23
1 Mak. 6:48-63
Nu de koning een voorproefje had gekregen van de strijdlust van de Joden, probeerde hij hun steden door middel van list te veroveren. 19
13:19
1 Mak. 6:31
Hij trok op tegen Bet-Sur, een sterke Joodse vesting, werd teruggedreven, deed opnieuw een aanval, maar werd weer verslagen. 20Intussen zorgde Judas ervoor dat de bevolking van de belegerde stad bevoorraad werd. 21Rodokus, iemand uit het Joodse leger, speelde geheime inlichtingen aan de vijand door, maar werd opgespoord, gegrepen en ter dood gebracht. 22De koning knoopte voor een tweede keer onderhandelingen aan met de inwoners van Bet-Sur, en nu aanvaardden zij het vredesverdrag dat hij hun aanbood. Hij brak het beleg op, trok weg 23en deed een rechtstreekse aanval op het leger van Judas, maar werd verslagen.

Filippus was in Antiochië gebleven om de staatszaken te behartigen. Toen Antiochus vernam dat Filippus hem ontrouw was geworden, was hij zo ontdaan dat hij zich bereid verklaarde op de voorwaarden van de Joden in te gaan. Hij riep hen bij zich, beloofde onder ede al hun rechtmatige eisen in te willigen en bekrachtigde dit in een verdrag. Om zijn goede gezindheid tegenover de heilige plaats te laten blijken, bracht hij een offer en betoonde hij eer aan de tempel. 24Hij ontving de Makkabeeër en benoemde Hegemonides tot gouverneur over het gebied tussen Ptolemaïs en Gerar. 25De inwoners van Ptolemaïs voelden zich door dit verdrag echter tekortgedaan. Toen de koning een bezoek bracht aan Ptolemaïs, eiste de bevolking op hoge toon dat de overeenkomst ongedaan zou worden gemaakt. 26Lysias beklom het spreekgestoelte en hield een gloedvol betoog, waarmee hij erin slaagde zijn gehoor te kalmeren, milder te stemmen en ten slotte te overtuigen. Daarop vertrok hij naar Antiochië.

Zo verliepen de aanval en de terugtocht van de koning.

14

Het verraad van Alkimus

141

14:1-10
1 Mak. 7:1-21
Drie jaar later kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Demetrius, de zoon van Seleukus, met een vloot met een groot leger aan boord de haven van Tripolis was binnengevaren. 2Hij had Antiochus en diens voogd Lysias gedood en zich van het rijk meester gemaakt. 3Een zekere Alkimus, een vroegere hogepriester, had zichzelf ten tijde van de vervolging uit eigen beweging ontwijd en was zich ervan bewust dat hij niet langer veilig was en nooit meer toegang zou krijgen tot het heilige altaar. 4Daarom ging hij in het jaar 151 of daaromtrent naar koning Demetrius om hem een gouden krans en een palmtak te overhandigen. Ook bood hij hem, zoals gebruikelijk, olijftakken uit de tempel aan. Verder deed hij die dag nog niets. 5Maar toen hij door Demetrius in de raadsvergadering werd ontboden om uiteen te zetten hoe de stemming en gezindheid van de Joden was, zag hij zijn kans schoon om zijn waanzinnige plannen ten uitvoer te brengen en gaf hij de koning het volgende antwoord: 6‘De groep Joden die zich chasideeën noemen en die onder leiding staan van Judas Makkabeüs, is nog steeds opstandig. Zij blijven de vijandelijkheden voortzetten en brengen zo de stabiliteit van het rijk in gevaar. 7Dat is de reden waarom ik, beroofd als ik ben van de waardigheid die mijn familie toekomt – ik bedoel het hogepriesterschap –, hierheen ben gekomen. 8Ik doe dit in de eerste plaats met het oog op de belangen van de koning, maar daarnaast ook uit bezorgdheid om het welzijn van mijn volksgenoten, want door het onbezonnen optreden van voornoemde personen heeft ons hele volk ernstig te lijden. 9Nu u dit alles weet, majesteit, wil ik u verzoeken de zorg voor ons land en ons benarde volk op u te nemen met de vriendelijke welwillendheid waarmee u een ieder tegemoet treedt. 10Zolang Judas in leven is, kan er geen vrede heersen in uw koninkrijk.’ 11
14:11-17
1 Mak. 7:26-32
Toen hij was uitgesproken, wakkerden de vertrouwelingen van de koning, die eveneens zeer gekant waren tegen Judas en zijn zaak, Demetrius’ woede nog verder aan. 12Meteen wees deze een zekere Nikanor, die voorheen was belast met het bevel over het eskadron olifanten, als bevelhebber in Judea aan. Hij stuurde hem ernaartoe 13met de opdracht Judas te doden en zijn mannen uiteen te slaan. En Alkimus moest weer worden hersteld in het ambt van hogepriester van de grote tempel. 14De vreemde volken die voor Judas uit Judea waren gevlucht, hoopten dat de rampspoed en ellende van de Joden hunzelf voorspoed zou brengen en sloten zich in groten getale bij Nikanor aan.

15Toen Judas en zijn mannen hoorden dat Nikanor in aantocht was en de vreemde volken hen wilden aanvallen, wierpen ze stof over hun hoofd en richtten ze een smeekgebed tot hem die Israël voor eeuwig tot zijn volk en eigendom heeft gemaakt en het steeds opnieuw heeft geholpen door te verschijnen wanneer dat nodig was. 16Op het sein van hun aanvoerder rukten ze vervolgens direct uit. Bij het dorp Dessaü kwam het tot een treffen. 17Judas’ broer Simon raakte slaags met Nikanor. Verrast door de plotselinge komst van de aanvallers werd hij voor korte tijd teruggedreven. 18Maar Nikanor durfde het er niet op aan te laten komen de zaak gewapenderhand tot een beslissing te brengen, want hij had gehoord over de moed en strijdlust waarmee Judas en zijn mannen bereid waren hun vaderland te verdedigen. 19In plaats daarvan vaardigde hij Posidonius, Theodotus en Mattatias af om vredesonderhandelingen te openen. 20Hun voorstellen werden zorgvuldig bestudeerd, en nadat de aanvoerder met zijn troepen had overlegd, werd het verdrag eenstemmig aanvaard. 21Op de dag die voor de ontmoeting tussen Judas en Nikanor was bepaald, kwam elk in zijn strijdwagen aanrijden. Er waren zetels voor hen klaargezet. 22Judas had op strategische punten gewapende manschappen opgesteld voor het geval de vijand plotseling een verraderlijke aanval zou doen, maar de bespreking verliep zonder incidenten.

23

14:23
2 Mak. 6:7
Nikanor deed tijdens zijn verblijf in Jeruzalem niets onbehoorlijks; hij stuurde zelfs de ongeregelde troepen weg die hem vergezelden. 24Hij zocht dikwijls Judas’ gezelschap en raakte zeer op hem gesteld. 25Hij raadde hem aan te trouwen en een gezin te stichten. Judas volgde die raad op en leidde vanaf toen een vreedzaam en gelukkig leven.

26Toen Alkimus merkte dat Nikanor met Judas op vriendschappelijke voet verkeerde, ging hij met een exemplaar van het gesloten verdrag naar Demetrius en vertelde hem dat Nikanor het landsbelang uit het oog had verloren door Judas, de vijand van het koninkrijk, tot zijn plaatsvervanger te benoemen. 27Opgehitst door de aantijgingen van deze valse verrader ontstak de koning in woede. Hij schreef een brief aan Nikanor, waarin hij onderstreepte dat hij hevig ontstemd was over het verdrag en hem opdroeg de Makkabeeër onmiddellijk gevangen te nemen en naar Antiochië te sturen. 28Dit bevel bracht Nikanor in ernstige gewetensnood. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen het verdrag te schenden terwijl Judas niets verkeerds had gedaan, 29maar hij kon natuurlijk evenmin tegen het bevel van de koning in gaan. Daarom nam hij zijn toevlucht tot een list. 30

14:30-36
1 Mak. 7:29-38
Hij begon zich nogal stuurs tegenover de Makkabeeër te gedragen en ging heel wat minder vriendelijk met hem om dan voorheen. Dit ontging Judas niet, en hij vreesde dat deze norsheid niet veel goeds voorspelde. Daarom verborg hij zich met een groot aantal van zijn mannen voor Nikanor. 31Toen Nikanor begreep dat Judas hem op meesterlijke wijze te slim af was geweest, ging hij naar de hoogheilige tempel, waar de priesters aan het offeren waren, en beval dat Judas moest worden uitgeleverd. 32De priesters verklaarden echter onder ede dat ze niet wisten waar de gezochte zich bevond. 33Daarop strekte Nikanor zijn rechterarm naar de tempel uit en zwoer: ‘Als u Judas niet geboeid aan mij uitlevert, zal ik de heilige tempel van God met de grond gelijkmaken, het altaar vernietigen en in plaats daarvan een schitterende tempel voor Dionysus neerzetten.’ 34Zodra hij weg was, hieven de priesters hun handen ten hemel en riepen hem aan die in alle omstandigheden ons volk verdedigt: 35‘U, Heer, u hebt niets nodig, en toch heeft het u behaagd dat er een tempel zou zijn waarin u te midden van ons kunt wonen. 36Behoed daarom, allerheiligste Heer, deze tempel, die nog maar zo kort geleden werd gereinigd, eeuwig voor bezoedeling.’

De dood van Razis

37Het kwam Nikanor ter ore dat Razis, een van de oudsten van Jeruzalem, bekendstond als zeer vaderlandslievend. Hij genoot een goede reputatie en had vanwege zijn toewijding de bijnaam ‘Vader van de Joden’ gekregen. 38In het verleden, tijdens de vervolging, had hij namelijk terechtgestaan omdat hij vasthield aan de Joodse levenswijze en hij had toen vastberaden geweigerd zijn overtuiging op te geven, hoewel zijn leven op het spel stond. 39Nikanor wilde duidelijk maken dat zijn vijandige gezindheid tegenover de Joden hem ernst was. Daarom stuurde hij meer dan vijfhonderd soldaten eropuit om Razis gevangen te nemen, 40want hij was ervan overtuigd dat zijn aanhouding voor de Joden een zware slag zou betekenen. 41Om de toren waarin Razis zich verschanst had in te nemen, begonnen de soldaten de toegangsdeur te rammen, onderwijl schreeuwend dat er vuur moest komen om de binnendeuren in brand te steken. Razis, die begreep dat er voor hem geen uitweg meer was, doorstak zich met zijn eigen zwaard, 42want hij wilde liever een nobele dood sterven dan in handen vallen van die onverlaten en onteerd worden op een manier die niet zou stroken met zijn waardige karakter. 43Maar in zijn haast stak hij mis, en terwijl de meute door de poortdeuren binnendrong, klom hij zo snel als hij kon boven op de muur en wierp zich manmoedig naar beneden, midden in de menigte. 44De mensen weken snel uiteen om plaats te maken voor zijn neerstortende lichaam. 45Maar nog was hij niet dood. Woedend stond hij op en baande zich, gewond als hij was, zo snel hij kon een weg door de menigte, terwijl het bloed uit zijn lichaam stroomde. Hij ging boven op een steile rots staan 46en trok, nu bijna leeggebloed, zijn ingewanden met beide handen naar buiten en slingerde ze de menigte in, terwijl hij de Heer die de levensadem schenkt smeekte hem ze weer terug te geven. Zo stierf hij dan eindelijk.