Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Judas verslaat Lysias en dwingt vrede af

111

11:1-12
1 Mak. 4:26-35
11:1
1 Mak. 3:32
Lysias, de bloedverwant van de koning die als diens voogd belast was met het bestuur over het rijk, was zeer ontstemd over deze gebeurtenissen. 2In heel korte tijd mobiliseerde hij een leger van ongeveer tachtigduizend man en de voltallige ruiterij, en trok daarmee op tegen de Joden met de bedoeling van Jeruzalem een woonplaats te maken die voor Grieken geschikt zou zijn. 3Hij wilde de tempel belastingplichtig maken, net als de tempels van de andere volken, en het ambt van hogepriester jaarlijks verkopen aan de meestbiedende. 4Hij had het volste vertrouwen in zijn tienduizenden soldaten, zijn duizenden ruiters en zijn tachtig olifanten, en hield geen enkele rekening met de macht van God.

5Nadat hij Judea was binnengevallen trok hij op tot Bet-Sur, een versterkte stad op ongeveer vijf schoinos afstand van Jeruzalem, en sloeg het beleg rond de stad. 6Toen de mannen van de Makkabeeër hoorden dat Lysias hun vestingen belegerde, vroegen ze samen met heel het volk onder zuchten en tranen aan de Heer of hij een goede engel wilde sturen om Israël te redden. 7De Makkabeeër nam als eerste de wapens op en spoorde de anderen aan om samen met hem het gevaar te trotseren en hun volksgenoten hulp te bieden. Eensgezind en vol geestdrift rukten ze uit. 8Niet ver van Jeruzalem verscheen hun een in het wit geklede ruiter, die zich zwaaiend met zijn gouden wapens aan het hoofd van hun troepen stelde. 9Meteen dankten allen de barmhartige God en vatten ze zo veel moed dat ze bereid waren om niet alleen mensen, maar zelfs de wildste dieren en ijzeren muren aan te vallen. 10In het besef dat God zich over hen had ontfermd en hun een hemelse medestrijder had gezonden, rukten ze in slagorde op 11en stortten zich als leeuwen op hun vijanden. Ze doodden elfduizend man voetvolk en zestienhonderd ruiters, en joegen de rest van het leger op de vlucht. 12Van degenen die ontkwamen, waren de meesten gewond en van hun wapenrusting beroofd.

Lysias zelf had zich het vege lijf gered, en zo zijn eer verspeeld. 13

11:13
1 Mak. 6:57-59
Maar hij was geen onverstandig man, en toen hij bij zichzelf naging hoe het kwam dat hij zo’n nederlaag had moeten lijden, kwam hij tot de conclusie dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren omdat de machtige God aan hun zijde streed. Daarom liet hij hun een bericht overbrengen 14waarin hij hun voorstelde om op alleszins redelijke voorwaarden tot een vergelijk te komen, en beloofde dat hij er bij de koning op zou aandringen om hen voortaan vriendschappelijk te bejegenen. 15Lysias’ voorstellen leken de Makkabeeër gunstig en daarom stemde hij er volledig mee in. En alle verzoeken die Judas met betrekking tot de Joden in zijn brieven aan Lysias voorlegde, werden inderdaad door de koning ingewilligd.

16De brief van Lysias aan de Joden luidde als volgt:

‘Lysias groet het Joodse volk. 17Uw gezanten Johannes en Absalom hebben mij het hieronder weergegeven document overhandigd en uitsluitsel gevraagd over de zaken die daarin aan de orde zijn gesteld. 18Ik heb alles wat aan de koning zelf moest worden voorgelegd aan hem overgebracht, en hij heeft voor zover mogelijk met alles ingestemd. 19Als u de belangen van het koninkrijk toegewijd blijft, zal ik ook in de toekomst proberen uw welzijn te bevorderen. 20Verdere bijzonderheden hieromtrent zullen door uw en mijn gezanten bij u ter sprake worden gebracht. 21Het ga u goed. 24 dioskorintios 148.’

22De brief van de koning luidde aldus:

‘Koning Antiochus groet zijn broeder Lysias. 23Nu onze vader bij de goden is opgenomen, is het onze wens dat de onderdanen van ons koninkrijk zonder inmenging hun eigen aangelegenheden regelen. 24

11:24
1 Mak. 6:59
Wij hebben vernomen dat de Joden zich niet willen voegen naar de Griekse gewoonten die onze vader hun heeft opgelegd, maar hun eigen levenswijze willen blijven volgen en daarom toestemming vragen om hun traditionele gebruiken te handhaven. 25Omdat wij willen dat ook dit volk zonder inmenging zijn eigen leven kan leiden, besluiten we dat de tempel aan hen moet worden teruggegeven en dat zij hun leven mogen inrichten naar de wijze van hun voorouders. 26Wees zo vriendelijk hen van ons besluit op de hoogte te stellen en het formeel te bekrachtigen, zodat zij zich weer vol vreugde en goede moed aan hun eigen aangelegenheden kunnen wijden.’

27De brief van de koning aan het volk luidde als volgt:

‘Koning Antiochus groet de raad van oudsten en heel het Joodse volk. 28Indien het u goed gaat, is dat overeenkomstig onze wensen. Ook wijzelf verkeren in goede gezondheid. 29Menelaüs heeft ons in kennis gesteld van uw verlangen u weer aan uw eigen aangelegenheden te wijden. 30Welnu, zij die voor 30 xantikus naar huis terugkeren, kunnen verzekerd zijn van amnestie. 31De Joden zullen weer als vroeger hun eigen spijswetten en andere voorschriften mogen naleven en niemand van hen zal op enigerlei wijze worden lastiggevallen over wat voorheen in onwetendheid misdreven is. 32Tegelijk met deze brief stuur ik Menelaüs naar u toe om u gerust te stellen. 33Het ga u goed. 15 xantikus 148.’

34Ook de Romeinen stuurden een brief aan de Joden, met de volgende inhoud:

‘Quintus Memmius en Titus Manius, Romeinse gezanten, groeten het Joodse volk. 35Wat Lysias, de verwant van de koning, u heeft toegestaan, daarmee gaan ook wij akkoord. 36En wat betreft de zaken waarover hij oordeelde dat ze aan de koning moesten worden voorgelegd: beraad u daarover, en stel ons zo snel mogelijk van uw mening in kennis, want wij gaan binnenkort naar Antiochië en kunnen dan uw zaak bepleiten. 37Stuur dus zo spoedig mogelijk een aantal mensen naar ons toe om ons van uw mening op de hoogte te stellen. 38Het ga u wel. 15 xantikus 148.’

12

Veldtochten van Judas

121Zodra bovengenoemde verdragen gesloten waren, ging Lysias terug naar de koning en legden de Joden zich weer toe op het bebouwen van hun akkers. 2Maar enkele plaatselijke bevelhebbers, te weten Timoteüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, Hiëronymus en Demofon, en vooral Nikanor, de bevelhebber van de Cyprioten, gunden hun geen rust en bleven hen lastigvallen.

3De inwoners van Joppe begingen de volgende goddeloze wandaad: ze verzochten de Joden die in hun stad woonden om zich met hun vrouwen en kinderen in te schepen in een aantal voor dat doel gereedliggende vaartuigen. Ze lieten daarbij niets van hun vijandige gezindheid blijken, 4maar zeiden alleen dat het een besluit van het stadsbestuur betrof. De Joden, die graag in vrede wilden leven, voldeden nietsvermoedend aan dit verzoek. Maar eenmaal op open zee gekomen werden de schepen, met niet minder dan tweehonderd Joden aan boord, tot zinken gebracht. 5Judas hoorde over deze wreedheid en bracht zijn mannen op de hoogte van wat er gebeurd was. 6Nadat hij God, de rechtvaardige rechter, had aangeroepen, trok hij op tegen degenen die zijn volksgenoten vermoord hadden. Hij stichtte bij nacht brand in de haven en liet alle schepen in vlammen opgaan, en iedereen die er zijn toevlucht had gezocht werd gedood. 7Omdat de poorten van de stad zelf gesloten waren, trok hij zich terug met de bedoeling later ook de rest van de bevolking van Joppe uit te roeien. 8Toen hij vernam dat de inwoners van Jamnia soortgelijke plannen beraamden tegen de in hun stad wonende Joden, 9overviel hij ook daar ’s nachts de haven en stak de vloot in brand. Tot in het tweehonderdveertig stadie verder gelegen Jeruzalem was de gloed van de vlammen te zien.

10

12:10-32
1 Mak. 5:24-54
Vervolgens ondernamen Judas en zijn mannen een veldtocht tegen Timoteüs. Ze hadden nog geen negen stadie afgelegd, of ze werden overvallen door een Arabisch leger van niet minder dan vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters. 11Er ontbrandde een hevige strijd, waarin de mannen van Judas dankzij de hulp van God de overwinning behaalden. De verslagen nomaden vroegen hem of hij vrede met hen wilde sluiten. In ruil daarvoor beloofden ze vee te geven en hem ook op andere manieren van dienst te zullen zijn. 12Omdat Judas van oordeel was dat de Arabieren hem inderdaad bij allerlei zaken van nut konden zijn, ging hij op hun vredesvoorstel in. Nadat ze het verdrag hadden bekrachtigd, keerden de Arabieren terug naar hun tenten.

13Judas viel ook de stad Kaspin aan, door bruggen te slaan naar de wallen.12:13 door bruggen te slaan naar de wallen – Andere handschriften lezen: ‘die door bruggen/wallen versterkt was’. De stad was aan alle kanten ommuurd en werd bewoond door mensen van allerlei herkomst. 14De belegerden hadden zo veel vertrouwen in de sterkte van de muren en de hoeveelheid voedsel die ze in voorraad hadden, dat ze zich aanmatigden de mannen van Judas de huid vol te schelden en bovendien God te lasteren en liederlijke taal uit te slaan. 15

12:15
Joz. 6:1-27
Daarop riepen Judas’ mannen de grote Heer van de wereld aan, die ten tijde van Jozua de muren van Jericho zonder stormrammen of andere oorlogswerktuigen omver had geworpen, en ze bestormden blind van woede de stadsmuur. 16Omdat God het wilde namen ze de stad in. Ze richtten zo’n onbeschrijfelijk bloedbad aan dat een nabijgelegen meertje, dat twee stadie breed was, helemaal gevuld scheen met bloed.

17

12:17
1 Mak. 5:13
Van daar trokken ze naar Charax, zevenhonderdvijftig stadie verder. Daar woonden Joden die Tobiaden genoemd werden. 18Timoteüs troffen ze daar niet, want die was onverrichter zake uit dat gebied vertrokken. Hij had echter wel op een bepaalde plaats een zeer sterke bezettingsmacht achtergelaten. 19Dositeüs en Sosipatrus, twee van Judas’ aanvoerders, vielen met hun eenheden de troepen die Timoteüs in de vesting had achtergelaten aan en doodden meer dan tienduizend man. 20De Makkabeeër zelf stelde zijn leger in slagorde op, benoemde over elke eenheid een bevelhebber en trok op tegen Timoteüs, die beschikte over honderdtwintigduizend man voetvolk en vijfentwintighonderd ruiters. 21Toen Timoteüs bericht ontving dat Judas in aantocht was, stuurde hij de vrouwen en kinderen met de overtollige bagage naar het heiligdom van de gehoornde Astarte.12:21 naar het heiligdom van de gehoornde Astarte – Ook mogelijk is de vertaling: ‘naar de stad Karnion’. Die plaats was namelijk moeilijk te belegeren of aan te vallen omdat alle toegangswegen door nauwe kloven leidden. 22Zodra de vijanden de eerste eenheid van Judas’ leger zagen aankomen, werden ze door angst overmand, en ze raakten nog meer in paniek toen de Alziende aan hen verscheen. Ze vluchtten alle kanten uit, en velen van hen werden door hun eigen mensen verwond of met het zwaard doorstoken. 23Judas zette in alle hevigheid de achtervolging in en sloeg de onverlaten neer; hij doodde er ongeveer dertigduizend. 24Timoteüs zelf viel in handen van de mannen van Dositeüs en Sosipatrus. Maar hij was zo doortrapt hun voor te houden dat hij van velen van hen de ouders of broers in gijzeling had, met wie nietsontziend zou worden afgerekend als men hem niet ongemoeid liet vertrekken. 25Nadat hij hun met veel omhaal van woorden verzekerd had dat hij de gijzelaars ongedeerd zou teruggeven als ze hem zouden laten gaan, lieten ze hem vrij om hun verwanten te redden. 26Judas rukte op naar de heiligdommen van Astarte en Atargatis, waar hij vijfentwintigduizend mensen doodde.

27

12:27-28
1 Mak. 5:46-51
Na de nederlaag en ondergang van deze vijanden trok hij op tegen Efron, een vestingstad met een groot aantal inwoners12:27 een vestingstad met een groot aantal inwoners – Andere handschriften lezen: ‘een vestingstad waar Lysias woonde en een groot aantal inwoners’. afkomstig uit verschillende volken. De stadsmuren werden krachtig verdedigd door sterke, jonge kerels, en in de stad bevond zich een grote voorraad wapens en oorlogswerktuigen. 28Maar Judas en zijn mannen riepen de Heer aan, hij die de vijandelijke macht met grote kracht verbrijzelt, namen de stad in en doodden er ongeveer vijfentwintigduizend mensen.

29Van daar verplaatste hij zijn leger naar Skythopolis, dat op zeshonderd stadie van Jeruzalem ligt. 30Maar de Joden daar verklaarden dat de bevolking hen goed behandelde en in moeilijke tijden had bijgestaan. 31Judas bedankte de inwoners van Skythopolis en spoorde hen aan de Joden ook in het vervolg goedgezind te blijven. Daarna ging hij met zijn mannen naar Jeruzalem om het op handen zijnde Wekenfeest bij te wonen.

32Na afloop van dit feest, dat ook wel het Pinksterfeest wordt genoemd, trokken ze op tegen Gorgias, de bevelhebber in Idumea. 33Gorgias kwam hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters. 34Tijdens de slag viel aan de kant van de Joden een klein aantal slachtoffers. 35Een zekere Dositeüs, een van de ruiters van Bakenor, was een man met uitzonderlijk grote kracht. Hij greep de vervloekte Gorgias bij zijn mantel en sleurde hem in volle vaart mee, in een poging hem levend gevangen te nemen. Maar een van de Tracische ruiters viel Dositeüs aan en hakte zijn arm af, waarop Gorgias naar Maresa ontkwam. 36De mannen van Esdris waren na een lange strijd de uitputting nabij. Daarom riep Judas de Heer aan om als medestrijder te verschijnen en de troepen aan te voeren. 37In zijn moedertaal slaakte hij een strijdkreet en hief een krijgslied aan, en hij stormde onverwachts op het leger van Gorgias af en joeg het op de vlucht.

38Nadat Judas zijn leger had gehergroepeerd, ging hij naar Adullam. Aangezien toen juist de zevende dag van de week aanbrak, reinigden ze zich volgens gebruik en vierden daar de sabbat. 39De dag na de sabbat gingen de mannen van Judas op weg om de lichamen van de gevallenen te bergen, want het was inmiddels hoog tijd om die bij te zetten in de graven van hun voorouders. 40

12:40
Deut. 7:25
Bij ieder van de gesneuvelden vonden ze onder zijn kleren afgodsbeeldjes uit Jamnia. Omdat het bezit daarvan voor Joden bij de wet verboden is, begreep iedereen dat dit er de oorzaak van was dat ze waren gevallen. 41Allen prezen daarom de Heer, de rechtvaardige rechter die aan het licht brengt wat verborgen is, 42en hieven een smeekgebed aan waarin ze vroegen of deze zonde volledig mocht worden uitgewist. De edele Judas waarschuwde het volk om, nu men met eigen ogen had gezien wat de gesneuvelden zich met hun vergrijp op de hals gehaald hadden, zich niet ook aan zonden schuldig te maken. 43Hij hield een inzameling onder al zijn mannen en stuurde de opbrengst, ongeveer tweeduizend zilveren drachmen, naar Jeruzalem om een zoenoffer te laten brengen. Deze goede en nobele daad verrichtte hij met het oog op de opstanding; 44als hij niet verwacht had dat de gesneuvelden uit de dood zouden opstaan, zou het immers zinloos en dwaas zijn geweest om voor hen te bidden. 45In het besef dat voor wie als vroom mens sterft een prachtige beloning in het verschiet ligt – inderdaad een heilige en godvruchtige gedachte –, bracht hij ten behoeve van de doden dit zoenoffer, opdat ze van hun zonde zouden worden vrijgesproken.

13

De dood van Menelaüs

131In het jaar 149 kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Antiochus Eupator met een groot leger onderweg was naar Judea, 2

13:2
1 Mak. 6:30
samen met zijn voogd, de regent Lysias. Elk van beiden beschikte over een Griekse strijdmacht van honderdtienduizend man voetvolk, drieënvijftighonderd ruiters, tweeëntwintig olifanten en driehonderd wagens met messen aan de wielen. 3
13:3
2 Mak. 4:23
Menelaüs had zich bij hen aangesloten. De valsaard sterkte Antiochus in zijn voornemen, niet met het welzijn van het vaderland voor ogen, maar in de hoop daardoor met het bestuur van zijn land belast te blijven. 4Maar de hoogste koning liet Antiochus in woede tegen deze verrader ontsteken. Nadat Lysias Menelaüs had aangewezen als veroorzaker van alle ellende, beval Antiochus dat hij naar Berea gevoerd moest worden om op de daar gebruikelijke manier te worden terechtgesteld. 5Er stond in Berea een vijftig el hoge toren vol as, met erboven een trechtervormige stellage die in de as uitmondde. 6Wie zich schuldig maakte aan tempelroof of een andere zeer ernstige wandaad, werd in die trechter geduwd en vond op die manier de dood. 7Zo verging het ook de wetsovertreder Menelaüs. Hij werd niet begraven 8maar vond de dood in de as, een passende straf voor iemand die zo veel vergrijpen had gepleegd tegen het altaar, waarvan het vuur en de as heilig zijn.

Judas verslaat Antiochus Eupator

9Antiochus trok op met de barbaarse bedoeling de Joden nog wreder te behandelen dan onder zijn vader het geval was geweest. 10Toen Judas hiervan hoorde, droeg hij het volk op de Heer dag en nacht aan te roepen om hem te vragen of hij hun opnieuw te hulp wilde komen. 11Weer immers dreigden ze te worden beroofd van hun wet, hun vaderland en hun heilige tempel. De Heer kon toch niet toestaan dat zijn volk, dat nog maar zo kort geleden het gewone leven had kunnen hervatten, nu weer die verdorven volken in handen zou vallen. 12Eensgezind baden allen drie dagen lang tot de barmhartige Heer, waarbij ze jammerden, vastten en in het stof neerbogen. Daarna sprak Judas hen bemoedigend toe en beval hij hun zich gereed te houden. 13Na een afzonderlijk beraad met de oudsten besloot hij uit te rukken en de zaak met Gods hulp te beslechten voordat het leger van de koning Judea zou binnenvallen om de stad in te nemen.

14Nadat hij de beslissing dus in handen van de schepper van de wereld had gelegd, sloeg hij in de buurt van Modeïn zijn kamp op en spoorde hij zijn mannen aan om dapper, op leven en dood, te strijden voor wet, tempel, stad, vaderland en het recht op zelfbeschikking. 15

13:15
1 Mak. 6:43
2 Mak. 8:23
Na zijn manschappen de strijdkreet ‘God overwint!’ te hebben gegeven, overviel hij met een keur van dappere jongemannen bij nacht het koninklijk kwartier. In het kamp doodden ze ongeveer tweeduizend man en velden ze bovendien de grootste olifant en zijn drijver. 16-17Zo zaaiden ze in het hele kamp paniek en verwarring en konden ze ten slotte dankzij de bescherming die de Heer aan Judas had geboden, bij het aanbreken van de ochtend zegevierend het kamp verlaten.

18

13:18-23
1 Mak. 6:48-63
Nu de koning een voorproefje had gekregen van de strijdlust van de Joden, probeerde hij hun steden door middel van list te veroveren. 19
13:19
1 Mak. 6:31
Hij trok op tegen Bet-Sur, een sterke Joodse vesting, werd teruggedreven, deed opnieuw een aanval, maar werd weer verslagen. 20Intussen zorgde Judas ervoor dat de bevolking van de belegerde stad bevoorraad werd. 21Rodokus, iemand uit het Joodse leger, speelde geheime inlichtingen aan de vijand door, maar werd opgespoord, gegrepen en ter dood gebracht. 22De koning knoopte voor een tweede keer onderhandelingen aan met de inwoners van Bet-Sur, en nu aanvaardden zij het vredesverdrag dat hij hun aanbood. Hij brak het beleg op, trok weg 23en deed een rechtstreekse aanval op het leger van Judas, maar werd verslagen.

Filippus was in Antiochië gebleven om de staatszaken te behartigen. Toen Antiochus vernam dat Filippus hem ontrouw was geworden, was hij zo ontdaan dat hij zich bereid verklaarde op de voorwaarden van de Joden in te gaan. Hij riep hen bij zich, beloofde onder ede al hun rechtmatige eisen in te willigen en bekrachtigde dit in een verdrag. Om zijn goede gezindheid tegenover de heilige plaats te laten blijken, bracht hij een offer en betoonde hij eer aan de tempel. 24Hij ontving de Makkabeeër en benoemde Hegemonides tot gouverneur over het gebied tussen Ptolemaïs en Gerar. 25De inwoners van Ptolemaïs voelden zich door dit verdrag echter tekortgedaan. Toen de koning een bezoek bracht aan Ptolemaïs, eiste de bevolking op hoge toon dat de overeenkomst ongedaan zou worden gemaakt. 26Lysias beklom het spreekgestoelte en hield een gloedvol betoog, waarmee hij erin slaagde zijn gehoor te kalmeren, milder te stemmen en ten slotte te overtuigen. Daarop vertrok hij naar Antiochië.

Zo verliepen de aanval en de terugtocht van de koning.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]