Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

De dood van Antiochus Epifanes

91

9:1-29
1 Mak. 6:1-16
2 Mak. 1:11-17
In diezelfde tijd had Antiochus Perzië overhaast moeten verlaten. 2Hij was namelijk de stad Persepolis binnengevallen en had geprobeerd de tempel te plunderen en de stad in te nemen. Maar omdat de inwoners van de stad onmiddellijk naar de wapens hadden gegrepen, hadden ze Antiochus en zijn troepen verslagen en op de vlucht gejaagd, zodat hij op smadelijke wijze de terugtocht moest aanvaarden. 3In de buurt van Ekbatana kwam hem ter ore wat er met Nikanor, Timoteüs en hun manschappen gebeurd was. 4Buiten zichzelf van woede nam hij zich voor om ook de smaad die hem persoonlijk was aangedaan door degenen die hem op de vlucht gejaagd hadden, op de Joden te verhalen. Hij droeg zijn wagenmenner op zo snel mogelijk naar Jeruzalem te rijden, zonder onderweg halt te houden. In zijn overmoed kondigde hij aan dat hij meteen bij aankomst in Jeruzalem de stad zou veranderen in één Joods massagraf. Maar het hemelse oordeel was al over hem geveld. 5De alziende Heer, de God van Israël, trof hem met een ongeneeslijke en onzichtbare ziekte: Antiochus was nog niet uitgesproken, of hij werd overvallen door een stekende pijn in zijn buik en vlijmende inwendige krampen. 6Dat was een passende straf voor iemand die de ingewanden van talloze anderen met ongehoorde kwellingen had gefolterd. 7Toch liet hij zijn hoogmoed niet varen, integendeel, hij volhardde in zijn arrogantie. Razend van woede op de Joden maande hij zijn wagenmenner tot nog grotere spoed. Maar door de grote vaart werd Antiochus van de wagen geslingerd en hij kwam zo ongelukkig terecht dat al zijn ledematen op afschuwelijke wijze werden ontwricht. 8
9:8
Job 38:8-11
Ps. 65:7-8
Jes. 40:12
51:15
2 Mak. 5:21
Zo werd hij, die zojuist in zijn hoogmoedswaan nog meende dat hij de golven van de zee kon bedwingen en de bergen op een weegschaal kon wegen, ter aarde geworpen. Hij moest op een draagbaar worden gelegd, en iedereen kon zien wat de macht van God had aangericht: 9
9:9
Sir. 7:17
Hand. 12:23
uit de oogkassen9:9 uit de oogkassen – Andere handschriften lezen: ‘uit het lichaam’. van de schurk kropen wormen, zijn vlees viel van zijn botten terwijl hij nog leefde en hevige pijnen leed, en de stank van zijn ontbindende lichaam teisterde het hele leger. 10En vanwege deze ondraaglijke stank was niemand in staat om hem, die kort tevoren nog meende dat hij de sterren van de hemel kon plukken, te vervoeren.

11Eindelijk legde hij nu zijn onmetelijke hoogmoed af. Gebroken door de goddelijke gesel en gemarteld door niet aflatende pijnen kwam hij tot inzicht. 12Onpasselijk van de stank die hij zelf verspreidde zei hij: ‘Een sterfelijk mens moet zich aan God onderwerpen en zich niet zijn gelijke wanen.’ 13Ook beloofde de verdorven schurk aan de Heer – die echter geen medelijden meer met hem zou tonen – 14dat hij de heilige stad, waarheen hij in grote haast onderweg was geweest om haar met de grond gelijk te maken en in een massagraf te veranderen, vrij zou verklaren. 15Hij zou de Joden, over wie hij eerder had gezegd dat ze geen graf waardig waren maar met hun kinderen aan de vogels en de wilde dieren ten prooi zouden worden gelaten, voortaan even hoog achten als de Atheners. 16Hij zou de heilige tempel, die hij eerder had leeggeroofd, met wijgeschenken versieren, het tempelgerei in veelvoud teruggeven en de vaste kosten voor de offers uit eigen middelen betalen. 17En bovendien zou hij zelf Jood worden en overal waar mensen woonden gaan vertellen hoe groot de macht van God is.

18Toen de pijnen desondanks niet minder werden – God had hem immers rechtvaardig gestraft –, begon hij aan zijn toestand te wanhopen en schreef hij de Joden de nu volgende brief, die in de vorm van een smeekschrift was gesteld. De inhoud luidde aldus:

19‘Koning en veldheer Antiochus groet de Joden, zijn toegewijde burgers, en wenst hun veel voorspoed, gezondheid en vreugde. 20Wanneer u en uw kinderen in goede gezondheid verkeren en uw zaken naar wens gaan, breng ik God daarvoor mijn innige dank, want ik heb mijn hoop op de hemel gevestigd. 21Ik lig nu ziek te bed, en ik denk vol liefde terug aan de eer en welwillendheid die u mij hebt betoond. Omdat ik op mijn terugtocht uit Perzië door een ernstige ziekte ben getroffen, maak ik me zorgen om de veiligheid van mijn onderdanen. 22Hoewel ik de moed niet heb opgegeven en nog altijd hoop heb op herstel, 23wil ik het goede voorbeeld van mijn vader volgen. Die wees telkens als hij een veldtocht naar de landen ten oosten van de Eufraat ondernam een opvolger aan, 24zodat degenen die in het vaderland achterbleven zich niet ongerust hoefden te maken wanneer hem onverwachts iets overkwam of wanneer ze anderszins ongunstig bericht ontvingen. Het was dan immers bekend aan wie hij het landsbestuur had overgedragen. 25Bovendien is het mij niet ontgaan dat de vorsten van de ons omringende landen en de naaste buren van ons koninkrijk gespannen de loop van de gebeurtenissen afwachten en zullen toeslaan zodra zij hun kans schoon zien. Daarom heb ik mijn zoon Antiochus als koning aangewezen. Bij de meesten van u heb ik hem al vaker, wanneer ik overhaast naar de oostelijke provincies moest vertrekken, van harte aanbevolen. Ik heb hem een brief geschreven, waarvan ik de inhoud hieronder laat volgen. 26Ik verzoek u dringend de weldaden die ik u allen en ieder van u afzonderlijk bewezen heb, niet te vergeten en mij en mijn zoon goedgezind te blijven. 27Ik ben ervan overtuigd dat hij mijn voorbeeld zal volgen en u mild en menslievend tegemoet zal treden.’

28De moordenaar en godslasteraar Antiochus, die anderen verschrikkelijk had laten lijden, stierf ten slotte zelf ergens in de bergen in een vreemd land een ellendige dood, ten prooi aan de gruwelijkste pijnen. 29Zijn vertrouweling Filippus zorgde ervoor dat het lichaam van de koning werd teruggebracht. Zelf nam hij uit vrees voor Antiochus’ zoon de wijk naar Ptolemeüs Filometor in Egypte.

10

Reiniging van de tempel

101

10:1-8
1 Mak. 4:36-61
Judas Makkabeüs en zijn mannen namen, geleid door de Heer, de tempel en de stad weer in bezit. 2De altaren die door vreemdelingen op het marktplein waren neergezet, haalden ze omver, en ook de heiligdommen die daar waren gebouwd. 3Nadat ze de tempel hadden gereinigd, maakten ze een nieuw altaar. Ze sloegen nieuw vuur en brachten voor het eerst na twee jaar weer offers. Ook brandden ze wierook, verzorgden de lampen en legden weer toonbroden neer. 4Toen dit alles gedaan was, bogen ze diep voorover en smeekten de Heer om hen nooit meer met zulke rampen te overvallen, maar hen, wanneer ze ooit weer zouden zondigen, met mildheid te straffen en niet uit te leveren aan heidense barbaren. 5Op dezelfde dag van dezelfde maand dat deze door vreemdelingen was ontwijd, op 25 kislew, vond de reiniging van de tempel plaats. 6Vol vreugde vierden ze acht dagen lang feest, zoals dat ook voor het Loofhuttenfeest gebruikelijk is, en ze dachten eraan hoe ze nog maar kort geleden het Loofhuttenfeest hadden moeten vieren in holen in de rotsen, als dieren in het wild. 7Ze droegen met loof versierde stokken, groene twijgen en palmtakken en zongen lofliederen op hem die hen in staat had gesteld zijn huis te reinigen. 8Bij algemeen besluit werd bepaald dat het hele Joodse volk voortaan ieder jaar deze dagen zou vieren.

Judas overwint de Idumeeërs

9Hierboven is beschreven hoe de goddeloze Antiochus, ook bekend als Epifanes, de dood vond. 10

10:10
1 Mak. 6:17
Nu zullen we uiteenzetten wat er gebeurde onder zijn zoon Antiochus Eupator, waarbij we ons zullen beperken tot de oorlogen en de daaruit voortvloeiende ellende.

11Nadat Antiochus het koningschap van zijn vader had overgenomen, benoemde hij Lysias, gouverneur-generaal van Cele-Syrië en Fenicië, tot regent.

12Een zekere Ptolemeüs Makron was de eerste die zich het lot van de Joden aantrok en na al het hun aangedane onrecht een vreedzame oplossing probeerde te vinden. 13Om die reden werd hij door de vertrouwelingen van Eupator bij de koning aangeklaagd. Bovendien werd hij bij elke gelegenheid voor verrader uitgemaakt, omdat hij indertijd Cyprus, dat hem door Filometor was toevertrouwd, verlaten had en was overgelopen naar Antiochus Epifanes. Omdat het hem onmogelijk werd gemaakt zijn ambt waardig te bekleden, maakte hij een einde aan zijn leven door gif in te nemen.

14Gorgias werd aangesteld als bevelhebber in Idumea. Hij had een huurleger in dienst en greep iedere gelegenheid aan om oorlog te voeren tegen de Joden. 15

10:15-23
1 Mak. 5:1-8
Tegelijkertijd maakten ook de Idumeeërs zelf, die beschikten over gunstig gelegen vestingen, het de Joden lastig. Ze boden de vluchtelingen uit Jeruzalem onderdak en stelden alles in het werk om de oorlog te laten voortduren. 16Maar de manschappen van de Makkabeeër vroegen God in een smeekgebed of hij zich aan hun zijde wilde scharen en trokken op tegen de Idumese vestingen. 17In een krachtige aanval slaagden ze erin de vestingen te bezetten, alle verdedigers terug te slaan en iedereen die hun in handen viel af te slachten: ze doodden ruim twintigduizend man. 18Toch wisten niet minder dan negenduizend Idumeeërs, voorzien van alles wat nodig was om een beleg te doorstaan, zich te verschansen in twee bijzonder sterke torens. 19De Makkabeeër liet Simon, Josefus en Zacheüs achter met voldoende manschappen om deze torens te belegeren en trok zelf verder naar andere plaatsen, waar zijn aanwezigheid dringender vereist was. 20Maar de mannen van Simon waren zo belust op geld, dat ze een aantal Idumeeërs lieten gaan toen die hun een som van zeventigduizend drachmen aanboden. 21Toen dit de Makkabeeër ter ore kwam, riep hij zijn bevelhebbers bij zich en beschuldigde hen ervan dat ze hun eigen broeders hadden verkocht, want nu ze hun vijanden hadden laten gaan, zouden dezen zich weer tegen hen keren. 22Hij liet de verraders ter dood brengen en nam daarna onmiddellijk de beide torens in. 23Judas, die als veldheer slaagde in alles wat hij ondernam, liet in die vestingen meer dan twintigduizend mensen ombrengen.

Judas verslaat Timoteüs

24Timoteüs, die bij een eerdere gelegenheid door de Joden was verslagen, bracht een groot huurleger op de been en mobiliseerde de enorme ruiterij van Asia. Daarmee trok hij op tegen Judea, met de bedoeling dit gewapenderhand in te nemen. 25Bij zijn nadering wendden de mannen van de Makkabeeër zich in een smeekgebed tot God. Met stof op hun hoofd en gehuld in een boetekleed 26

10:26
Ex. 23:22
vielen ze voor het voetstuk van het altaar neer en vroegen God om medelijden met hen te hebben en, zoals de wet het zegt, voor hun vijanden een vijand te zijn en een tegenstander voor hun tegenstanders. 27Zodra ze dit gebed hadden uitgesproken, namen ze de wapens op en begaven ze zich een eind buiten de stad. Toen ze de vijand dicht genoeg genaderd waren, hielden ze halt. 28Meteen na zonsopgang werd de aanval van beide kanten geopend. Maar waar de ene partij niet alleen door haar moed verzekerd was van de goede afloop en de overwinning, maar ook door het vertrouwen dat ze in de Heer had gesteld, kon de andere partij zich slechts laten leiden door haar strijdlust. 29In het heetst van de strijd zagen de tegenstanders aan de hemel vijf schitterende ruiters op paarden met gouden teugels verschijnen, die zich aan het hoofd stelden van de Joodse troepen. 30Twee van hen namen10:30 Twee van hen namen – Andere handschriften lezen: ‘Zij namen’. de Makkabeeër tussen zich in, beschermden hem met hun eigen wapenrusting en maakten hem op die manier onkwetsbaar. De tegenstanders werden door hen bestookt met pijlen en bliksems, waardoor ze verblind raakten en volslagen in paniek op de vlucht sloegen. 31Twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zeshonderd ruiters werden gedood.

32

10:32-38
1 Mak. 13:43-48
Timoteüs zelf ontkwam naar de vestingstad Gezer, een bijzonder sterke burcht die onder bevel stond van Chereas. 33De mannen van de Makkabeeër belegerden vol enthousiasme vier dagen lang de burcht. 34Degenen die binnen zaten hadden zo veel vertrouwen in de sterkte van de vesting dat ze God lasterden en goddeloze taal uitsloegen. 35Bij het aanbreken van de vijfde dag waren twintig jongemannen uit de groep van de Makkabeeër door die godslasteringen zo tot het uiterste getergd dat ze blind van woede onverschrokken de muren bestormden en iedereen doodden die hun in handen kwam. 36Anderen maakten een omtrekkende beweging naar de achterkant van de vesting, legden vuren aan en staken de torens in brand, zodat de godslasteraars binnen levend verbrandden. Weer anderen ramden de poorten, zodat de rest van het leger de stad kon binnendringen en innemen. 37Timoteüs, die zich in een put had verborgen, werd gedood, evenals zijn broers Chereas en Apollofanes. 38Toen dit alles achter de rug was, loofden ze de Heer met liederen en lofprijzingen vanwege de grote weldaad die hij Israël had bewezen door hun de overwinning te schenken.

11

Judas verslaat Lysias en dwingt vrede af

111

11:1-12
1 Mak. 4:26-35
11:1
1 Mak. 3:32
Lysias, de bloedverwant van de koning die als diens voogd belast was met het bestuur over het rijk, was zeer ontstemd over deze gebeurtenissen. 2In heel korte tijd mobiliseerde hij een leger van ongeveer tachtigduizend man en de voltallige ruiterij, en trok daarmee op tegen de Joden met de bedoeling van Jeruzalem een woonplaats te maken die voor Grieken geschikt zou zijn. 3Hij wilde de tempel belastingplichtig maken, net als de tempels van de andere volken, en het ambt van hogepriester jaarlijks verkopen aan de meestbiedende. 4Hij had het volste vertrouwen in zijn tienduizenden soldaten, zijn duizenden ruiters en zijn tachtig olifanten, en hield geen enkele rekening met de macht van God.

5Nadat hij Judea was binnengevallen trok hij op tot Bet-Sur, een versterkte stad op ongeveer vijf schoinos afstand van Jeruzalem, en sloeg het beleg rond de stad. 6Toen de mannen van de Makkabeeër hoorden dat Lysias hun vestingen belegerde, vroegen ze samen met heel het volk onder zuchten en tranen aan de Heer of hij een goede engel wilde sturen om Israël te redden. 7De Makkabeeër nam als eerste de wapens op en spoorde de anderen aan om samen met hem het gevaar te trotseren en hun volksgenoten hulp te bieden. Eensgezind en vol geestdrift rukten ze uit. 8Niet ver van Jeruzalem verscheen hun een in het wit geklede ruiter, die zich zwaaiend met zijn gouden wapens aan het hoofd van hun troepen stelde. 9Meteen dankten allen de barmhartige God en vatten ze zo veel moed dat ze bereid waren om niet alleen mensen, maar zelfs de wildste dieren en ijzeren muren aan te vallen. 10In het besef dat God zich over hen had ontfermd en hun een hemelse medestrijder had gezonden, rukten ze in slagorde op 11en stortten zich als leeuwen op hun vijanden. Ze doodden elfduizend man voetvolk en zestienhonderd ruiters, en joegen de rest van het leger op de vlucht. 12Van degenen die ontkwamen, waren de meesten gewond en van hun wapenrusting beroofd.

Lysias zelf had zich het vege lijf gered, en zo zijn eer verspeeld. 13

11:13
1 Mak. 6:57-59
Maar hij was geen onverstandig man, en toen hij bij zichzelf naging hoe het kwam dat hij zo’n nederlaag had moeten lijden, kwam hij tot de conclusie dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren omdat de machtige God aan hun zijde streed. Daarom liet hij hun een bericht overbrengen 14waarin hij hun voorstelde om op alleszins redelijke voorwaarden tot een vergelijk te komen, en beloofde dat hij er bij de koning op zou aandringen om hen voortaan vriendschappelijk te bejegenen. 15Lysias’ voorstellen leken de Makkabeeër gunstig en daarom stemde hij er volledig mee in. En alle verzoeken die Judas met betrekking tot de Joden in zijn brieven aan Lysias voorlegde, werden inderdaad door de koning ingewilligd.

16De brief van Lysias aan de Joden luidde als volgt:

‘Lysias groet het Joodse volk. 17Uw gezanten Johannes en Absalom hebben mij het hieronder weergegeven document overhandigd en uitsluitsel gevraagd over de zaken die daarin aan de orde zijn gesteld. 18Ik heb alles wat aan de koning zelf moest worden voorgelegd aan hem overgebracht, en hij heeft voor zover mogelijk met alles ingestemd. 19Als u de belangen van het koninkrijk toegewijd blijft, zal ik ook in de toekomst proberen uw welzijn te bevorderen. 20Verdere bijzonderheden hieromtrent zullen door uw en mijn gezanten bij u ter sprake worden gebracht. 21Het ga u goed. 24 dioskorintios 148.’

22De brief van de koning luidde aldus:

‘Koning Antiochus groet zijn broeder Lysias. 23Nu onze vader bij de goden is opgenomen, is het onze wens dat de onderdanen van ons koninkrijk zonder inmenging hun eigen aangelegenheden regelen. 24

11:24
1 Mak. 6:59
Wij hebben vernomen dat de Joden zich niet willen voegen naar de Griekse gewoonten die onze vader hun heeft opgelegd, maar hun eigen levenswijze willen blijven volgen en daarom toestemming vragen om hun traditionele gebruiken te handhaven. 25Omdat wij willen dat ook dit volk zonder inmenging zijn eigen leven kan leiden, besluiten we dat de tempel aan hen moet worden teruggegeven en dat zij hun leven mogen inrichten naar de wijze van hun voorouders. 26Wees zo vriendelijk hen van ons besluit op de hoogte te stellen en het formeel te bekrachtigen, zodat zij zich weer vol vreugde en goede moed aan hun eigen aangelegenheden kunnen wijden.’

27De brief van de koning aan het volk luidde als volgt:

‘Koning Antiochus groet de raad van oudsten en heel het Joodse volk. 28Indien het u goed gaat, is dat overeenkomstig onze wensen. Ook wijzelf verkeren in goede gezondheid. 29Menelaüs heeft ons in kennis gesteld van uw verlangen u weer aan uw eigen aangelegenheden te wijden. 30Welnu, zij die voor 30 xantikus naar huis terugkeren, kunnen verzekerd zijn van amnestie. 31De Joden zullen weer als vroeger hun eigen spijswetten en andere voorschriften mogen naleven en niemand van hen zal op enigerlei wijze worden lastiggevallen over wat voorheen in onwetendheid misdreven is. 32Tegelijk met deze brief stuur ik Menelaüs naar u toe om u gerust te stellen. 33Het ga u goed. 15 xantikus 148.’

34Ook de Romeinen stuurden een brief aan de Joden, met de volgende inhoud:

‘Quintus Memmius en Titus Manius, Romeinse gezanten, groeten het Joodse volk. 35Wat Lysias, de verwant van de koning, u heeft toegestaan, daarmee gaan ook wij akkoord. 36En wat betreft de zaken waarover hij oordeelde dat ze aan de koning moesten worden voorgelegd: beraad u daarover, en stel ons zo snel mogelijk van uw mening in kennis, want wij gaan binnenkort naar Antiochië en kunnen dan uw zaak bepleiten. 37Stuur dus zo spoedig mogelijk een aantal mensen naar ons toe om ons van uw mening op de hoogte te stellen. 38Het ga u wel. 15 xantikus 148.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]