Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Atalja, koningin van Juda

111

11:1-20
2 Kron. 22:10-23:21
Toen Atalja, de moeder van Achazja, hoorde dat haar zoon dood was, besloot ze alle kinderen van de koninklijke familie ter dood te brengen. 2Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram en de zuster van Achazja, haalde een van Achazja’s zonen, Joas, heimelijk weg uit de groep koningskinderen die gedood zouden worden en verstopte hem met zijn voedster in de linnenkamer. Ze wisten hem voor Atalja verborgen te houden, en zo ontsnapte hij aan de dood. 3Zes jaar zat hij bij zijn tante in de tempel van de HEER verborgen, terwijl Atalja het land regeerde.

4In het zevende regeringsjaar van Atalja riep Jojada, die toen hogepriester was, de bevelhebbers van de Kariërs en van de koninklijke garde bij zich in de tempel van de HEER. Daar sloot hij een verbond met hen en liet hij hen trouw zweren. Vervolgens stelde hij de koningszoon aan hen voor. 5Daarna droeg hij hun het volgende op: ‘Dit is wat u moet doen: Splits de eenheid die deze week dienst heeft in drie groepen. Laat de eerste groep de wacht betrekken bij het koninklijk paleis, 6de tweede in de Surpoort en de derde in de poort achter het verblijf van de koninklijke garde, zodat u het paleis van alle kanten in de gaten kunt houden. 7De twee eenheden die deze week geen dienst hebben, moeten de wacht houden bij de tempel en de koning beschermen. 8Laat allen hun wapens in de aanslag houden en vorm een hecht kordon rond de koning. Verlies hem geen moment uit het oog en dood ieder die het kordon probeert te doorbreken.’ 9De bevelhebbers deden precies wat de hogepriester Jojada had bevolen. Allen meldden zich met hun eenheid van honderd man bij Jojada, zowel degenen die die week dienst hadden als degenen die die week vrij waren van dienst. 10Jojada gaf de bevelhebbers de speren en schilden uit de tempel van de HEER, die nog van koning David waren geweest. 11De leden van de garde stelden zich, allen met hun wapen in de aanslag, voor de tempel op, over de volle breedte van het plein en vanaf de ingang van de tempel tot aan het altaar, om de koning te beschermen. 12Toen leidde de hogepriester de koningszoon naar buiten, zette hem de hoofdband op en overhandigde hem de kroningsakte. Zo werd hij tot koning uitgeroepen en gezalfd, terwijl alle aanwezigen in hun handen klapten en riepen: ‘Leve de koning!’ 13Toen Atalja de koninklijke garde en het volk hoorde juichen, begaf zij zich in de menigte die zich voor de tempel verzameld had. 14Daar zag ze de koning, die zich volgens het gebruik op het podium had opgesteld, met de bevelhebbers en de trompetblazers naast zich. De hele bevolking was in feeststemming en men blies op de trompetten, maar Atalja scheurde haar kleren en riep: ‘Verraad! Verraad!’ 15De hogepriester Jojada droeg de bevelhebbers, de aanvoerders van het leger, op: ‘Leid haar onder bewaking weg; wie haar volgt, moet gedood worden.’ Hij zei er uitdrukkelijk bij dat ze niet op het tempelterrein mocht worden gedood. 16Atalja werd weggeleid en door de Paardenpoort naar het paleis gevoerd, waar ze ter dood werd gebracht.

17Jojada bekrachtigde het verbond tussen de HEER en de koning en het volk, zodat zij de HEER weer zouden toebehoren, en ook het verbond tussen de koning en het volk. 18De mensen, die uit heel Juda waren toegestroomd, haalden de tempel van Baäl omver en verbrijzelden de altaren en beelden die voor hem waren opgericht. De Baälspriester Mattan werd voor de altaren ter dood gebracht. Nadat Jojada wachters had aangewezen om de tempel van de HEER te bewaken, 19begeleidde hij de koning met de bevelhebbers, de Kariërs, de koninklijke garde en heel het volk van de tempel via de Gardepoort naar het paleis, waar hij hem liet plaatsnemen op de koningstroon. 20Heel het volk was verheugd, en hoewel Atalja in het koninklijk paleis ter dood gebracht was, bleef het rustig in de stad.

12

Joas, koning van Juda

121

12:1-22
2 Kron. 24:1-27
Joas12:1-22 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 11:21-12:21. was zeven jaar oud toen hij koning werd, 2in het zevende regeringsjaar van Jehu. Veertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja en was afkomstig uit Berseba. 3Zijn leven lang deed Joas wat goed is in de ogen van de HEER, zoals de hogepriester Jojada hem geleerd had. 4Toch bleven de offerplaatsen bestaan, en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

5-6

12:5-6
Ex. 30:11-16
Joas droeg de priesters het volgende op: ‘De priesters mogen al het zilver dat als wijgeschenk voor de tempel van de HEER wordt afgedragen voor zichzelf houden, ieder wat hij persoonlijk ontvangt. Dat geldt niet alleen het zilver dat moet worden betaald wanneer men bij een volkstelling wordt geregistreerd en het zilver dat volgens tarief moet worden betaald om iemand vrij te kopen, maar ook al het zilver dat vrijwillig aan de tempel van de HEER wordt afgestaan. Zij moeten er dan wel voor zorgen dat de tempel van de HEER overal waar dat nodig is hersteld wordt.’ 7Maar in Joas’ drieëntwintigste regeringsjaar waren de priesters nog steeds niet aan het herstel van de tempel begonnen. 8Daarom liet de koning de hogepriester Jojada en de andere priesters bij zich komen en vroeg: ‘Waarom doet u niets om de tempel te herstellen? Voortaan mag u het zilver dat ieder van u ontvangt niet meer voor uzelf houden, maar moet u het direct afdragen voor het herstel van de tempel.’ 9De priesters stemden ermee in dat ze geen zilver van het volk meer zouden aannemen, maar dan ook geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor het herstel van de tempel.

10De hogepriester Jojada nam een kist, boorde een gat in het deksel en zette de kist bij het altaar, rechts bij de ingang van de tempel. Daarin deden de priesters die de ingang bewaakten al het zilver dat voor de tempel van de HEER werd afgedragen. 11Wanneer ze zagen dat er veel zilver in de kist lag, lieten ze de hofschrijver en de hogepriester komen om het zilver dat zich in de tempel bevond in zakjes over te doen en die te tellen. 12-13Het zilver werd in afgewogen hoeveelheden overhandigd aan de bouwmeesters die met het herstel van de tempel waren belast. De bouwmeesters betaalden de timmerlieden, metselaars, steenhouwers en andere werklieden die aan de tempel werkten, zodat zij balken en gehouwen steen konden aanschaffen om de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, en bekostigden ook verder alles wat er voor de herstelwerkzaamheden nodig was. 14Het zilver dat voor de tempel van de HEER werd afgedragen werd niet gebruikt om zilveren schotels, messen, offerschalen, trompetten of andere zilveren of gouden voorwerpen aan te schaffen; 15alles werd aan de bouwmeesters gegeven om er de herstelwerkzaamheden mee te bekostigen. 16De bouwmeesters die het zilver aan de werklieden moesten overhandigen hoefden geen rekening over te leggen, want zij waren door en door betrouwbaar. 17

12:17
Lev. 7:7
Zilver voor hersteloffers en reinigingsoffers werd niet voor de tempel van de HEER bestemd; dat bleef voor de priesters.

18

12:18
2 Kon. 8:12-13
In die tijd rukte koning Hazaël van Aram op tegen Gat. Hij belegerde de stad en nam haar in. Vervolgens nam hij zich voor tegen Jeruzalem op te trekken. 19Koning Joas van Juda verzamelde alle wijgeschenken die zijn voorouders Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, aan de tempel hadden geschonken, en ook zijn eigen wijgeschenken en de rest van het goud dat zich in de schatkamers van de tempel en het paleis bevond. Dat alles stuurde hij naar koning Hazaël van Aram, die daarop van zijn veldtocht tegen Jeruzalem afzag.

20Verdere bijzonderheden over Joas zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 21Zijn hovelingen kwamen in opstand en zwoeren tegen hem samen. Ze doodden hem in Bet-Millo, aan de weg naar Silla. 22Hij werd vermoord door zijn dienaren Jozachar,12:22 Jozachar – Voorgestelde lezing. MT: ‘Jozabad’. de zoon van Simat, en Jozabad, de zoon van Somer. Na zijn dood werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Amasja volgde hem op.

13

Joachaz, koning van Israël

131Joachaz, de zoon van Jehu, werd koning van Israël in het drieëntwintigste regeringsjaar van koning Joas van Juda, de zoon van Achazja. Zeventien jaar regeerde hij in Samaria. 2Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij volgde het slechte voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, en brak niet met diens zondige praktijken. 3Daarom werd de HEER woedend op de Israëlieten en leverde hij hen gedurende die hele periode over aan koning Hazaël van Aram en diens zoon Benhadad. 4

13:4
2 Kon. 14:26-27
Joachaz probeerde de HEER mild te stemmen en de HEER gaf hem gehoor, want hij had gezien hoe Israël te lijden had onder de onderdrukking door de koning van Aram. 5Hij stuurde iemand om de Israëlieten te bevrijden. Toen zij het Aramese juk hadden afgeworpen, konden ze hun gewone leven weer opvatten. 6Toch braken ze niet met de zondige praktijken van het huis van Jerobeam, die hen tot zonde had aangezet, maar volhardden erin. Zelfs de Asjerapaal in Samaria lieten ze staan. 7Van het leger van Joachaz was niets meer over, alleen nog vijftig wagenmenners, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk. De koning van Aram had vernietigend toegeslagen en het leger van Israël totaal onder de voet gelopen.

8Verdere bijzonderheden over Joachaz en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 9Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Joas volgde hem op.

Joas, koning van Israël; de dood van Elisa

10Joas, de zoon van Joachaz, werd koning van Israël in het zevenendertigste regeringsjaar van koning Joas van Juda. Zestien jaar regeerde hij in Samaria. 11Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, maar volhardde erin. 12

13:12
2 Kon. 14:8-16
Verdere bijzonderheden over Joas en over de overwinning die hij behaalde in de oorlog tegen koning Amasja van Juda, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 13Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde Jerobeam hem op. Joas werd begraven in Samaria, bij de koningen van Israël.

14

13:14
2 Kon. 2:12
Toen Elisa ziek was geworden en op sterven lag, zocht koning Joas van Israël hem op. Huilend riep hij uit: ‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ 15Elisa zei tegen de koning: ‘Haal een boog en pijlen.’ Toen Joas dat gedaan had, 16zei Elisa: ‘Span de boog.’ Joas spande de boog, en Elisa legde zijn handen over de handen van de koning heen 17en zei: ‘Open het venster dat uitziet naar het oosten.’ Joas opende het venster, en Elisa zei: ‘Schiet!’ De koning schoot een pijl af, en Elisa zei: ‘Deze pijl is een overwinningsteken van de HEER. Deze pijl betekent de overwinning op Aram. Bij Afek zult u Aram vernietigend verslaan.’ 18Daarna zei Elisa: ‘Pak uw pijlen.’ Joas nam de pijlen in zijn hand en Elisa zei tegen de koning: ‘Sla met de pijlen op de grond.’ Joas sloeg driemaal met de pijlen op de grond, niet vaker. 19Toen riep de godsman woedend uit: ‘Had maar vijf of zes keer geslagen! Dan zou u Aram vernietigend verslagen hebben. Nu zult u Aram maar drie keer een nederlaag toebrengen.’

20Elisa stierf en werd begraven. Het was het seizoen waarin elk jaar weer Moabitische benden het land binnenvielen. 21Toen de plunderaars eraan kwamen, werd er juist iemand begraven. Snel wierpen ze de dode in Elisa’s graf. Zodra hij in het graf in aanraking kwam met het gebeente van Elisa, kwam de dode weer tot leven en stond hij op.

22Koning Hazaël van Aram had Israël gedurende de hele regeringsperiode van Joachaz onderdrukt. 23Maar de HEER was de Israëlieten genadig. Hij kreeg medelijden met hen en was met hen begaan vanwege het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob gesloten had. Hij wilde de Israëlieten niet uitroeien en verstootte hen niet, zoals hij dat tot op de dag van vandaag niet heeft gedaan. 24Toen koning Hazaël van Aram stierf, volgde zijn zoon Benhadad hem op. 25

13:25
2 Kon. 13:19
Joas, de zoon van Joachaz, heroverde op Benhadad, de zoon van Hazaël, de steden die de vader van Benhadad in de oorlog op Joachaz veroverd had. Driemaal bracht hij hem een nederlaag toe en hij heroverde de steden voor Israël.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]