Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
Hand. 16:1-3
18:1
Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, en van onze broeder Timoteüs. Aan de gemeente van God in Korinte en aan alle heiligen in heel Achaje. 2Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

3

1:3
Ef. 1:3
1 Petr. 1:3
Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost 4en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. 5Zoals wij volop delen in het lijden van Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door Christus geeft. 6Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. 7De hoop die wij voor u hebben is gegrond: we weten dat zoals u deelt in ons lijden, u ook deelt in de troost die ons gegeven wordt.

8

1:8-9
Hand. 20:18-21
1:8
1 Kor. 15:32
U moet weten, broeders en zusters, dat de tegenspoed die we in Asia hebben moeten doorstaan, uitzonderlijk groot was. We hadden het zwaar te verduren, zo zwaar dat het onze krachten te boven ging. We vreesden ernstig voor ons leven, 9
1:9
Rom. 4:17
we waren er zelfs zeker van dat het doodvonnis al over ons was uitgesproken. Maar juist dat liet ons beseffen dat we niet op onszelf moeten vertrouwen, maar alleen op de God die de doden opwekt, 10die ons heeft gered en ons opnieuw zal redden uit eenzelfde doodsgevaar. Op hem hebben we onze hoop gevestigd: hij zal ons altijd redden. 11
1:11
2 Kor. 4:15
Filip. 1:19
En ook u bent ons tot steun door voor ons te bidden. Zo klinkt uit talloze monden de dankzegging voor de gunst die hij ons bewezen heeft.

Gewijzigde reisplannen

12Hierop kunnen wij ons laten voorstaan: ons geweten kan getuigen dat we ons overal in deze wereld, en vooral bij u, hebben laten leiden door de oprechtheid en zuiverheid die God van ons verlangt, dat we niet werden geleid door de wijsheid van deze wereld, maar door Gods genade. 13Wat u in onze brieven leest en eruit begrijpt, hebben we ook precies zo bedoeld. Ik hoop dat u eens ten volle zult begrijpen 14

1:14
Filip. 2:16
1 Tes. 2:19-20
wat u al gedeeltelijk begrepen hebt, namelijk dat u op de dag van onze Heer Jezus trots op ons kunt zijn, zoals wij op u.

15Ik had wat dit betreft alle vertrouwen in u en had u daarom graag niet eenmaal, maar tweemaal met een bezoek verblijd. 16

1:16
Hand. 19:21
1 Kor. 16:5
Het was mijn bedoeling via u naar Macedonië te reizen en vanuit Macedonië weer naar u terug te gaan, om vervolgens door u op weg te worden geholpen naar Judea. 17
1:17-19
Mat. 5:37
Was dit inderdaad een lichtvaardig voornemen? Komen al mijn plannen werkelijk voort uit wispelturigheid, zodat ik het ene moment ja zeg en het andere moment nee? 18Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee. 19
1:19
Hand. 18:5
De Zoon van God, Jezus Christus, die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan u verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. 20In hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door hem dat we amen zeggen, tot Gods eer. 21
1:21
1 Joh. 2:27
Het is God die u en ons Christus als fundament geeft, die ons allen heeft gezalfd, 22
1:22
2 Kor. 5:5
Ef. 1:13
heeft gewaarmerkt als zijn eigendom en ons als voorschot de Geest gegeven heeft.

23

1:23
Rom. 1:9
2 Kor. 13:2
Ik roep God op als mijn getuige, ik zweer bij mijn leven dat ik van een tweede bezoek aan Korinte heb afgezien om u te sparen. 24Ik bedoel dit: wij willen niet over uw geloof heersen, maar juist bijdragen aan uw vreugde. U hebt tenslotte een vast geloof.

2

21

2:1
2 Kor. 12:21
Ik had mezelf dus voorgenomen u niet opnieuw zo’n verdrietig bezoek te brengen. 2Want als ik u verdriet doe, wie moet mij dan blij maken? Toch alleen u – en u zou nu juist verdriet door mij hebben. 3Dat is ook precies wat ik u geschreven heb: ik wilde niet dat ik bij mijn bezoek verdriet van u zou hebben, terwijl u mij juist blij had moeten maken. En ik had er alle vertrouwen in dat u allen in mijn vreugde zou delen. 4Toen ik u schreef was ik terneergeslagen en bedrukt en stonden de tranen in mijn ogen. Ik wilde u geen pijn doen, maar u laten weten hoezeer ik u liefheb.

5Als er iemand is die mij verdriet heeft gedaan, dan heeft hij niet alleen mij verdriet gedaan maar tot op zekere hoogte – laat ik niet overdrijven – u allen. 6De straf die hem door de meerderheid van u is opgelegd, is zwaar genoeg geweest; 7

2:7
Kol. 3:13
u kunt hem nu maar beter vergeven en bemoedigen, anders verliest hij nog alle hoop. 8Daarom roep ik u op hem weer in liefde te aanvaarden. 9Ik heb u ook geschreven omdat ik te weten wilde komen of u mij werkelijk in alles gehoorzaamt. 10Als u hem vergeeft, doe ik het ook. En als ik hem iets te vergeven heb, doe ik het omwille van u, ten overstaan van Christus. 11
2:11
Ef. 4:27
We moeten er namelijk voor oppassen dat Satan ons niet gebruikt; zijn plannen kennen we maar al te goed.

12

2:12-13
2 Kor. 7:5-7
Toen ik in Troas kwam om het evangelie van Christus te verkondigen, gaf de Heer mij daartoe goede mogelijkheden. 13
2:13
Hand. 20:1-2
Maar ik vond geen rust, omdat ik mijn broeder Titus niet aantrof. Daarom nam ik weer afscheid en vertrok naar Macedonië.

Het apostelschap

14God zij gedankt dat hij ons, die één zijn met Christus, in zijn triomftocht meevoert en dat hij overal door ons de kennis over hem verspreidt als een aangename geur. 15Wij zijn de wierook die Christus brandt voor God, zowel onder hen die worden gered als onder hen die verloren gaan. 16Voor de laatsten is het een onaangename geur die tot de dood leidt, voor de eersten een heerlijke geur die leven schenkt. Wie is geschikt voor deze taak? 17Wij zijn niet als zoveel anderen, die aan het woord van God willen verdienen; wij spreken erover in alle oprechtheid, in opdracht van God, ten overstaan van hem en in eenheid met Christus.

3

31

3:1
2 Kor. 5:12
10:12
Beginnen we onszelf weer aan te bevelen? Of hebben we net als sommige anderen aanbevelingsbrieven voor of van u nodig? 2U bent zelf onze aanbevelingsbrief, in ons hart geschreven, maar voor iedereen te zien en te lezen: 3
3:3
Ex. 24:12
31:18
32:15
Deut. 9:10
Spr. 7:3
Jer. 31:33
u bent zelf een brief van Christus, door ons opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift maar in het hart van mensen. 4Dit vertrouwen kunnen wij dankzij Christus tegenover God uitspreken. 5Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken we aan God. 6Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7

3:7
Ex. 34:29-30
Wanneer wat de dood bracht en met letters in steen werd gegrift, al met zo veel luister verscheen dat het volk van Israël niet naar Mozes kon kijken door de stralende glans op zijn gezicht – een glans die verdween –, 8zal dan wat de Geest brengt niet nog groter luister hebben? 9Wanneer wat tot veroordeling leidt al met luister is bekleed, dan is wat tot vrijspraak leidt dat des te meer. 10De luister van toen is niets in vergelijking met de overweldigende luister van nu. 11Wanneer wat verdwijnt al luister bezit, geldt dat des te meer voor wat blijft. 12Dit is onze hoop, en daarom handelen we in alle openheid 13
3:13
Ex. 34:33-35
en zijn we niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte, zodat de Israëlieten niet konden zien dat de glans verdween. 14Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen. 15Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. 16Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. 17Welnu, met de Heer wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. 18
3:18
Ex. 16:10
Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.