Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

71

7:1
Lev. 9:23-24
1 Kron. 21:26
Toen Salomo zijn gebed tot de HEER beëindigd had, daalde er vuur uit de hemel neer, dat het brandoffer en de vredeoffers verteerde. De majesteit van de HEER vulde de tempel. 2
7:2-3
2 Kron. 5:13-14
De priesters konden niet naar binnen gaan, want de tempel was gevuld door de majesteit van de HEER. 3
7:3
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 136:1
Jer. 33:11
Alle Israëlieten zagen het vuur en de majesteit van de HEER op de tempel neerdalen. Ze knielden op het plaveisel neer, bogen diep voorover en loofden de HEER: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’

4Samen met de Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. 5Hij liet tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten slachten om samen met het volk de tempel in te wijden. 6De priesters stonden op hun vaste plaatsen. De Levieten loofden de HEER met het lied ‘Eeuwig duurt zijn trouw’, zoals dat ook onder koning David gebeurde, en begeleidden die lofzang op de instrumenten die David voor dat doel had laten maken. Tegenover hen stonden de priesters die op de trompetten bliezen, en heel het volk van Israël was gaan staan. 7Salomo wijdde het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren.

8Toen vierde Salomo het Loofhuttenfeest, zeven dagen lang, samen met de Israëlieten, die in zeer groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. 9Op de achtste dag hielden ze een feestelijke samenkomst; het inwijdingsfeest van het altaar had zeven dagen geduurd, en daarna vierden ze zeven dagen het Loofhuttenfeest. 10Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde de koning het volk naar huis terug. Allen waren opgewekt en verheugd om het goede dat de HEER voor David, Salomo en zijn volk Israël had gedaan.

Belofte aan Salomo

11

7:11-22
1 Kon. 9:1-9
Toen Salomo het werk aan de tempel van de HEER en het koninklijk paleis voltooid had, en alles wat hij zich omtrent de bouw van de tempel en het paleis had voorgenomen geheel volgens plan was uitgevoerd, 12verscheen de HEER hem in de nacht. Hij zei tegen hem: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze tempel aanvaard als de plaats waar men mij offers mag brengen. 13Wanneer ik de hemel gesloten houd zodat er geen regen valt, of de sprinkhanen beveel het land kaal te vreten, of pest onder mijn volk laat uitbreken, 14en wanneer dan mijn volk, het volk dat mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen. 15Ja, ik zal opmerkzaam zijn en luisteren naar de gebeden die vanaf deze plaats tot mij worden gericht. 16De tempel die je gebouwd hebt aanvaard ik en heilig ik om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal me ontgaan; ik zal alles ter harte nemen. 17En wat jezelf betreft, als je mij toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 18
7:18
1 Kon. 2:4
zal ik ervoor zorgen dat jouw troon nooit wankelt, zoals ik met je vader David overeengekomen ben toen ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen over Israël zou heersen. 19Maar mochten jullie je van mij afwenden en je niet houden aan de bepalingen en geboden die ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren, 20-21dan zal ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat ik hun gegeven heb en wil ik niets meer weten van deze tempel, die ik voor mijn naam heb geheiligd. Deze tempel, ooit hoog verheven, zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot; ieder die er voorbijkomt zal huiveren. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 22zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren, en daarom heeft hij hun al deze rampspoed bezorgd.”’

8

Andere ondernemingen van Salomo

81

8:1-16
1 Kon. 9:10-25
Twintig jaar had Salomo besteed aan de bouw van de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 2De steden die koning Churam hem gegeven had breidde hij uit, zodat daar Israëlieten konden wonen. 3
8:3
1 Kron. 18:3
Hij trok op tegen Hamat-Soba en veroverde het. 4Hij versterkte Tadmor, dat in de woestijn ligt, en de steden die hij in Hamat had laten bouwen om er voorraden op te slaan. 5Van Hoog-Bet-Choron en Laag-Bet-Choron maakte hij vestingsteden met muren en vergrendelbare stadspoorten, 6en hij versterkte ook Baälat en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk.

7-8Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten hen niet hadden uitgeroeid. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 9De Israëlieten zelf, die soldaten waren en bevelhebbers van de garde, de wagenmenners en de ruiterij, waren dus niet verplicht tot herendienst. 10Tweehonderdvijftig van hen stelde Salomo aan als opzichters die de leiding over het werkvolk hadden.

11De dochter van de farao liet hij van de Davidsburcht verhuizen naar de vertrekken die hij voor haar in het paleis had laten bouwen, ‘want,’ zei hij, ‘geen vrouw van mij zal in de burcht van koning David van Israël wonen. De plaatsen waar de ark van de HEER heeft gestaan zijn immers heilig.’

12Toen de tempel eenmaal voltooid was, bracht Salomo brandoffers op het altaar van de HEER dat hij tegenover de voorhal van de tempel had laten maken. 13

8:13
Ex. 23:14-17
Num. 28:1-29:39
Daar bracht hij de offers die Mozes had voorgeschreven voor sabbat, nieuwemaan en de drie grote jaarlijkse feesten: het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. 14
8:14
1 Kron. 23:2-5
Hij stelde het dienstrooster in werking dat zijn vader David had opgesteld voor de afdelingen van de priesters en voor de Levieten die tot taak hadden de lofzang ten gehore te brengen en de priesters bij de eredienst behulpzaam te zijn. Ook de poortwachters voor de verschillende poorten liet hij volgens wachtdienst aantreden, alles overeenkomstig de voorschriften van David, de man van God. 15Alle voorschriften van de koning aangaande de priesters en de Levieten, ook wat betreft het beheer van de tempelschatten, werden stipt opgevolgd. 16Zo werd het werk van koning Salomo volledig uitgevoerd, vanaf de dag van de grondvesting van de tempel van de HEER tot aan zijn uiteindelijke voltooiing.

17

8:17-18
1 Kon. 9:26-28
Daarna ging Salomo naar Esjon-Geber en Elat, aan de kust van Edom. 18Churam stuurde hem onder bevel van zijn gezagvoerders een vloot met een ervaren bemanning, die samen met de zeelieden van Salomo naar Ofir voer, van waar ze vierhonderdvijftig talent goud voor koning Salomo meebrachten.

9

Bezoek van de koningin van Seba

91

9:1-12
1 Kon. 10:1-13
9:1
Mat. 12:42
Luc. 11:31
De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 2En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 3Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 4de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden en schenkers en de plechtige stoet waarin hij zich naar de tempel van de HEER begaf, was ze buiten zichzelf van bewondering. 5Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. 6Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid is nog veel groter dan wordt gezegd. 7Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 8Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat hij u op de troon heeft gezet om in zijn naam koning te zijn. Uw God heeft Israël zo lief dat hij het voor altijd wil doen standhouden. Daarom heeft hij u als koning aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’

9De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Het reukwerk dat de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, was van onovertroffen kwaliteit. 10De zeelieden van Churam en Salomo die het goud uit Ofir hadden meegebracht, voerden ook sandelhout en edelstenen mee. 11Uit het sandelhout liet Salomo trappen maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Nooit eerder was er in Juda zoiets gezien. 12Koning Salomo gaf de koningin van Seba alles waar ze maar om vroeg. Hij gaf haar zelfs meer dan zij voor hem had meegebracht. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug.

Salomo’s rijkdom

13

9:13-28
1 Kon. 10:14-29
Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 14nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten. Ook de Arabische vorsten en de stadhouders van Israël droegen goud en zilver aan Salomo af.

15De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel gedreven goud verwerkt. 16

9:16
1 Kon. 14:26
En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd driehonderd sjekel goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 17Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met zuiver goud. 18Zes treden leidden naar de troon, waaraan ook een gouden voetenbank was bevestigd en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 19en op de zes treden stonden er twaalf, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. 20Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. 21De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die, bemand door zeelieden van Churam, op Tarsis voer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen.

22Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 23Van heinde en ver kwamen koningen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 24En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit.

25

9:25-28
2 Kron. 1:14-17
9:25
1 Kon. 5:6
Salomo beschikte over vierduizend stalplaatsen voor paarden en wagens, en over twaalfduizend wagenmenners. Die waren deels bij de koning in Jeruzalem ondergebracht en deels in garnizoenssteden verspreid over het land.

26

9:26
Gen. 15:18
1 Kon. 5:1
Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. 27
9:27
Deut. 17:17
Pred. 2:4-8
Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 28Paarden werden voor Salomo aangevoerd uit Egypte en verschillende andere landen.

Salomo’s dood

29

9:29-31
1 Kon. 11:41-43
Verdere bijzonderheden over Salomo zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Natan, in de profetie van Achia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. 30Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, 31tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op.