Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
32

Jeruzalem door Sanherib bedreigd

321

32:1-21
2 Kon. 18:13-19:37
Jes. 36:1-37:38
Nadat Jechizkia met deze maatregelen de HEER trouw had bewezen, viel koning Sanherib van Assyrië Juda binnen en belegerde de versterkte steden, ervan overtuigd dat hij ze met geweld zou kunnen innemen. 2Jechizkia begreep dat het in Sanheribs bedoeling lag Jeruzalem aan te vallen, 3en daarom stelde hij aan zijn raadsheren en legeraanvoerders voor om de buiten de stad gelegen bronnen af te dekken. Zij waren het met hem eens 4
32:4
Jes. 22:9-11
en brachten een groot aantal mensen op de been om alle bronnen af te dekken en de irrigatiekanalen af te sluiten, ‘want,’ zeiden ze, ‘waarom zou de koning van Assyrië, als hij met zijn legermacht hier aankomt, een overvloed aan water moeten vinden?’ 5Jechizkia bracht de verdediging op volle sterkte: hij herstelde de zwakke plekken in de stadsmuur, verhoogde de torens, wierp buiten de muur nog een tweede wal op en versterkte het Millobolwerk van de Davidsburcht. Ook liet hij een grote hoeveelheid wapens en schilden maken. 6Hij benoemde legeraanvoerders, en nadat hij het hele leger op het plein bij de stadspoort bijeen had geroepen, sprak hij het als volgt moed in: 7‘Wees vastberaden en standvastig. Laat u door de koning van Assyrië en de grote legermacht die hij bij zich heeft geen angst aanjagen, want wij zijn sterker dan hij: 8hij verlaat zich op menselijke kracht, maar wij worden bijgestaan door de HEER, onze God, die voor ons strijdt.’ Door deze woorden van Jechizkia, koning van Juda, voelde het leger zich gesterkt.

9Kort daarop stuurde koning Sanherib van Assyrië, die op dat moment met heel zijn legermacht Lachis belegerde, afgezanten naar Jeruzalem om aan koning Jechizkia van Juda en alle Judeeërs die zich in de stad bevonden de volgende boodschap over te brengen: 10‘Dit zegt Sanherib, koning van Assyrië: “Waaraan ontleent u het vertrouwen om in het belegerde Jeruzalem te blijven? 11Jechizkia wil u zeker van honger en dorst laten omkomen door u voor te spiegelen dat de HEER, uw God, u uit de greep van de koning van Assyrië zal redden! 12Heeft niet juist hij, Jechizkia, diens offerplaatsen en altaren laten verwijderen? Jechizkia heeft immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd dat ze maar voor één altaar mochten neerknielen en alleen daar hun offers mochten brengen. 13Weet u dan niet wat ik en mijn voorouders hebben gedaan met de volken van de landen die we binnenvielen? Die andere volken zijn toch ook niet door hun goden uit mijn handen gered? 14Als geen enkele god zijn volk uit mijn handen heeft kunnen redden wanneer het eenmaal aan de genade van mijn voorouders was overgeleverd, hoe zou uw God u dan kunnen redden? 15Welnu, laat u door Jechizkia geen rad voor ogen draaien, laat u door hem niets voorspiegelen en hecht geen geloof aan wat hij zegt, want geen enkele god, van om het even welk volk of koninkrijk, is in staat gebleken zijn volk uit handen van mij of mijn voorouders te redden, dus hoe zou uw God u ooit uit mijn handen kunnen redden?”’ 16Dergelijke en nog andere dingen zeiden de afgezanten van Sanherib over God, de HEER, en zijn dienaar Jechizkia. 17Sanherib had ook een brief geschreven waarin hij de HEER, de God van Israël, hoonde door over hem te zeggen: ‘Zoals de goden van andere landen hun volk niet uit mijn handen hebben kunnen redden, zo zal ook de God van Jechizkia zijn volk niet uit mijn handen kunnen redden.’ 18Luidkeels, en in het Judees, bedreigden de afgezanten de inwoners van Jeruzalem, die op de stadsmuur meeluisterden. Ze wilden hun schrik en angst aanjagen om zo de stad gemakkelijker te kunnen veroveren. 19Ze spraken over de God van Jeruzalem in dezelfde bewoordingen als over de goden van de andere volken op aarde, die door mensenhanden zijn gemaakt.

20Vanwege deze dreigementen baden koning Jechizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amos, de hemel om hulp. 21Daarop stuurde de HEER een engel, die alle geoefende krijgers, aanvoerders en bevelhebbers in het kamp van de koning van Assyrië verdelgde. Diep vernederd keerde Sanherib terug naar zijn land. Daar werd hij, toen hij de tempel van zijn god binnenging, door zijn eigen zonen vermoord.

22De HEER redde Jechizkia en de inwoners van Jeruzalem dus uit de handen van Sanherib, de koning van Assyrië. Zo redde hij hen uit de handen van al hun belagers en verschafte hij hun rust aan hun grenzen.32:22 en verschafte hij hun rust aan hun grenzen – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘en leidde hij hen’. 23Velen kwamen naar Jeruzalem om de HEER offergaven te brengen en om koning Jechizkia van Juda, die na deze gebeurtenissen bij de andere volken zeer in aanzien was gestegen, kostbare geschenken aan te bieden.

Het verdere verloop van de regering van Jechizkia

24

32:24-26
2 Kon. 20:1-11
32:24
Jes. 38:1-22
Omstreeks dezelfde tijd werd Jechizkia dodelijk ziek. Hij bad tot de HEER, en deze antwoordde hem en gaf hem een teken. 25Jechizkia was echter zo hoogmoedig geworden dat hij zich niet dankbaar toonde voor de weldaad die hem was bewezen. Zo riep hij Gods toorn over zich af, en ook over heel Juda en Jeruzalem. 26Maar omdat Jechizkia het hoofd boog en zijn trots liet varen, en de inwoners van Jeruzalem met hem, heeft de toorn van de HEER hen niet getroffen zolang Jechizkia leefde.

27

32:27-33
2 Kon. 20:20-21
Jechizkia vergaarde zeer veel rijkdom en roem. Hij liet schatkamers bouwen voor zilver, goud, edelstenen, reukwerk, schilden en allerlei andere kostbare voorwerpen, 28voorraadschuren voor de opbrengst aan graan, wijn en olie, en stallen voor verschillende soorten vee, waarin hij zijn kudden onderbracht. 29Hij bouwde diverse steden en fokte grote aantallen schapen, geiten en runderen. Zo schonk God hem een zeer groot vermogen. 30Het was ook Jechizkia die de bovenste uitmonding van de Gichonbron afsloot en al het water ondergronds kanaliseerde om het aan de westkant van de Davidsburcht op te vangen. Jechizkia slaagde in alles wat hij ondernam. 31
32:31
Jes. 39:1-8
En de keer dat er afgezanten van de vorsten van Babylonië waren gekomen (ze waren gestuurd om navraag te doen naar aanleiding van het teken dat in het land was waargenomen): toen had God hem alleen maar verlaten om hem op de proef te stellen en zo te weten te komen wat er in zijn hart omging.

32Verdere bijzonderheden over Jechizkia en de bewijzen van zijn trouw zijn vastgelegd in de visioenen van de profeet Jesaja, de zoon van Amos, zoals opgetekend in het boek over de koningen van Juda en Israël. 33Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven aan de weg naar de graven van de nakomelingen van David. Heel Juda en Jeruzalem kwamen hem de laatste eer bewijzen. Zijn zoon Manasse volgde hem op.

33

De regering van Manasse

331

33:1-20
2 Kon. 21:1-18
Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd. Vijfenvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. 2
33:2
Jer. 15:4
Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij gaf zich over aan de verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had. 3
33:3
2 Kon. 18:4
Hij herstelde de offerplaatsen die zijn vader Jechizkia had laten slopen, richtte nieuwe altaren op voor de Baäls en maakte nieuwe Asjerapalen. Hij aanbad de hemellichamen en diende die. 4
33:4
1 Kon. 8:29
Hij richtte altaren op in de tempel van de HEER, waarvan de HEER had gezegd: ‘In Jeruzalem zal mijn naam voor altijd wonen,’ 5en plaatste op de beide voorhoven van de tempel altaren voor de hemellichamen. 6
33:6
Deut. 18:10
2 Kon. 17:17
23:10
Hij verbrandde zijn zonen als offer in het Hinnomdal en liet zich in met wolkenschouwerij, wichelarij, magie, geestenbezwering en waarzeggerij. Hij tergde de HEER door voortdurend te doen wat slecht is in zijn ogen. 7Zo liet hij bijvoorbeeld een godenbeeld houwen, dat hij een plaats gaf in de tempel waarvan God tegen David en zijn zoon Salomo had gezegd: ‘In deze tempel, in Jeruzalem, dat ik uit alle steden van Israëls stammen heb uitgekozen, zal ik voor altijd mijn naam laten wonen. 8
33:8
2 Kron. 7:12-18
Ik zal ervoor zorgen dat de Israëlieten nooit meer verjaagd worden uit het land dat ik jullie voorouders heb toegewezen, maar dan moeten zij zich wel houden aan alles wat ik hun heb opgedragen: de wetten, bepalingen en regels die ik hun bij monde van Mozes heb opgelegd.’ 9Maar Manasse verleidde Juda en de inwoners van Jeruzalem om nog meer kwaad te doen dan de volken die de HEER voor hen had uitgeroeid.

10De HEER sprak Manasse en het volk vermanend toe, maar zij schonken geen aandacht aan zijn woorden. 11

33:11
Ezech. 19:9
Toen stuurde de HEER de aanvoerders van de koning van Assyrië met zijn leger op hen af. Zij bedwongen Manasse met haken, boeiden hem met bronzen ketenen en voerden hem mee naar Babel. 12Toen Manasse zo in het nauw gedreven was, probeerde hij de HEER, zijn God, mild te stemmen door zich voor de God van zijn voorouders te verootmoedigen. 13Hij bad tot God, en God liet zich vermurwen en verhoorde zijn smeekbede. Hij liet hem terugkeren naar Jeruzalem en herstelde hem in zijn macht. Toen erkende Manasse dat de HEER God is.

14Na zijn terugkeer bouwde hij een tweede muur om de Davidsburcht, westelijk van de Gichonbron in het dal, om de Ofel heen, tot aan de Vispoort. Hij liet de muur hoog optrekken. In alle vestingsteden van Juda stationeerde hij bevelhebbers. 15

33:15
2 Kron. 14:2
Hij verwijderde de vreemde goden en het gehouwen beeld uit de tempel van de HEER, sloopte alle altaren die hij op de tempelberg en in Jeruzalem had laten oprichten, en gooide alles buiten de stad weg. 16Nadat hij het altaar van de HEER in orde had gebracht, bracht hij er vredeoffers en een dankoffer. Ook droeg hij de Judeeërs op de HEER, de God van Israël, te dienen. 17Toch bleef het volk offers brengen op de offerplaatsen, maar uitsluitend aan de HEER, hun God.

18Verdere bijzonderheden over Manasse, over zijn gebed tot zijn God en de woorden die de zieners in de naam van de HEER, de God van Israël, tot hem richtten, staan in de kronieken van de koningen van Israël. 19Zijn gebed en hoe de HEER zich door hem liet vermurwen, maar ook al zijn zonden en overtredingen, hoe hij voordat hij zich verootmoedigde op allerlei plekken offerplaatsen liet bouwen en Asjerapalen en godenbeelden oprichtte, zijn opgetekend in de geschriften van Chozai. 20Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in zijn paleis. Zijn zoon Amon volgde hem op.

De regering van Amon

21

33:21-25
2 Kon. 21:19-26
Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar regeerde hij in Jeruzalem. 22Net als zijn vader Manasse deed hij wat slecht is in de ogen van de HEER. Hij bracht offers voor alle godenbeelden die zijn vader Manasse had laten maken en diende die. 23Maar hij verootmoedigde zich niet voor de HEER, zoals zijn vader Manasse gedaan had. Integendeel, hij, Amon, laadde nog veel meer schuld op zich. 24Zijn dienaren beraamden een aanslag op hem en vermoordden hem in zijn paleis. 25Maar het volk doodde allen die tegen koning Amon hadden samengezworen en riep zijn zoon Josia tot zijn opvolger uit.

34

De regering van Josia

341

34:1-35:27
2 Kon. 22:1-23:20
Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Eenendertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. 2Hij volgde het voorbeeld van zijn voorvader David en hield zich daaraan: hij deed wat goed is in de ogen van de HEER. 3
34:3
2 Kron. 14:1-4
Vanaf het achtste jaar van zijn regering – hij was toen nog een jongeman – richtte hij zich naar de God van zijn voorvader David. En in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te ontdoen van de offerplaatsen, de Asjerapalen en de gesneden en gegoten beelden. 4
34:4
2 Kron. 33:3
Hij zag er persoonlijk op toe dat de altaren voor de Baäls omver werden gehaald. Hij haalde ook de wierookaltaren die daar bovenop stonden neer, sloeg de Asjerapalen en de godenbeelden aan stukken en verpulverde ze. Het stof strooide hij uit over de graven van degenen die er offers aan hadden gebracht, 5
34:5
1 Kon. 13:2
en de botten van de priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem. 6In de steden van Manasse en Efraïm en van Simeon tot in Naftali liet hij de heiligdommen doorzoeken. 7In heel Israël haalde hij de altaren en de Asjerapalen omver, sloeg hij de beelden aan stukken en verpulverde ze, en haalde hij de wierookaltaren neer. Daarop keerde hij naar Jeruzalem terug.

8In het achttiende jaar van zijn regering, die in het teken stond van de reiniging van het land en de tempel, gaf Josia aan Safan, de zoon van Asaljahu, Maäseja, de stadscommandant, en kanselier Joach, de zoon van Joachaz, de opdracht om de tempel van de HEER, zijn God, te herstellen. 9Zij gingen naar de hogepriester Chilkia voor de overdracht van het zilver dat door het volk van Manasse, Efraïm en de rest van Israël en het volk van Juda en Benjamin en de inwoners van Jeruzalem ten bate van de tempel was afgedragen en door de Levieten die de ingang bewaken in ontvangst was genomen. 10Ze stelden het ter hand aan de bouwmeesters die met het werk aan de tempel belast waren, en die moesten het weer overhandigen aan de mensen die de tempel repareerden en herstelden, 11de handwerkslieden en de bouwers, zodat ze gehouwen steen en zware balken konden aanschaffen om het tempelcomplex, dat door de koningen van Juda was verwaarloosd, van nieuwe dakspanten te voorzien. 12De mannen deden hun werk nauwgezet. Ze stonden onder leiding van Jachat en Obadja, Levieten uit de familie van Merari, en Zecharja en Mesullam uit de familie van Kehat. Andere Levieten, allen zeer bedreven in het bespelen van muziekinstrumenten, 13hadden de leiding over de sjouwers. Zo stonden alle werklieden, ongeacht het werk dat ze deden, onder leiding van Levieten. Weer andere Levieten waren schrijver, griffier of poortwachter.

14Bij het tevoorschijn halen van het zilver dat aan de tempel was afgedragen, vond de priester Chilkia een boekrol met de tekst van de wet van de HEER die door Mozes was overgeleverd. 15Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: ‘Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.’ Safan nam het boek in ontvangst 16en bracht het naar de koning. Eerst bracht hij de koning verslag uit: ‘Alles wat u uw dienaren hebt opgedragen, is gebeurd. 17Het zilver dat in de tempel van de HEER bewaard wordt, is tevoorschijn gehaald en aan de bouwmeesters en de werklieden overhandigd.’ 18Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. 19Bij het horen van de tekst van de wet scheurde de koning zijn kleren. 20Hij beval Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Abdon, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: 21‘Ga ter wille van mij en ter wille van het volk dat in Israël en Juda is overgebleven de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER zal zijn hevige woede over ons uitstorten omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan de woorden van de HEER en niet hebben nageleefd wat in dit boek geschreven staat.’

22Chilkia ging met de dienaren van de koning naar de profetes Chulda, de vrouw van Sallum. Sallum was de zoon van Tokhat, de zoon van Chasra; hij beheerde de priesterkleding. Chulda woonde in het nieuwe stadsdeel van Jeruzalem. Toen ze haar alles verteld hadden, 23zei Chulda tegen hen: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen degene die jullie naar mij toe gestuurd heeft: 24“Dit zegt de HEER: Ik zal onheil brengen over deze stad en haar bewoners, ik zal alle vervloekingen die beschreven staan in het boek dat aan de koning van Juda is voorgelezen, voltrekken. 25Dat doe ik omdat zij zich van mij hebben afgekeerd en offers hebben ontstoken voor andere goden en mij hebben getergd met de beelden die ze gemaakt hebben. Mijn toorn zal over deze stad worden uitgestort en niet meer doven.” 26-27En tegen de koning van Juda persoonlijk, die jullie heeft gestuurd om de HEER te raadplegen, moeten jullie zeggen: “Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jij hebt je hart opengesteld voor de woorden die je hebt gehoord. Je hebt je verootmoedigd toen je hoorde wat ik over deze stad en haar inwoners heb gezegd. Je hebt je voor mij vernederd, je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ook ik naar jou geluisterd – spreekt de HEER. 28Je zult in vrede sterven en bij je voorouders begraven worden. Jij zult niet met eigen ogen hoeven aan te zien hoe ik onheil breng over deze stad en haar inwoners.”’

Nadat ze dit antwoord aan de koning hadden overgebracht, 29ontbood de koning de oudsten van Juda en Jeruzalem. 30Met alle inwoners van Juda en Jeruzalem, de priesters en de Levieten, kortom, de hele bevolking, van hoog tot laag, begaf hij zich naar de tempel van de HEER. Daar las hij hun de hele tekst voor van het verbondsboek dat in de tempel was gevonden. 31Staande op zijn vaste plaats bekrachtigde hij ten overstaan van de HEER het verbond. Hij zwoer dat hij de HEER zou volgen en zich geheel en al zou houden aan diens geboden, voorschriften en bepalingen, om zo het verbond dat in deze boekrol was vastgelegd met hart en ziel na te leven. 32Hij liet allen uit Jeruzalem en Benjamin zich hierbij aansluiten. Van toen af aan hielden de inwoners van Jeruzalem zich weer aan het verbond met God, de God van hun voorouders. 33In alle gebieden die aan de Israëlieten toebehoorden, maakte Josia een einde aan de verfoeilijke praktijken, en hij verplichtte alle Israëlieten om de HEER, hun God, te dienen. Zolang hij leefde, zijn ze de HEER, de God van hun voorouders, trouw gebleven.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]