Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

211Toen Josafat bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Joram volgde hem op. 2Jorams broers, zonen van Josafat, waren Azarja, Jechiël, Zecharja, Azarja, Michaël en Sefatja. Dit waren allemaal zonen van koning Josafat van Israël. 3Hun vader had hun grote hoeveelheden goud, zilver en andere kostbaarheden geschonken, en vestingsteden in Juda, maar het koningschap had hij overgedragen aan Joram, want die was zijn eerstgeboren zoon. 4

21:4-20
2 Kon. 8:16-24
Zodra Joram de macht in zijn vaders koninkrijk had overgenomen, vermoordde hij al zijn broers en ook een aantal leiders van Israël.

De regering van Joram

5Joram was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd. Acht jaar regeerde hij in Jeruzalem. 6Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël, net zoals het koningshuis van Achab dat deed, aangezien hij met een vrouw uit de familie van Achab getrouwd was. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, 7

21:7
1 Kon. 11:36
maar toch wilde de HEER het koningshuis van David niet vernietigen, omwille van het verbond dat hij met David had gesloten, aan wie hij had beloofd dat hij het licht van zijn koningshuis voor altijd zou laten branden.

8

21:8
Gen. 27:40
Tijdens de regering van Joram kwamen de Edomieten tegen Juda in opstand en wezen ze een eigen koning aan. 9Joram trok met zijn legeraanvoerders en al zijn strijdwagens tegen hen op. Toen de Edomieten hem en de aanvoerders van zijn strijdwagens omsingelden, deed hij ’s nachts een uitval en versloeg de Edomieten, 10maar toch maakte Edom zich van Juda los, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Ook Libna maakte zich in die tijd los van koning Joram. Dat gebeurde omdat hij zich van de HEER, de God van zijn voorouders, had afgewend. 11Hij ging zelfs zo ver dat hij op de bergen in Juda offerplaatsen bouwde. Zo zette hij de inwoners van Jeruzalem tot ontrouw aan en bracht hij Juda op het slechte pad.

12Op zekere dag ontving Joram een brief van de profeet Elia, waarin stond: ‘Dit zegt de HEER, de God van uw voorvader David: In plaats van je te houden aan het voorbeeld van je vader Josafat en van koning Asa van Juda 13heb je het voorbeeld gevolgd van de koningen van Israël. Je hebt Juda en Jeruzalem tot ontrouw verleid zoals het koningshuis van Achab Israël verleid heeft, en bovendien heb je je broers vermoord, zonen van je eigen vader, die beter waren dan jij. 14Daarom zal de HEER je volk, je kinderen en vrouwen en al je have en goed zwaar treffen. 15En jijzelf zult ten gevolge van een ziekte aan je ingewanden aan allerlei ongemakken lijden, tot je ingewanden ten slotte naar buiten komen.’

16De HEER zette de Filistijnen en de Arabische stammen die in de buurt van de Nubiërs woonden tegen Joram op. 17Zij trokken op tegen Juda, braken door de verdediging heen en namen alle goederen uit het koninklijk paleis mee. Ze voerden ook zijn kinderen en vrouwen als gevangenen weg. Niet één kind bleef hem over, alleen zijn jongste zoon Joachaz. 18Daarna trof de HEER hem met een ingewandsziekte waarvoor geen genezing bestond. 19

21:19
2 Kron. 16:14
Na bijna twee jaar was zijn ziekte zo ver voortgeschreden dat zijn ingewanden naar buiten kwamen, en stierf hij een gruwelijke dood. Het volk ontstak voor hem geen groot vuur, zoals voor zijn voorouders was gebeurd.

20

21:20
2 Kron. 24:25
28:27
Joram was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd. Acht jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn heengaan werd door niemand betreurd. Hij werd begraven in de Davidsburcht, maar niet bijgezet in de koninklijke grafkamers.

22

221

22:1-6
2 Kon. 8:25-29
De inwoners van Jeruzalem riepen Achazja tot zijn opvolger uit, omdat Achazja’s oudere broers allemaal vermoord waren door de benden die met de Arabieren ten strijde waren getrokken.

De regering van Achazja

Achazja, de zoon van koning Joram van Juda, werd dus tot koning uitgeroepen. 2Hij was twintig22:2 twintig – Volgens de Septuaginta. MT: ‘tweeënveertig’. jaar oud toen hij koning werd. Eén jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Atalja, de dochter van Omri. 3Ook hij volgde het voorbeeld van het koningshuis van Achab, want hij liet zich door de raad van zijn moeder tot goddeloosheid verleiden. 4Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, net zoals de leden van het koningshuis van Achab, want na de dood van zijn vader waren zij zijn raadgevers. Dat is zijn ondergang geworden.

5

22:5-9
2 Kon. 9:14-29
Het was ook op hun aanraden dat hij met koning Joram van Israël, de zoon van Achab, naar Ramot in Gilead meeging om de strijd aan te binden met koning Hazaël van Aram. Maar toen Joram gewond raakte, 6keerde hij naar Jizreël terug om te herstellen, aangezien hem tijdens de slag met koning Hazaël van Aram, bij Ramot, zware verwondingen waren toegebracht. Achazja,22:6 Achazja – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Azarja’. de zoon van Joram en koning van Juda, ging naar Jizreël om de gewonde koning Joram van Israël een bezoek te brengen. 7Dit bezoek aan Joram werd Achazja door Gods beschikking fataal. Toen Achazja bij Joram was, reden ze samen Jehu, de zoon van Nimsi, tegemoet, die door de HEER gezalfd was om het koningshuis van Achab uit te roeien. 8
22:8
2 Kon. 10:12-14
Vlak nadat Jehu met het huis van Achab had afgerekend, stuitte hij op de leiders van Juda en de zonen van Achazja’s broers, die in dienst van Achazja stonden. Hij doodde hen, 9en ging daarna op zoek naar Achazja zelf. Deze hield zich schuil in Samaria, maar werd gevangengenomen en aan Jehu voorgeleid. Hij werd ter dood gebracht, maar wel begraven, ‘want,’ zeiden ze, ‘hij is een kleinzoon van Josafat, die de HEER met heel zijn hart was toegedaan.’

Geen van Achazja’s nakomelingen was in staat hem op te volgen.

Opstand tegen Atalja

10

22:10-23:21
2 Kon. 11:1-20
Toen Atalja, de moeder van Achazja, hoorde dat haar zoon dood was, besloot ze alle kinderen van de koninklijke familie van Juda ter dood te brengen. 11Maar Jehosabat, de dochter van koning Joram, haalde een van Achazja’s zonen, Joas, heimelijk weg uit de groep koningskinderen die gedood zouden worden en verstopte hem met zijn voedster in de linnenkamer. Jehosabat was de dochter van koning Joram en ze was getrouwd met de priester Jojada. Ze was dus een zuster van Achazja. Ze wist Joas voor Atalja verborgen te houden, en zo ontsnapte hij aan de dood. 12Zes jaar hielden zij hem verborgen in de tempel van God, terwijl Atalja het land regeerde.

23

231In het zevende regeringsjaar van Atalja verstevigde Jojada zijn positie. Hij verzekerde zich van de medewerking van de bevelhebbers Azarja, de zoon van Jerocham, Jismaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, 2en zij gingen het hele land door om in alle steden van Juda de Levieten en de familiehoofden van Israël op te roepen om naar Jeruzalem te komen. 3

23:3
2 Sam. 7:12
In de tempel van God zwoer de hele gemeenschap trouw aan de koning. Jojada sprak hen als volgt toe: ‘De zoon van de koning zal het land regeren, zoals de HEER met betrekking tot de nakomelingen van David beloofd heeft. 4Dit is wat u moet doen: Splits de priesters en de Levieten die deze week dienst hebben in drie groepen. Laat de eerste groep de wacht betrekken bij de poorten van de tempel, 5de tweede bij het koninklijk paleis en de derde in de Fundamentpoort. Het volk moet zich opstellen op de tempelhoven. 6Niemand mag de tempel van de HEER binnengaan, behalve de priesters en de dienstdoende Levieten. Zij mogen naar binnen, want zij zijn geheiligd, maar het volk moet het verbod van de HEER in acht nemen. 7De Levieten moeten hun wapens in de aanslag houden en een hecht kordon rond de koning vormen. Verlies hem geen moment uit het oog en dood ieder die de tempel probeert binnen te gaan.’

8

23:8
1 Kron. 24:19
De Levieten en de vertegenwoordigers van de gemeenschap van Juda deden precies wat de priester Jojada had bevolen. Allen meldden zich met hun eenheid, zowel degenen die die week dienst hadden als degenen die die week geen dienst hadden, want Jojada had alle verloven ingetrokken. 9Jojada gaf de bevelhebbers de speren, schilden en pijlkokers uit de tempel van God, die nog van koning David waren geweest. 10Het volk moest zich, ieder met zijn wapen in de aanslag, voor de tempel opstellen, over de volle breedte van het plein en vanaf de ingang van de tempel tot aan het altaar, om de koning te beschermen. 11Toen leidden ze de koningszoon naar buiten, zetten hem de hoofdband op en overhandigden hem de kroningsakte. Zo werd hij door Jojada en diens zonen tot koning uitgeroepen en gezalfd, terwijl alle aanwezigen riepen: ‘Leve de koning!’ 12Toen Atalja hoorde hoe het volk te hoop liep en de koning toejuichte, begaf zij zich in de menigte die zich voor de tempel verzameld had. 13Daar zag ze de koning, die zich op het koninklijke podium naast de ingang had opgesteld, met de bevelhebbers en de trompetblazers naast zich. De hele bevolking was in feeststemming. Er werd op trompetten geblazen en de voorzangers leidden met hun instrumenten de lofzang. Maar Atalja scheurde haar kleren en riep: ‘Verraad! Verraad!’ 14De priester Jojada stuurde de bevelhebbers, de aanvoerders van het leger, op haar af met de opdracht: ‘Leid haar onder bewaking weg; wie haar volgt, moet gedood worden.’ Hij zei er uitdrukkelijk bij dat ze haar niet op het tempelterrein mochten doden. 15Atalja werd weggeleid en naar het paleis gevoerd. Zodra ze de Paardenpoort had bereikt, werd ze ter dood gebracht.

16Samen met het volk en de koning beloofde Jojada plechtig dat ze de HEER weer als volk zouden toebehoren. 17Heel het volk trok op naar de tempel van Baäl. Ze haalden de tempel omver en verbrijzelden de altaren en beelden die voor hem waren opgericht. De Baälspriester Mattan werd voor de altaren ter dood gebracht. 18

23:18
1 Kron. 25:1
Jojada droeg de zorg voor de tempel van de HEER op aan de Levitische priesters uit de families die David met de tempeldienst had belast. Zij moesten brandoffers opdragen aan de HEER, zoals voorgeschreven in de wet van Mozes, en dit volgens de aanwijzingen van David begeleiden met feestgezang. 19Ook stelde hij poortwachters aan die erop moesten toezien dat niemand die in enig opzicht onrein was de tempel van de HEER betrad.

20Met de bevelhebbers, de hoogwaardigheidsbekleders en de leiders van het volk begeleidde Jojada de koning van de tempel via de Bovenpoort naar het paleis, waar ze hem lieten plaatsnemen op de koningstroon. 21Heel het volk was verheugd, en hoewel Atalja ter dood gebracht was, bleef het rustig in de stad.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]