Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
18

Josafat trekt met koning Achab van Israël ten strijde tegen Aram

181

18:1-34
1 Kon. 22:1-35
Josafat verwierf dus steeds meer rijkdom en roem. Door een huwelijk smeedde hij familiebanden met Achab. 2Enige jaren later bracht hij Achab in Samaria een bezoek. Achab slachtte voor hem en zijn gevolg een grote hoeveelheid schapen, geiten en runderen, en haalde hem over om op te trekken tegen Ramot in Gilead. 3Koning Achab van Israël vroeg koning Josafat van Juda: ‘Gaat u met mij mee naar Ramot in Gilead?’ ‘U en ik zijn één,’ antwoordde Josafat, ‘mijn leger is uw leger. Ik trek met u mee ten strijde.’ 4En hij voegde eraan toe: ‘Vraag vandaag nog raad aan de HEER.’ 5De koning van Israël ontbood vierhonderd profeten en vroeg hun: ‘Zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kan ik er beter van afzien?’ ‘Trek op,’ antwoordden ze. ‘God zal u de stad in handen geven.’ 6Maar Josafat vroeg: ‘Is hier niet nog een profeet van de HEER die wij kunnen raadplegen?’ 7De koning van Israël antwoordde: ‘Er is nog wel iemand die de HEER voor ons zou kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem. Hij profeteert nooit iets goeds over mij, altijd onheil. Dat is Micha, de zoon van Jimla.’ ‘Zegt u dat toch niet!’ zei Josafat. 8De koning van Israël liet een hofdienaar komen die hij opdroeg om snel Micha, de zoon van Jimla, te gaan halen. 9De koning van Israël en de koning van Juda, Josafat, zaten ieder in hun staatsiegewaad op een troon op de dorsvloer voor de stadspoort van Samaria, in gezelschap van de in vervoering geraakte profeten. 10Sidkia, de zoon van Kenaäna, had twee ijzeren horens gemaakt en zei: ‘Dit zegt de HEER: Met deze horens zult u de Arameeërs neerslaan, tot u ze allemaal verslagen hebt.’ 11Ook de andere profeten voorspelden dergelijke dingen. ‘Trek op tegen Ramot in Gilead,’ zeiden ze. ‘Uw veldtocht zal slagen en de HEER zal u de stad in handen geven.’

12De bode die Micha was gaan halen, zei tegen hem: ‘Luister, alle profeten verzekeren de koning eensgezind dat de strijd goed zal aflopen. Mogen uw woorden even gunstig zijn als die van hen.’ 13Maar Micha zei: ‘Zo waar de HEER leeft, ik zeg alleen wat mijn God mij in de mond legt.’ 14Hij ging naar de koning toe, die hem vroeg: ‘Micha, zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kan ik er beter van afzien?’ ‘Trek op,’ antwoordde Micha. ‘Uw veldtocht zal slagen en de stad zal u beiden in handen vallen.’ 15Hierop zei de koning: ‘Hoe vaak heb ik u niet bezworen om in de naam van de HEER niets dan de waarheid tegen mij te spreken?’ 16

18:16
Num. 27:17
Ezech. 34:5
Zach. 10:2
Mat. 9:36
Marc. 6:34
Toen zei Micha: ‘Ik zag Israël verspreid over de berghellingen, als een kudde schapen die geen herder heeft. De HEER zei: “Ze hebben geen aanvoerder, laat ieder in vrede naar huis terugkeren.”’ 17De koning van Israël zei tegen Josafat: ‘Heb ik het u niet gezegd: hij profeteert nooit iets goeds over mij, alleen maar onheil!’ 18Micha zei: ‘Luister naar wat de HEER te zeggen heeft. Ik zag de HEER op zijn troon zitten, en aan weerszijden van hem stonden alle hemelse machten opgesteld. 19De HEER vroeg: “Wie gaat koning Achab van Israël overhalen om tegen Ramot in Gilead ten strijde te trekken, zijn ondergang tegemoet?” De een zei dit en de ander zei dat, 20en ten slotte trad een van de geesten op de HEER toe en zei: “Ik zal hem overhalen.” “Hoe wil je dat doen?” vroeg de HEER. 21“Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten,” zei de geest. “Doe dat,” zei de HEER. “Het zal je beslist lukken.” 22Welnu, zo heeft de HEER in de mond van deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.’ 23Sidkia, de zoon van Kenaäna, kwam op Micha af en sloeg hem in zijn gezicht. ‘Wilt u soms beweren dat de geest van de HEER van mij naar u is overgestoken om tegen u te spreken?’ vroeg hij. 24‘Dat zult u wel merken,’ zei Micha, ‘op de dag dat u probeert u te verschuilen op een verborgen plek in een huis.’ 25De koning van Israël zei: ‘Breng Micha naar Amon, de stadscommandant, en naar mijn zoon Joas. 26Zeg tegen hen dat ze hem in de gevangenis moeten opsluiten en op water en brood moeten zetten totdat ik behouden ben teruggekeerd.’ 27Hierop zei Micha: ‘Als u behouden terugkeert, is het niet de HEER die door mijn mond gesproken heeft.’ (Micha was het ook die zei: ‘Luister, volken, allemaal!’)

28De koning van Israël trok samen met Josafat, de koning van Juda, ten strijde tegen Ramot in Gilead. 29Hij zei tegen Josafat: ‘Ik wil niet als koning gekleed de strijd in gaan, maar houdt u uw koninklijke gewaad aan.’ De koning van Israël verkleedde zich dus voordat ze ten strijde trokken. 30De koning van Aram had de bevelhebbers van zijn strijdwagens het volgende opgedragen: ‘Vecht niet met een willekeurige soldaat, maar alleen met de koning van Israël.’ 31Toen de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, riepen ze: ‘Dat is de koning van Israël!’ Ze omsingelden hem en vielen hem aan. Josafat schreeuwde het uit en de HEER kwam hem te hulp door hen van hem weg te lokken. 32Toen de bevelhebbers van de strijdwagens merkten dat hij niet de koning van Israël was, lieten ze hem met rust. 33Maar een soldaat spande zijn boog en nietsvermoedend trof hij de koning van Israël tussen de schubben van zijn pantser. De koning zei tegen zijn wagenmenner: ‘Wend de teugel en breng me buiten het strijdgewoel; ik ben zwaargewond.’ 34Maar de strijd liep zo hoog op dat de koning van Israël zich nog de hele dag voor de ogen van de Arameeërs in zijn wagen overeind moest houden. Tegen zonsondergang stierf hij.

19

191Koning Josafat van Juda keerde behouden terug naar Jeruzalem. 2De ziener Jehu, de zoon van Chanani, ging de koning tegemoet en zei tegen hem: ‘U vond het nodig degenen die de HEER afwijzen te helpen en degenen die hem haten lief te hebben. Daarom hebt u de toorn van de HEER over u afgeroepen. 3Gelukkig hebt u ook goede dingen gedaan: u hebt het land gezuiverd van Asjerapalen en uw hart op God gericht.’

Josafat regelt de rechtspraak

4Josafat bleef voortaan in Jeruzalem. Wel ging hij nog een keer op reis om zijn onderdanen, van Berseba tot in het bergland van Efraïm, aan te sporen om terug te keren tot de HEER, de God van hun voorouders. 5Hij stelde rechters aan in het land, in alle vestingsteden van Juda, niet één uitgezonderd, 6en droeg hun op: ‘Besef goed welke taak u op u neemt, want u oordeelt niet op menselijk gezag, maar op gezag van de HEER, die u bij het rechtspreken terzijde staat. 7Laat u leiden door vrees voor de HEER en neem u in acht, want de HEER, onze God, duldt geen onrecht, partijdigheid of corruptie.’ 8

19:8
Deut. 17:8-13
In Jeruzalem stelde Josafat een aantal Levieten, priesters en familiehoofden van Israël aan om de rechtsorde van de HEER te handhaven en recht te spreken over de inwoners van de stad.19:8 en recht te spreken over de inwoners van de stad – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘en recht te spreken. En zij keerden terug naar Jeruzalem’. 9Hun droeg hij op: ‘Handel in ontzag voor de HEER, wees betrouwbaar en toegewijd. 10Wanneer uw ambtgenoten uit andere steden kwesties aan u voorleggen, bijvoorbeeld inzake een uitspraak over moord of doodslag, of over de interpretatie van geboden, bepalingen en rechtsregels, licht u hen dan in, zodat zij zich tegenover de HEER niet schuldig maken en u en uw ambtgenoten niet door zijn toorn getroffen worden. Wanneer u doet wat ik zeg, zult u vrijuit gaan. 11De hogepriester Amarja stel ik aan als hoogste rechter voor alle zaken met betrekking tot de HEER, en Zebadja, de zoon van Jismaël, het hoofd van de stam Juda, als hoogste rechter voor alle zaken met betrekking tot de koning. Levitische griffiers zullen u terzijde staan. Ga vastberaden aan het werk; moge de HEER bijstaan wie rechtschapen is.’

20

Overwinning op de Moabieten en de Ammonieten

201Enige tijd later trokken de Moabieten en de Ammonieten, samen met een deel van de Meünieten,20:1 Meünieten – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Ammonieten’. tegen Josafat ten strijde. 2Boodschappers kwamen Josafat melden: ‘Een groot leger valt u aan vanuit Edom,20:2 vanuit Edom – Volgens een Hebreeuws handschrift en de Vetus Latina. MT: ‘vanuit Aram’. aan de overkant van de zee. Ze zijn al bij Chaseson-Tamar.’ (Dat is Engedi.) 3

20:3
1 Kon. 21:9
Jer. 36:6
Joël 1:14
Josafat schrok hevig en hij besloot de HEER om raad te vragen. Hij kondigde in heel Juda een vastendag af, 4en uit werkelijk alle steden van Juda kwam men bijeen om de HEER om raad te vragen.

5Toen de gemeenschap van Juda en Jeruzalem zich in de nieuwe voorhof van de tempel had opgesteld, trad Josafat naar voren 6en zei: ‘HEER, God van onze voorouders, u bent God in de hemel en u heerst over de koninkrijken van alle volken. In uw hand liggen macht en kracht besloten, niemand kan zich tegen u verzetten. 7

20:7
Jes. 41:8
Jak. 2:23
U, onze God, hebt de vroegere inwoners van dit land voor uw volk Israël verdreven en het voor altijd aan de nakomelingen van uw vriend Abraham toebedeeld. 8Zij gingen er wonen en bouwden er een heiligdom voor uw naam, dat ze inwijdden met de woorden: 9
20:9
2 Kron. 6:24-25
“Wanneer enig onheil ons treft, het straffend zwaard of de pest of een hongersnood, en wij ons voor deze tempel voor u opstellen – in deze tempel immers woont uw naam – en u in onze ellende aanroepen, aanhoor ons dan en kom ons te hulp.” 10
20:10
Deut. 2:4-19
Nu worden wij aangevallen door de bewoners van Ammon, Moab en het Seïrgebergte, de gebieden waar de Israëlieten tijdens hun uittocht uit Egypte van u niet doorheen mochten trekken, en die zij daarom voorbijgetrokken zijn en niet hebben vernietigd. 11En als dank daarvoor trekken ze nu tegen ons op om ons te verdrijven uit uw eigen land, dat u ons in bezit hebt gegeven! 12God, straft u hen af. Wij zijn niet opgewassen tegen de grote legermacht die ons nu aanvalt. Wij weten niet wat we moeten doen, op u zijn onze ogen gevestigd.’

13Heel Juda stond opgesteld voor de HEER, ook de vrouwen en kinderen. 14

20:14
Neh. 11:22
In hun midden bevond zich ook Jachaziël, de zoon van Zecharja, die de zoon was van Benaja, de zoon van Jeïël, de zoon van Mattanja, een Leviet uit de familie van Asaf. Hij werd ter plekke gegrepen door de geest van de HEER en zei: 15‘Juda en Jeruzalem en u, koning Josafat, luister goed! Dit zegt de HEER: Jullie hoeven niet bang te zijn voor de grote legermacht die jullie bedreigt, want dit is niet jullie strijd, maar die van God. 16Ga hun morgen tegemoet. Zij trekken nu over de pas van Sis. Waar de wadi uitkomt in de woestijn van Jeruel, zullen jullie hen treffen. 17
20:17
Deut. 20:1-4
Jullie hoeven in deze strijd geen slag te leveren. Wacht rustig af, dan zullen jullie zien hoe de HEER, die jullie, Juda en Jeruzalem, bijstaat, voor jullie de overwinning behaalt. Jullie hoeven nergens bang voor te zijn. Ga hun morgen tegemoet, de HEER staat jullie bij.’ 18Josafat boog diep voorover en heel Juda en Jeruzalem knielde neer om de HEER hulde te brengen. 19En de Levieten uit de familie van Korach, die weer behoorde tot de familie van Kehat, zongen staande met luide stem de lof van de HEER, de God van Israël.

20De volgende morgen vroeg gingen ze op weg naar de woestijn van Tekoa. Bij hun vertrek trad Josafat naar voren en sprak hen als volgt toe: ‘Juda en Jeruzalem, luister! Vertrouw op de HEER, uw God, en u zult standhouden, vertrouw op zijn profeten en uw welslagen is verzekerd.’ 21

20:21
Ps. 136:1
In overleg met het volk wees hij zangers aan om de lof van de HEER te zingen. Zij trokken voor de bewapende legermacht uit, de heilige glorie prijzend met de woorden: ‘Loof de HEER, eeuwig duurt zijn trouw.’ 22Zodra zij jubelend hun lofzang aanhieven, zorgde de HEER ervoor dat de Ammonieten en Moabieten en de bewoners van het Seïrgebergte, die Juda wilden aanvallen, vanuit verdekte stellingen werden belaagd, en zo werden ze verslagen. 23
20:23
Ezech. 38:21
De Ammonieten en Moabieten raakten slaags met de bewoners van het Seïrgebergte en doodden hen tot de laatste man. En nadat ze met de bewoners van Seïr hadden afgerekend, stortten ze zich op elkaar. 24De Judeeërs waren inmiddels op een punt aangekomen van waar ze de woestijn konden overzien. Toen ze uitkeken naar het leger, zagen ze dat de grond bezaaid was met lijken: niemand was ontkomen. 25Josafat en zijn leger gingen eropaf om de buit binnen te halen. Ze troffen een grote kudde vee20:25 vee – Volgens de Septuaginta. MT: ‘onder hen’. aan, en goederen, kleding20:25 kleding – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften, de Vetus Latina en de Vulgata. MT: ‘lijken’. en kostbare voorwerpen. Ieder verzamelde meer dan hij dragen kon. Het kostte wel drie dagen om alles te vergaren, zo groot was de buit. 26De dag daarop kwamen ze bijeen in Emek-Beracha. (Omdat ze daar de HEER loofden wordt die plaats tot op de dag van vandaag Emek-Beracha genoemd.) 27Met Josafat aan het hoofd keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem terug naar Jeruzalem, opgetogen omdat de HEER hen had laten zegevieren over hun vijanden. 28In Jeruzalem aangekomen trokken ze begeleid door muziek van lieren, harpen en trompetten naar de tempel van de HEER.

29

20:29
Deut. 2:25
Toen de andere koninkrijken hoorden hoe de HEER de vijanden van Israël had bestreden, werden ze door vrees voor God bevangen. 30Voortaan heerste er vrede in het koninkrijk van Josafat, want zijn God verschafte hem rust aan al zijn grenzen.

Het einde van Josafats regering

31

20:31-21:1
1 Kon. 22:41-51
Zo regeerde Josafat over Juda. Hij was vijfendertig jaar oud toen hij koning van Juda werd, en regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. 32Hij volgde het voorbeeld van zijn vader Asa en deed wat goed is in de ogen van de HEER. 33Toch bleven de offerplaatsen bestaan en richtten de Judeeërs hun hart niet op de God van hun voorouders. 34Verdere bijzonderheden over Josafat zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van Jehu, de zoon van Chanani, die zijn opgenomen in het boek over de koningen van Israël.

35Later sloot koning Josafat van Juda een overeenkomst met de goddeloze koning Achazja van Israël 36om een vloot te bouwen die op Tarsis zou varen. De schepen werden gebouwd in Esjon-Geber. 37Eliëzer, de zoon van Dodawahu, uit Maresa, voorzegde Josafat dat de HEER zijn onderneming zou laten mislukken omdat hij een overeenkomst had gesloten met Achazja. En inderdaad, de schepen vergingen en kwamen nooit in Tarsis aan.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]