Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
12

121Toen Rechabeam zich eenmaal verzekerd wist van zijn positie en hij de macht stevig in handen had, legde hij de wet van de HEER naast zich neer, en alle Israëlieten volgden zijn voorbeeld. 2

12:2-16
1 Kon. 14:21-31
En omdat ze hun plicht tegenover de HEER verzaakten, gebeurde het in het vijfde regeringsjaar van koning Rechabeam dat koning Sisak van Egypte tegen Jeruzalem ten strijde trok 3met twaalfhonderd strijdwagens, zestigduizend ruiters en een ontelbare menigte voetvolk die hij uit Egypte had meegenomen: Libiërs, Sukkieten en Nubiërs. 4Hij veroverde de versterkte steden van Juda en trok op tot aan Jeruzalem.

5

12:5
2 Kron. 11:2
De profeet Semaja ging naar Rechabeam en de leiders van Juda, die zich toen Sisak naderde in Jeruzalem hadden verzameld, en zei tegen hen: ‘Dit zegt de HEER: Omdat jullie je van mij hebben afgewend, wend ik mij op mijn beurt van jullie af en lever ik jullie aan Sisak uit.’ 6Hierop bogen de koning en de leiders van Israël het hoofd en zeiden: ‘De HEER is rechtvaardig.’ 7Toen de HEER zag dat ze berouw toonden, richtte hij zich tot Semaja met de woorden: ‘Omdat ze zich verootmoedigd hebben, zal ik hen niet vernietigen. Ik zal ervoor zorgen dat ze ongedeerd blijven, en niet, door toedoen van Sisak, mijn toorn over Jeruzalem uitstorten. 8Maar ze zullen zich wel aan hem moeten onderwerpen en ervaren dat het een groot verschil is of ze mij dienen of een aardse koning.’

9

12:9
2 Kron. 9:15-16
Koning Sisak van Egypte viel Jeruzalem aan en roofde de schatten uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis. Hij nam alles mee, ook de gouden schilden die Salomo had laten maken. 10Koning Rechabeam liet toen bronzen schilden maken en gaf deze in bewaring aan de bevelhebbers van de koninklijke garde, die het paleis bewaakte. 11Telkens als de koning naar de tempel van de HEER kwam, traden de leden van de garde aan en namen de schilden mee, en daarna brachten ze die weer terug naar hun kazerne.

12Omdat Rechabeam zich verootmoedigd had, wendde de HEER zijn toorn van hem af en richtte hij hem niet geheel en al te gronde – ook vanwege het goede dat er was in Juda. 13Koning Rechabeam verstevigde zijn positie in Jeruzalem en behield het koningschap. Hij was eenenveertig jaar oud toen hij koning werd. Zeventien jaar regeerde hij in Jeruzalem, de stad die de HEER uit alle steden van Israëls stammen had uitgekozen om er zijn naam te laten wonen. Zijn moeder was Naäma, een Ammonitische. 14Hij deed wat slecht is, want zijn hart was niet gericht op de HEER. 15De geschiedenis van Rechabeam is van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Semaja en de ziener Iddo, in het gedeelte met het geslachtsregister. Rechabeam en Jerobeam waren voortdurend met elkaar in oorlog. 16Toen Rechabeam bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Abia volgde hem op.

13

De regering van Abia

131

13:1-23
1 Kon. 15:1-8
Abia werd koning van Juda in het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam. 2Drie jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Micha, de dochter van Uriël, uit Gibea.

Abia was in oorlog met Jerobeam. 3Abia trok ten strijde met een leger van vierhonderdduizend uitgelezen krijgshelden, en Jerobeam bracht achthonderdduizend voortreffelijke krijgslieden tegen hem in stelling. 4Abia posteerde zich op de Semaraïm, in het bergland van Efraïm, en riep: ‘Jerobeam en Israël, luister naar mij! 5U zou toch moeten weten dat de HEER, de God van Israël, het koningschap over Israël voor eeuwig aan David en zijn nakomelingen heeft gegeven, in een met zout bekrachtigd verbond. 6Jerobeam, de zoon van Nebat, was een dienaar van Salomo, de zoon van David. Hij kwam tegen zijn heer in opstand, 7en samen met de leeglopers en nietsnutten die zich bij hem hadden aangesloten, wist hij Rechabeam, de zoon van Salomo, te trotseren. Rechabeam was nog te jong en onervaren om hun weerstand te bieden. 8En nu denkt u, omdat u over een groot leger beschikt en de gouden stierkalveren meedraagt die Jerobeam heeft laten maken om u tot god te zijn, een aanval te kunnen doen op het koningschap van de HEER, dat berust bij de nakomelingen van David! 9U hebt toch de priesters van de HEER verjaagd, de nakomelingen van Aäron, en de Levieten, en zelf priesters aangesteld zoals andere volken dat doen? Iedereen die een stier en zeven rammen komt brengen, kan een aanstelling krijgen als priester voor die zogenaamde goden. 10Onze God echter is de HEER; wij hebben ons niet van hem afgewend, en de priesters die de HEER dienen zijn nakomelingen van Aäron, die in hun taak worden bijgestaan door de Levieten. 11Ze dragen elke ochtend en elke avond brandoffers op aan de HEER, brengen reukoffers, leggen de toonbroden neer op de met zuiver goud overtrokken tafel en ontsteken elke avond de lampen in de gouden lampenstandaard. Wij nemen dus de voorschriften van de HEER in acht, maar u hebt u van hem afgewend. 12

13:12
Num. 10:9
2 Mak. 7:19
Hand. 5:39
Besef wel: God zelf voert ons aan, en zijn priesters staan klaar om tegen u op de signaaltrompetten te blazen. Israëlieten, bind de strijd niet aan met de HEER, de God van uw voorouders, want u zult het onderspit delven.’

13Jerobeam had een deel van zijn troepen een omtrekkende beweging laten maken tot achter de Judese linies. De hoofdmacht van zijn leger stond tegenover hen, de rest was verdekt achter hen opgesteld. 14Plotseling werden de Judeeërs zowel frontaal als in de rug aangevallen. Ze riepen de HEER om hulp, terwijl de priesters de trompetten lieten schallen. 15De Judeeërs hieven hun strijdkreet aan, en terwijl ze dat deden, liet God Jerobeam en het leger van Israël het onderspit delven tegen Abia en Juda. 16De Israëlieten sloegen op de vlucht, maar de HEER leverde hen uit aan de Judeeërs. 17Abia en zijn leger brachten hun een zware nederlaag toe: er sneuvelden niet minder dan vijfhonderdduizend voortreffelijke Israëlitische krijgers. 18Zo moesten de Israëlieten die dag het hoofd buigen, terwijl de Judeeërs de overhand kregen omdat zij hun vertrouwen stelden in de HEER, de God van hun voorouders. 19Abia achtervolgde Jerobeam en veroverde een aantal steden op hem: Betel, Jesana en Efron, elk met de omliggende dorpen. 20Tot een nieuwe krachtmeting was Jerobeam tijdens de regering van Abia niet meer in staat. Uiteindelijk trof de HEER hem met de dood.

21Abia verstevigde zijn positie. Hij nam veertien vrouwen, bij wie hij tweeëntwintig zonen en zestien dochters verwekte. 22Verdere bijzonderheden over wat Abia heeft gezegd en gedaan zijn opgetekend in het werk van de profeet Iddo. 23Toen13:23-14:14 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 14:1-15. Abia bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Asa volgde hem op.

De regering van Asa

Tijdens de regering van Asa heerste er tien jaar vrede in het land.

14

141

14:1
1 Kon. 15:11
Asa deed wat goed en juist is in de ogen van de HEER, zijn God. 2Hij verwijderde de uitheemse altaren en de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de Asjerapalen om. 3Hij hield de Judeeërs voor dat ze hun heil moesten zoeken bij de HEER, de God van hun voorouders, en zijn wetten en bepalingen moesten naleven. 4Uit alle steden van Juda liet hij de offerplaatsen en de wierookaltaren verwijderen. Onder zijn bewind heerste er rust en vrede in het koninkrijk. 5Doordat er vrede heerste in het land en er in die tijd geen oorlog tegen hem gevoerd werd, was Asa in staat in Juda vestingsteden te bouwen. De HEER had hem immers rust verschaft. 6Asa zei tegen de Judeeërs: ‘Laten we vestingsteden bouwen, omringd door muren met torens en vergrendelbare poorten. Nu behoort het land nog aan ons, want omdat wij ons heil hebben gezocht bij de HEER, heeft hij ons rust verschaft aan onze grenzen.’ Zo begon men te bouwen, en de werkzaamheden werden tot een goed einde gebracht. 7Asa beschikte over een leger van driehonderdduizend Judeeërs, bewapend met grote schilden en lansen, en tweehonderdtachtigduizend Benjaminieten, bewapend met kleine schilden en bogen. Al zijn soldaten waren dappere krijgslieden.

8Na verloop van tijd viel de Nubiër Zerach het land binnen met een leger van duizend maal duizenden soldaten en driehonderd strijdwagens, en rukte op tot aan Maresa. 9Asa ging hem tegemoet en bracht zijn leger in stelling in de vallei van Sefata, bij Maresa. 10Hij riep de HEER, zijn God, aan met de woorden: ‘HEER, er is niemand die hulp biedt zoals u wanneer de machteloze het moet opnemen tegen een overmacht. Help ons, HEER, onze God, want in u hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze overmacht in het geweer gekomen. HEER, onze God, sta niet toe dat een mens zich met u meet.’ 11De HEER liet de Nubiërs tegen Asa en Juda het onderspit delven. De Nubiërs sloegen op de vlucht 12en Asa en zijn leger achtervolgden hen tot bij Gerar. Er sneuvelden zo veel Nubiërs dat hun leger tot niets meer in staat was. Ze werden door de HEER en zijn leger verpletterend verslagen. De Judeeërs wisten een grote buit in de wacht te slepen. 13Ze veroverden alle steden in de omgeving van Gerar, die door vrees voor de HEER waren bevangen, en plunderden die omdat er een rijke buit te halen viel. 14Ze overvielen ook de tenten van de veedrijvers en voerden een groot aantal schapen, geiten en kamelen weg. Toen keerden ze terug naar Jeruzalem.