Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Verdrag met de Romeinen

81Judas had over de Romeinen horen zeggen dat ze oppermachtig waren, dat ze iedereen die toenadering zocht welwillend bejegenden en met allen die dat wilden een vriendschapsverdrag sloten. 2Dat ze oppermachtig waren bleek uit wat hem verteld werd over hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliërs, die ze overmeesterd hadden en schatplichtig gemaakt. 3Er werd verteld wat ze in Spanje gedaan hadden om zich meester te maken van de zilver- en goudmijnen aldaar; 4hoe ze het hele gebied strategisch en met beleid hadden weten te veroveren – een gebied dat zeer ver van Rome verwijderd was – en ook dat ze de koningen die vanaf de uiteinden van de aarde tegen hen optrokken een vernietigende nederlaag hadden toegebracht en de overlevenden een jaarlijkse belasting hadden opgelegd. 5Filippus en Perseus, de Macedonische vorsten, en alle anderen die tegen hen in opstand waren gekomen, hadden ze in een oorlog vernietigend verslagen en aan zich onderworpen. 6Zelfs Antiochus de Grote van Asia, die toch met honderdtwintig olifanten, paarden en wagens en een zeer groot leger tegen hen was opgetrokken, was door hen verslagen. 7Ze hadden hem levend gevangengenomen en hem en zijn troonopvolgers een hoge belasting opgelegd; bovendien had hij gijzelaars moeten leveren en een deel van zijn gebied moeten afstaan. 8Ze namen hem India, Medië en Lydië af, de mooiste landstreken die hij bezat, en schonken die aan koning Eumenes.

9Toen een plan van de Grieken om hen aan te vallen en uit te roeien 10aan de Romeinen bekend werd, hadden zij slechts één bevelhebber op hen afgestuurd. Ze hadden oorlog gevoerd met de Grieken, velen van hen verwond, hun vrouwen en kinderen gevangengenomen, hun huizen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen neergehaald en hen aan zich onderworpen, tot op de dag van vandaag. 11Ook alle andere koninkrijken en eilanden die zich op enig moment tegen hen hadden verzet, waren door hen verslagen en onderworpen. 12Maar met hun bondgenoten en allen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze onderwierpen de koninkrijken in de buurt en in verre streken, en hun naam boezemde iedereen ontzag in. 13Wie ze wilden helpen om koning te worden, werd ook koning; de koningen die ze kwijt wilden, zetten ze af. Zo stegen ze in macht en aanzien. 14Desondanks had geen van hen de koninklijke hoofdband omgedaan of het purper omgehangen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. 15In plaats daarvan hadden ze voor zichzelf een senaat ingesteld, die dagelijks met driehonderdtwintig man vergaderde en steeds het welzijn van het volk voor ogen hield. 16Ieder jaar vertrouwden ze één man het leiderschap toe, die over hen en het gehele land regeerde, en iedereen gehoorzaamde hem zonder nijd of afgunst.

17

8:17
2 Mak. 4:11
Judas koos Eupolemus, de zoon van Johannes uit de familie van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en stuurde hen naar Rome om met de Romeinen een vriendschapsverdrag te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan. 18De Romeinen zouden hen dan van het juk van de Grieken bevrijden, omdat ze wel zouden inzien dat Israël feitelijk onderworpen was aan het Griekse rijk. 19Ze reisden naar Rome, een bijzonder lange reis, en gingen de senaat binnen met dit verzoek: 20‘Judas Makkabeüs, zijn broers en het Joodse volk hebben ons gestuurd om met u een vredesverbond te sluiten, zodat wij in het vervolg tot uw bondgenoten en vrienden gerekend worden.’ 21Hun verzoek viel in goede aarde. 22
8:22
1 Mak. 14:18
Dit is het afschrift van het verdrag dat ze op bronzen platen lieten graveren en terugstuurden naar Jeruzalem als bewijs van het vredesverbond:

23‘Mogen de Romeinen en het Joodse volk tot in eeuwigheid veel voorspoed kennen, te land en ter zee; mogen zij gespaard blijven voor oorlog en vijandschap. 24Wanneer aan Rome of een van zijn bondgenoten in enig gebied de oorlog wordt verklaard, 25zal het Joodse volk met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 26Zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen geven of verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome. Zij zullen hun verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. 27Omgekeerd zullen de Romeinen, wanneer aan het Joodse volk de oorlog wordt verklaard, met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 28Ook zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome, en hun verplichtingen eerlijk nakomen. 29Op deze voorwaarden hebben de Romeinen en het Joodse volk een verbond gesloten. 30Als een van beide partijen in de toekomst iets wil toevoegen of weglaten, dan zal deze toevoeging of weglating alleen geldig zijn met goedvinden van de wederpartij. 31Over het onrecht dat koning Demetrius de Joden heeft aangedaan, hebben wij hem het volgende geschreven: “Waarom hebt u de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zo’n zwaar juk opgelegd? 32Als zij nog meer aanklachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.”’

9

De dood van Judas

91

9:1
1 Mak. 7:5,8,43
Toen Demetrius hoorde dat Nikanor en zijn leger verslagen waren, stuurde hij Bakchides en Alkimus een tweede maal naar Judea, nu met zijn keurtroepen. 2Ze namen de weg naar Galilea9:2 Galilea – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘Galgala’. en sloegen hun kamp op bij Mesalot in Arbela. Ze veroverden het en doodden een groot aantal mensen. 3In de eerste maand van het jaar 152 sloegen ze hun kamp op bij Jeruzalem. 4Van daaruit trokken ze met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters op naar Berea. 5Judas had met drieduizend geoefende soldaten zijn kamp opgeslagen in Elasa. 6Toen de Joden zagen hoe groot de legermacht van hun tegenstander was, sloeg de schrik hun om het hart. Velen deserteerden, zodat er uiteindelijk maar achthonderd mannen over waren. 7Judas merkte dat zijn leger uiteenviel en twijfelde aan een goede afloop van de strijd. Hij was ten einde raad, want hij wist niet hoe hij zijn soldaten weer samen moest brengen. 8Wanhopig zei hij tegen degenen die nog over waren: ‘Laten we toch maar tegen de vijand ten strijde trekken, er is altijd nog een kans dat we ze verslaan.’ 9Maar zij gingen tegen hem in en zeiden: ‘Dat lukt ons nooit. We kunnen onszelf beter in veiligheid brengen en later samen met onze broeders de strijd met hen aangaan. Nu zijn we met te weinig.’ 10Judas antwoordde: ‘Dat nooit! We slaan zeker niet voor hen op de vlucht. Als onze tijd gekomen is, moeten we moedig voor onze broeders sterven, in plaats van onszelf een slechte naam te bezorgen.’ 11Toen verlieten de vijandelijke troepen hun kamp en stelden zich tegenover het Joodse leger op. Hun ruiterij was in tweeën gesplitst, de slingeraars en boogschutters liepen voor het leger uit, de allerbeste soldaten stonden in de frontlinie. 12
9:12
1 Mak. 4:13
Bakchides bevond zich in de rechterflank. Het voetvolk trok aan twee zijden gedekt en onder trompetgeschal op, en ook de soldaten van Judas bliezen op trompetten. 13De aarde dreunde onder het geweld van de beide legers. De strijd duurde van de vroege ochtend tot de avond. 14Toen Judas zag dat Bakchides zich met de beste troepen in de rechterflank bevond, ging hij daar met zijn dapperste mannen op af. 15Hij deed een verpletterende aanval op de rechterflank en achtervolgde de manschappen tot aan de hellingen van het gebergte van Azotus. 16Toen de soldaten van de linkerflank zagen dat de rechterflank gebroken was, draaiden ze zich om en gingen Judas en zijn mannen achterna. 17Het werd een bittere strijd en aan beide zijden vielen vele gewonden. 18Judas sneuvelde en de anderen vluchtten. 19Jonatan en Simon namen hun broer Judas mee en begroeven hem in het graf van hun voorouders in Modeïn. 20Ze treurden om hem en heel Israël gaf zich over aan diepe rouw. De mensen weeklaagden dagenlang: 21
9:21
2 Sam. 1:27
‘Ach, dat de held heeft kunnen sneuvelen, de redder van Israël.’

22Het merendeel van wat Judas heeft gezegd en gedaan is niet opgeschreven: zijn veldslagen, de manmoedige daden die hij heeft verricht en alles wat verder van zijn grootheid getuigt – het is te veel om op te noemen.

Jonatan

23Na de dood van Judas doken in alle gebieden van Israël weer lieden op die zich niets aan de wet gelegen lieten liggen, alle onruststokers kwamen weer tevoorschijn. 24Toen er ook nog een zware hongersnood uitbrak, sloot de bevolking zich bij hen aan. 25Bakchides stelde enkele van die afvallige mannen aan als regeerders van het land. 26Zij spoorden aanhangers van Judas op en brachten hen voor Bakchides, die hen strafte en bespotte. 27Israël werd onderdrukt zoals sinds de laatste profeet niet meer was gebeurd. 28Daarom verzamelden de aanhangers van Judas zich, en ze zeiden tegen Jonatan: 29‘Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand meer die optrekt tegen onze vijanden, tegen Bakchides of tegen de verraders van ons volk. 30Daarom hebben wij vandaag u gekozen om in zijn plaats onze leider en aanvoerder in de strijd te zijn.’ 31En zo nam Jonatan de leiding op zich als opvolger van zijn broer Judas.

Jonatans eerste overwinning op Bakchides

32Toen Bakchides dit te weten kwam, wilde hij Jonatan doden. 33Jonatan en zijn broer Simon en al hun aanhangers hoorden ervan en vluchtten naar de woestijn van Tekoa. Ze sloegen hun kamp op bij de waterput van Asfar. 34Dit kwam Bakchides weer ter ore en op een sabbat stak hij met heel zijn leger de Jordaan over. 35

9:35
1 Mak. 5:25
Jonatan stuurde zijn broer Johannes aan het hoofd van een grote groep mensen naar bevriende Nabateeërs met het verzoek of ze hun omvangrijke bagage bij hen in bewaring konden geven. 36Maar de Jambrieten rukten vanuit Medeba tegen hen op, overmeesterden Johannes en alles wat hij met zich meevoerde en maakten zich uit de voeten. 37Enige tijd daarna hoorden Jonatan en zijn broer Simon dat de Jambrieten een grote bruiloft gingen vieren. De bruid, een dochter van een van de meest vooraanstaande mannen van Kanaän, zou met een groot gevolg in Nadabat worden opgehaald. 38Met het bloed van hun broer Johannes in gedachten trokken zij op en verborgen zich in een bergspleet. 39Van daaruit zagen ze een rumoerige stoet naderen met een grote vracht bagage. Het waren de bruidegom, zijn vrienden en zijn broers, die onder tromgeroffel en muziek en in volle wapenrusting hun kant op kwamen. 40Jonatan en Simon kwamen uit hun hinderlaag tevoorschijn en richtten een bloedbad aan; er vielen veel gewonden en de overigen vluchtten de bergen in. Al hun bezittingen namen ze in beslag. 41
9:41
Amos 8:10
Zo veranderde het feest in rouwbetoon en de bruidsmuziek in een rouwklacht. 42Het bloed van hun broer was gewroken. Daarna keerden ze terug naar het moerasland van de Jordaan.

43Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij op een sabbat met een groot leger op tot aan de oevers van de Jordaan. 44Jonatan zei tegen zijn mannen: ‘Vooruit! We moeten vechten voor ons leven, want zo slecht als vandaag heeft het er nog nooit voor ons uitgezien: 45we worden van voren en van achteren aangevallen, het water van de Jordaan stroomt aan deze kant en aan die kant liggen moeras en struikgewas, we kunnen nergens heen! 46Smeek de hemel dat jullie uit de handen van de vijand gered mogen worden!’ 47De strijd begon. Jonatan hief zijn arm om Bakchides neer te slaan, maar deze week achteruit. 48Daarop sprongen Jonatan en zijn aanhangers het water in en zwommen naar de overkant. Maar de vijand ging hen niet achterna en stak de Jordaan niet over. 49Die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man. 50Bakchides keerde terug naar Jeruzalem en begon aan de bouw van versterkingen in Judea: de burcht in Jericho en de steden Emmaüs, Bet-Choron, Betel, Timna, Faraton en Tefon werden voorzien van hoge muren en vergrendelbare poorten. 51Hij legerde er garnizoenen om Israël in bedwang te houden. 52Hij versterkte Bet-Sur, Gezer en de citadel, stationeerde er strijdkrachten en sloeg er voedselvoorraden op. 53Ten slotte liet hij de zonen van de leiders van het land gijzelen en opsluiten in de citadel in Jeruzalem.

54

9:54
Ezra 6:14
In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel de muur van de voorhof van het heiligdom neer te halen om zo het werk van de profeten teniet te doen. Men was nog maar net met de afbraak begonnen, 55toen Alkimus werd getroffen door een ziekte en zijn plannen moest laten varen. Zijn spraakvermogen was aangetast, hij was verlamd en hij kon dus geen woord meer uitbrengen, laat staan zijn huis beheren. 56Niet lang daarna stierf hij in hevige pijn. 57Toen Bakchides vernam dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar de koning terug. Daarna had Judea twee jaar rust.

Bakchides voorgoed verdreven

58Alle wettelozen kwamen bijeen om te beraadslagen. Ze zeiden: ‘Jonatan en zijn aanhangers leven rustig en onbezorgd. Wanneer we Bakchides nu laten komen, kan hij hen allemaal in één nacht gevangennemen.’ 59Dit voorstel legden ze aan hem voor, 60waarna Bakchides er met een groot leger op uit trok en in het geheim brieven naar al zijn bondgenoten in Judea stuurde, met de opdracht Jonatan en zijn aanhangers gevangen te nemen. Maar ze slaagden er niet in, want het plan lekte uit 61en ongeveer vijftig van de aanstichters werden gedood. 62Daarna trokken Jonatan en Simon met hun mannen naar Bet-Bassi in de woestijn. Ze bouwden wat verwoest was weer op en versterkten de stad. 63Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij al zijn troepen samen en riep hij ook zijn aanhangers in Judea op. 64Hij rukte uit en sloeg zijn kamp op bij Bet-Bassi, waarna ze de stad dagenlang vanuit stormtorens aanvielen. 65Jonatan liet zijn broer Simon in de stad achter en trok zelf met een aantal mannen de omgeving in. 66Hij viel Odomera en zijn verwanten aan en deed een aanval op de Fasirieten in hun tentenkamp; langzaamaan kregen ze de overhand en namen hun strijdkrachten in aantal toe. 67Simon en zijn mannen deden een uitval vanuit de stad en staken de stormtorens in brand. 68Bakchides werd daarbij vernietigend verslagen, wat een zware tegenslag voor hem betekende, want met het mislukken van deze veldtocht was zijn hele onderneming op niets uitgelopen. 69Hij was razend op de wettelozen die hem hadden overgehaald te komen en liet een groot aantal van hen ter dood brengen. Daarna besloot hij om weer naar zijn eigen land terug te keren. 70Toen Jonatan hiervan hoorde, stuurde hij onderhandelaars naar Bakchides om vrede met hem te sluiten en de krijgsgevangenen uitgeleverd te krijgen. 71Bakchides aanvaardde het vredesaanbod en hield zijn woord. Hij zwoer dat hij hem de rest van zijn leven niet meer tot last zou zijn. 72Ook droeg hij de mensen die hij eerder in Judea krijgsgevangen had gemaakt aan Jonatan over. Daarna keerde hij naar zijn land terug en zette nooit meer een voet over de Judese grens. 73Daarmee kwam een einde aan de oorlog in Judea. Jonatan ging in Michmas wonen. Hij werd rechter over het volk en verdreef de afvalligen uit Israël.

10

Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes

101In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning. 2Toen koning Demetrius dit hoorde, mobiliseerde hij een grote troepenmacht en trok tegen hem ten strijde. 3Ook stuurde Demetrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem in vriendelijke bewoordingen meer macht beloofde, 4want hij dacht: Wij moeten snel vrede met hem sluiten, voordat hij met Alexander een verbond sluit tegen ons, 5want hij zal het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk berokkend hebben niet zijn vergeten. 6

10:6
1 Mak. 9:53
Hij machtigde Jonatan om strijdkrachten te mobiliseren en wapens te vervaardigen, en verklaarde dat zij bondgenoten waren. Bovendien gaf hij opdracht de gijzelaars in de citadel aan Jonatan over te dragen. 7Jonatan ging naar Jeruzalem en las de brief voor aan heel het volk en aan de bezetters van de citadel. 8Die schrokken hevig toen ze hoorden dat de koning hem gemachtigd had om strijdkrachten te mobiliseren. 9De bezetters van de citadel droegen de gijzelaars aan Jonatan over, en hij gaf ze terug aan hun ouders. 10Jonatan ging in Jeruzalem wonen en begon met de wederopbouw van de stad. 11Hij gaf werklieden opdracht de stadsmuur weer op te trekken en de Sion ter versterking met gehouwen stenen te omgeven. En zo gebeurde het. 12De vreemdelingen die in de door Bakchides gebouwde vestingen gelegerd waren, vluchtten. 13Ze verlieten hun post en keerden terug naar hun land. 14Alleen in Bet-Sur bleven nog wat mensen achter die de wet en de voorschriften verloochend hadden; zij hadden daar hun toevluchtsoord gevonden.

15Koning Alexander hoorde van de toezeggingen die Demetrius Jonatan had gedaan. En toen men hem vertelde van de veldslagen en heldendaden van Jonatan en zijn broers, en van de ontberingen die ze hadden geleden, 16zei hij: ‘Zo is er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot maken.’ 17Hij stuurde een brief aan Jonatan met deze woorden:

18‘Koning Alexander groet zijn broeder Jonatan. 19Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man en bent u het waard onze bondgenoot te zijn. 20

10:20
1 Mak. 11:57
Daarom benoemen wij u vandaag tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel Vriend van de koning. Bekommer u om onze zaak en wees trouw aan onze vriendschap.’

Met de brief stuurde hij hem een purperen mantel en een gouden krans. 21In de zevende maand van het jaar 160, tijdens het Loofhuttenfeest, trok Jonatan het hogepriestergewaad aan. Hij bracht strijdkrachten bijeen en liet veel wapens maken.

22Toen Demetrius hiervan hoorde, was hij danig ontstemd. Hij zei: 23‘Hoe hebben we kunnen laten gebeuren dat Alexander ons voor is geweest! Hij heeft vriendschap gesloten met de Joden en zo zijn positie versterkt. 24Maar ook ik zal hartelijke woorden tot hen richten en hun hoge ambten en geschenken beloven, zodat ze mijn zijde kiezen.’ 25En hij stuurde hun dit bericht:

‘Koning Demetrius groet het Joodse volk. 26Naar wij hebben vernomen hebt u zich gehouden aan de met ons gesloten verdragen en bent u onze vriendschap trouw gebleven. U hebt zich niet aangesloten bij onze vijanden, en dit verheugt ons zeer. 27Als u ons trouw blijft, zullen wij u rijkelijk belonen voor uw diensten. 28Wij zullen u van de meeste verplichtingen ontslaan en u geschenken geven. 29Hierbij verklaar ik u vrij en onthef ik alle Joden van schatting, zoutheffing en kroongelden. 30

10:30
1 Mak. 11:34
Ook het derde van de veldoogst en de helft van de boomvruchten die mij rechtens toekomen, hoeft u niet meer af te dragen. Met ingang van heden zijn Judea en de drie districten van Samaria en Galilea, die ik bij dezen tot Judees grondgebied verklaar, daarvan voor altijd vrijgesteld. 31Jeruzalem en zijn grondgebied zullen heilig zijn en ontheven van tienden en tolgelden. 32Verder doe ik afstand van mijn bevoegdheden in de citadel van Jeruzalem en verleen ik de hogepriester het recht er naar believen mannen in garnizoen te leggen. 33Alle Joden die als krijgsgevangene uit Judea zijn weggevoerd naar een plaats elders in mijn rijk, zal ik zonder losgeld vrijlaten. Over het vee mag geen belasting worden geheven. 34Op feesten, sabbat, nieuwemaan en andere hoogtijdagen, evenals de drie dagen voor en de drie dagen na een feest zullen alle Joden in mijn rijk van belastingen zijn vrijgesteld, 35en niemand heeft het recht op die dagen iets van hen te vorderen of hen om wat voor reden dan ook lastig te vallen. 36Ongeveer dertigduizend Joden zullen als strijdkrachten van de koning worden ingeschreven; zij ontvangen dezelfde soldij als de overige koninklijke strijdkrachten. 37Een deel van hen zal worden gelegerd in de grote burchten van de koning en een deel zal in het koninkrijk vertrouwensposten vervullen. Hun bevelhebbers en leiders zullen uit hun eigen gelederen worden gekozen en zij mogen volgens hun eigen wetten leven, zoals de koning dat voor het land Judea heeft bepaald. 38De drie gebieden van Samaria die nu bij Judea zijn ingelijfd, zullen voortaan ook in bestuurlijk opzicht één zijn met Judea en onder het gezag van de hogepriester staan. 39Ptolemaïs en bijhorend gebied schenk ik aan het heiligdom in Jeruzalem, zodat uit de opbrengst de kosten van de tempeldienst kunnen worden gedekt. 40Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sjekel zilver schenken van de inkomsten uit mijn domeinen. 41
10:41
Ezra 6:9
7:20
Alle toelagen ten bate van de tempeldienst die door ambtenaren de laatste jaren niet zijn uitgekeerd, zullen vanaf heden weer worden betaald. 42Ook de vijfduizend sjekel zilver die jaarlijks uit de inkomsten van de tempel gevorderd werden zal ik teruggeven, want ze komen toe aan de dienstdoende priesters. 43Ieder die vanwege schulden bij de koning of om een andere reden in de tempel van Jeruzalem of het tempelgebied zijn toevlucht heeft gezocht, is met alles wat hij in mijn rijk bezit onschendbaar. 44De kosten van de herbouw en vernieuwing van het heiligdom zijn voor rekening van de koning. 45Ook de kosten van de bouw van de muren en verdedigingswerken rond Jeruzalem zijn voor rekening van de koning, evenals de kosten voor de vestingen in Judea.’

Jonatan blijft trouw aan Alexander

46Jonatan en het volk hoorden Demetrius’ beloften vol ongeloof aan en ze gingen er niet op in. Ze herinnerden zich het grote onheil dat hij in Israël had aangericht en hoezeer hij hen had onderdrukt. 47Zij hielden het bij Alexander, hij was tenslotte de eerste geweest die hun vrede had aangeboden, en ze bleven tot het einde toe zijn bondgenoot. 48Koning Alexander bracht een grote strijdmacht op de been en stelde zich op tegenover Demetrius. 49De twee koningen openden de strijd, en het leger van Alexander werd op de vlucht gedreven. Demetrius achtervolgde hem en kreeg de overhand. 50Maar Alexander bood tot zonsondergang hardnekkig verzet, en diezelfde dag nog sneuvelde Demetrius.

51Daarop stuurde Alexander gezanten naar koning Ptolemeüs van Egypte met de volgende boodschap: 52‘Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, ik heb de troon van mijn voorouders bestegen en heb het bestuur op me genomen. Demetrius heb ik verslagen, en de macht over het land is nu in mijn handen. 53In de strijd die ik met hem aanbond is zijn leger door ons verslagen. Nu zetel ik op de troon van zijn rijk. 54Laten wij vriendschap met elkaar sluiten: maak mij uw schoonzoon door mij uw dochter tot vrouw te geven. Ik zal u en haar geschenken geven die u beiden waardig zijn.’ 55En koning Ptolemeüs antwoordde: ‘Ik prijs de dag waarop u bent teruggekeerd in het land van uw voorouders en de troon van hun koninkrijk hebt bestegen. 56Ik ga graag op uw voorstel in. Maar laten wij elkaar eerst in Ptolemaïs ontmoeten. Dan zal ik uw schoonvader worden, zoals u hebt voorgesteld.’

57In het jaar 162 vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. 58Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde. 59Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan om hem uit te nodigen hem te bezoeken. 60Jonatan reisde met een schitterend gevolg naar Ptolemaïs, waar hij de twee koningen ontmoette. Hij gaf hun en hun vertrouwelingen zilver, goud en vele andere geschenken, en won zo hun gunst. 61Maar Israëlieten met kwaad in de zin, mannen die de wet verloochenden, kwamen een aanklacht tegen hem indienen. De koning schonk echter geen aandacht aan hen. 62Integendeel, hij gaf bevel Jonatans gewone kleren te verruilen voor purperen kleding. En zo gebeurde het. 63De koning liet hem naast zich plaatsnemen en zei tegen zijn bevelhebbers: ‘Neem hem mee naar het midden van de stad en roep om dat niemand een aanklacht tegen hem mag indienen of hem mag lastigvallen, om wat voor reden dan ook.’ 64Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen dat Jonatan gehuldigd werd en in purper was gekleed, vluchtten ze. 65

10:65
1 Mak. 11:57
De koning verleende hem de eervolle titel Vriend van de koning, en hij stelde hem aan als veldheer en districtsbestuurder. 66Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde terug naar Jeruzalem.

Jonatan verslaat Apollonius

67In het jaar 165 kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, vanuit Kreta naar het land van zijn voorouders. 68Toen koning Alexander dit hoorde, keerde hij diep verontrust naar Antiochië terug. 69Demetrius bevestigde Apollonius in zijn functie als districtsbestuurder over Cele-Syrië. Deze bracht een grote strijdmacht op de been en sloeg zijn kamp op in de buurt van Jamnia. Van daaruit stuurde hij deze boodschap naar hogepriester Jonatan: 70‘U bent de enige die zich tegen ons verzet, en daarom word ik uitgelachen en bespot. Daar in de bergen durft u ons wel te tarten. 71Als u op uw strijdkrachten vertrouwt, daal dan af naar de vlakte, dan kunnen we daar onze krachten meten. Ik heb de legers van de steden achter mij. 72Doe navraag naar mij, ontdek wie ik ben en wie mijn medestanders zijn. Men zal u zeggen dat u tegen ons leger geen schijn van kans maakt. Uw voorvaders zijn al tweemaal in hun eigen land verslagen. 73En ook u zult in de vlakte, waar geen steen of kiezel te vinden is en geen schuilplaats te bekennen, onze ruiterij en strijdkracht niet kunnen weerstaan.’

74Uitgedaagd door de woorden van Apollonius, zocht Jonatan tienduizend mannen uit en vertrok vanuit Jeruzalem. Zijn broer Simon sloot zich met versterkingen bij hem aan. 75Hij sloeg zijn kamp op bij Joppe. De inwoners van de stad sloten de poorten voor hem, omdat er in Joppe een garnizoen van Apollonius gelegerd was. Maar toen ze de stad aanvielen, 76werden de inwoners bang en openden ze de poorten, zodat Jonatan Joppe kon innemen. 77Apollonius hoorde dit en rukte met drieduizend ruiters en een grote strijdmacht op naar Azotus, alsof hij door die stad wilde trekken. Maar omdat hij op zijn grote ruiterij vertrouwde, bleef hij in de vlakte. 78Jonatan achtervolgde hem tot bij de stad, waar de legers met elkaar in gevecht gingen. 79Apollonius liet duizend ruiters in hinderlaag achter. 80Toen Jonatan dat ontdekte, was hij al door de ruiters omsingeld, en zijn leger werd van de vroege ochtend tot zonsondergang met pijlen bestookt. 81Toch wisten zijn mannen stand te houden, zoals Jonatan bevolen had, en de ruiters van de tegenstander raakten vermoeid. 82Toen de ruiterij was uitgeput, viel Simon het voetvolk aan. Hij kreeg de overhand; de soldaten werden door hem op de vlucht gedreven en 83

10:83
1 Sam. 5:2
de ruiters werden uiteengejaagd over de vlakte en vluchtten naar Azotus. Daar gingen ze de tempel van Dagon binnen om zich in veiligheid te brengen. 84
10:84
1 Mak. 11:4
Jonatan stak Azotus en de steden eromheen in brand en plunderde ze. Daarna legde hij de tempel van Dagon met iedereen die er zijn toevlucht had gezocht in de as. 85Ongeveer achtduizend mannen vielen door het zwaard of kwamen om in het vuur. 86Van daaruit trok Jonatan op tot bij Askelon, waar de inwoners van de stad hem in een feestelijke stoet tegemoet kwamen. 87Met een grote buit keerden Jonatan en zijn mannen vervolgens terug naar Jeruzalem. 88Toen koning Alexander van deze gebeurtenissen hoorde, bewees hij Jonatan nog meer eer. 89
10:89
1 Mak. 11:58
Hij stuurde hem een gouden speld, zoals die gewoonlijk alleen aan bloedverwanten van koningen werd geschonken, en hij gaf hem Akkaron en het bijhorend grondgebied.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]