Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

Judas verslaat Bakchides en Nikanor

71

7:1-2
2 Mak. 14:1-2
In het jaar 151 vertrok Demetrius, de zoon van Seleukus, uit Rome. Met een paar mannen landde hij in een stad aan de kust, waar hij zichzelf tot koning uitriep. 2Terwijl hij op weg was naar het koninklijk paleis van zijn voorouders, nam het leger Antiochus en Lysias gevangen om hen aan hem uit te leveren. 3Maar toen hij hiervan op de hoogte werd gesteld, zei hij: ‘Ik wil ze nooit meer zien!’ 4Daarop bracht het leger hen ter dood en kon Demetrius de troon van zijn rijk bestijgen. 5Alle wetsverachters en afvalligen uit Israël kwamen naar hem toe. Hun leider was Alkimus, die hogepriester wilde worden. 6Zij brachten bij de koning de volgende beschuldigingen in tegen de andere Joden: ‘Judas en zijn broers hebben al uw vertrouwelingen gedood en ons uit ons land verdreven. 7Laat iemand in wie u vertrouwen hebt de schade opnemen die zij hebben toegebracht aan ons en uw grondgebied. Laat hij Judas en iedereen die hem geholpen heeft straffen.’ 8De koning koos Bakchides, een van zijn vertrouwelingen, die een gebied ten westen van de Eufraat bestuurde. Hij was een man van aanzien, en trouw aan de koning. 9Samen met de afvallige Alkimus, die als hogepriester was aangesteld, werd hij eropuit gestuurd om de Israëlieten te straffen. 10Met een groot leger trokken ze op naar Judea. Bakchides stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven. 11Maar die gingen er niet op in omdat ze hadden gezien dat ze met een groot leger waren gekomen. 12Wel ging een groep schriftgeleerden naar Alkimus en Bakchides om de vredesvoorwaarden te bespreken. 13De chasideeën waren de eersten onder de Israëlieten die hun om vrede verzochten. 14Ze dachten: Met het leger is een priester uit het geslacht van Aäron meegekomen; hij zal ons zeker geen onrecht aandoen. 15Inderdaad stond Alkimus hen vriendelijk te woord, en hij bezwoer hun: ‘Wij zijn niet van plan u en uw vrienden kwaad te berokkenen.’ 16Ze geloofden hem, maar hij liet zestig van hen gevangennemen en nog dezelfde dag ter dood brengen, precies zoals geschreven staat: 17
7:17
Ps. 79:2-3
‘Ze hebben de lijken van uw heiligen laten liggen en hun bloed overal rond Jeruzalem vergoten, en er was niemand om hen te begraven.’ 18Heel het volk werd door angst bevangen, en de mensen zeiden: ‘Het zijn leugenaars die niet weten wat rechtvaardigheid is; ze hebben hun belofte geschonden, ondanks de eed die ze gezworen hebben.’ 19Bakchides trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Zait. Van daaruit liet hij enkele mannen uit het volk gevangennemen, en zelfs een flink aantal verraders die zich vrijwillig bij hem hadden aangesloten. Hij liet hen bij de grote waterput afslachten. 20Hij droeg het bestuur van het land over aan Alkimus en liet ter ondersteuning een legereenheid bij hem achter. Daarna keerde Bakchides terug naar de koning.

21Alkimus probeerde uit alle macht zijn hogepriesterschap erkend te krijgen. 22Alle onrustzaaiers onder het volk sloten zich bij hem aan; ze grepen de macht in Judea en brachten Israël een zware slag toe. 23Judas zag dat het kwaad dat Alkimus en zijn aanhangers de Israëlieten berokkenden nog veel erger was dan wat de omringende volken hun aandeden. 24Hij trok door alle streken van Judea om wraak te nemen op de overlopers en hij belette hun terug te keren naar hun land. 25Algauw zag Alkimus in dat Judas en zijn aanhangers zo sterk waren geworden dat hij geen tegenstand kon bieden, en daarom keerde hij terug naar de koning en bracht zware beschuldigingen tegen hen in.

26

7:26
1 Mak. 3:38
2 Mak. 14:12-14
Toen zond de koning een van zijn beruchtste bevelhebbers, Nikanor, die Israël haatte en verachtte, met als opdracht het volk uit te roeien. 27
7:27
2 Mak. 14:15-24
Nikanor trok met een groot leger naar Jeruzalem en stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven: 28‘Ik wil geen oorlog met u; ik kom met maar weinig mannen, want ik wil u in vrede ontmoeten.’ 29
7:29
2 Mak. 14:30
Hij ging zelf ook naar Judas, en zij begroetten elkaar vriendelijk, maar de vijand stond al klaar om Judas gevangen te nemen. 30Toen Judas erachter kwam dat Nikanor met boos opzet bij hem was gekomen, werd hij bang voor hem en weigerde hem nogmaals te ontmoeten. 31Nikanor begreep dat zijn plan was doorzien en hij trok ten strijde tegen Judas ter hoogte van Kafarsalama. 32Aan de kant van Nikanor sneuvelden ongeveer vijfhonderd soldaten, de overigen vluchtten naar de Davidsburcht.

33

7:33-38
2 Mak. 14:31-36
Na deze gebeurtenissen trok Nikanor op naar de Sion, waar enkele priesters en volksoudsten hem vanuit het heiligdom tegemoet gingen om hem in vrede te begroeten. Ze lieten hem zien dat er voor de koning een brandoffer werd gebracht, 34maar hij bespotte hen en lachte hen uit, spuugde op hen en sprak hoogmoedige taal. 35Hij bezwoer hun woedend: ‘Als Judas en zijn leger dit keer niet in mijn handen vallen, dan laat ik deze tempel in brand steken zodra ik veilig ben teruggekeerd.’ Hevig verontwaardigd ging hij weg. 36De priesters liepen naar binnen, gingen voor het altaar van de tempel staan en baden onder tranen: 37
7:37
1 Kon. 8:29-43
Dan. 9:18
‘U hebt uw naam verbonden aan dit huis, zodat het voor uw volk een huis van gebed en voorbede zou zijn. 38Neem wraak op deze man en op zijn leger. Laat hen vallen door het zwaard. Denk aan hun lasterlijke woorden en laat hen niet langer leven.’

39

7:39-42
2 Mak. 15:20-24
Nikanor trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Choron, waar het Syrische leger zich bij hem aansloot. 40Judas sloeg met drieduizend man zijn kamp op in Adasa, en hij bad: 41
7:41
Jes. 37:36
‘Ooit hebben de boden van een koning u belasterd en hebt u een engel gestuurd om honderdvijfentachtigduizend van zijn mannen neer te slaan. 42Doe vandaag hetzelfde met dit leger en verpletter het voor onze ogen, zodat degenen die overblijven weten dat Nikanor uw heiligdom belasterd heeft. Geef hem zijn verdiende straf.’ 43
7:43-50
2 Mak. 15:25-36
Op 13 adar bonden de twee legers de strijd aan. Het leger van Nikanor werd vernietigend verslagen; hijzelf was de eerste die de dood vond. 44Toen zijn soldaten zagen dat Nikanor gesneuveld was, gooiden ze hun wapens weg en sloegen op de vlucht. 45De Joden achtervolgden hen een dagreis ver, van Adasa tot in Gezer, blazend op trompetten. 46Uit alle omliggende dorpen van Judea schoten mannen te hulp om de voortvluchtigen de pas af te snijden. Ze wisten die terug te dringen tot bij hun achtervolgers, zodat niemand aan hun zwaard ontkwam. 47Ze roofden hun uitrusting en hun proviand, hakten Nikanors hoofd af en zijn rechterarm, die hij nog zo hoogmoedig had opgeheven. Die namen ze mee en hingen ze net buiten Jeruzalem op. 48Het volk was opgetogen en maakte van die dag een grote feestdag. 49Ze besloten het feest ieder jaar op 13 adar te vieren. 50Daarna had Judea korte tijd rust.

8

Verdrag met de Romeinen

81Judas had over de Romeinen horen zeggen dat ze oppermachtig waren, dat ze iedereen die toenadering zocht welwillend bejegenden en met allen die dat wilden een vriendschapsverdrag sloten. 2Dat ze oppermachtig waren bleek uit wat hem verteld werd over hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliërs, die ze overmeesterd hadden en schatplichtig gemaakt. 3Er werd verteld wat ze in Spanje gedaan hadden om zich meester te maken van de zilver- en goudmijnen aldaar; 4hoe ze het hele gebied strategisch en met beleid hadden weten te veroveren – een gebied dat zeer ver van Rome verwijderd was – en ook dat ze de koningen die vanaf de uiteinden van de aarde tegen hen optrokken een vernietigende nederlaag hadden toegebracht en de overlevenden een jaarlijkse belasting hadden opgelegd. 5Filippus en Perseus, de Macedonische vorsten, en alle anderen die tegen hen in opstand waren gekomen, hadden ze in een oorlog vernietigend verslagen en aan zich onderworpen. 6Zelfs Antiochus de Grote van Asia, die toch met honderdtwintig olifanten, paarden en wagens en een zeer groot leger tegen hen was opgetrokken, was door hen verslagen. 7Ze hadden hem levend gevangengenomen en hem en zijn troonopvolgers een hoge belasting opgelegd; bovendien had hij gijzelaars moeten leveren en een deel van zijn gebied moeten afstaan. 8Ze namen hem India, Medië en Lydië af, de mooiste landstreken die hij bezat, en schonken die aan koning Eumenes.

9Toen een plan van de Grieken om hen aan te vallen en uit te roeien 10aan de Romeinen bekend werd, hadden zij slechts één bevelhebber op hen afgestuurd. Ze hadden oorlog gevoerd met de Grieken, velen van hen verwond, hun vrouwen en kinderen gevangengenomen, hun huizen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen neergehaald en hen aan zich onderworpen, tot op de dag van vandaag. 11Ook alle andere koninkrijken en eilanden die zich op enig moment tegen hen hadden verzet, waren door hen verslagen en onderworpen. 12Maar met hun bondgenoten en allen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze onderwierpen de koninkrijken in de buurt en in verre streken, en hun naam boezemde iedereen ontzag in. 13Wie ze wilden helpen om koning te worden, werd ook koning; de koningen die ze kwijt wilden, zetten ze af. Zo stegen ze in macht en aanzien. 14Desondanks had geen van hen de koninklijke hoofdband omgedaan of het purper omgehangen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. 15In plaats daarvan hadden ze voor zichzelf een senaat ingesteld, die dagelijks met driehonderdtwintig man vergaderde en steeds het welzijn van het volk voor ogen hield. 16Ieder jaar vertrouwden ze één man het leiderschap toe, die over hen en het gehele land regeerde, en iedereen gehoorzaamde hem zonder nijd of afgunst.

17

8:17
2 Mak. 4:11
Judas koos Eupolemus, de zoon van Johannes uit de familie van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en stuurde hen naar Rome om met de Romeinen een vriendschapsverdrag te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan. 18De Romeinen zouden hen dan van het juk van de Grieken bevrijden, omdat ze wel zouden inzien dat Israël feitelijk onderworpen was aan het Griekse rijk. 19Ze reisden naar Rome, een bijzonder lange reis, en gingen de senaat binnen met dit verzoek: 20‘Judas Makkabeüs, zijn broers en het Joodse volk hebben ons gestuurd om met u een vredesverbond te sluiten, zodat wij in het vervolg tot uw bondgenoten en vrienden gerekend worden.’ 21Hun verzoek viel in goede aarde. 22
8:22
1 Mak. 14:18
Dit is het afschrift van het verdrag dat ze op bronzen platen lieten graveren en terugstuurden naar Jeruzalem als bewijs van het vredesverbond:

23‘Mogen de Romeinen en het Joodse volk tot in eeuwigheid veel voorspoed kennen, te land en ter zee; mogen zij gespaard blijven voor oorlog en vijandschap. 24Wanneer aan Rome of een van zijn bondgenoten in enig gebied de oorlog wordt verklaard, 25zal het Joodse volk met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 26Zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen geven of verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome. Zij zullen hun verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. 27Omgekeerd zullen de Romeinen, wanneer aan het Joodse volk de oorlog wordt verklaard, met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 28Ook zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome, en hun verplichtingen eerlijk nakomen. 29Op deze voorwaarden hebben de Romeinen en het Joodse volk een verbond gesloten. 30Als een van beide partijen in de toekomst iets wil toevoegen of weglaten, dan zal deze toevoeging of weglating alleen geldig zijn met goedvinden van de wederpartij. 31Over het onrecht dat koning Demetrius de Joden heeft aangedaan, hebben wij hem het volgende geschreven: “Waarom hebt u de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zo’n zwaar juk opgelegd? 32Als zij nog meer aanklachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.”’

9

De dood van Judas

91

9:1
1 Mak. 7:5,8,43
Toen Demetrius hoorde dat Nikanor en zijn leger verslagen waren, stuurde hij Bakchides en Alkimus een tweede maal naar Judea, nu met zijn keurtroepen. 2Ze namen de weg naar Galilea9:2 Galilea – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘Galgala’. en sloegen hun kamp op bij Mesalot in Arbela. Ze veroverden het en doodden een groot aantal mensen. 3In de eerste maand van het jaar 152 sloegen ze hun kamp op bij Jeruzalem. 4Van daaruit trokken ze met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters op naar Berea. 5Judas had met drieduizend geoefende soldaten zijn kamp opgeslagen in Elasa. 6Toen de Joden zagen hoe groot de legermacht van hun tegenstander was, sloeg de schrik hun om het hart. Velen deserteerden, zodat er uiteindelijk maar achthonderd mannen over waren. 7Judas merkte dat zijn leger uiteenviel en twijfelde aan een goede afloop van de strijd. Hij was ten einde raad, want hij wist niet hoe hij zijn soldaten weer samen moest brengen. 8Wanhopig zei hij tegen degenen die nog over waren: ‘Laten we toch maar tegen de vijand ten strijde trekken, er is altijd nog een kans dat we ze verslaan.’ 9Maar zij gingen tegen hem in en zeiden: ‘Dat lukt ons nooit. We kunnen onszelf beter in veiligheid brengen en later samen met onze broeders de strijd met hen aangaan. Nu zijn we met te weinig.’ 10Judas antwoordde: ‘Dat nooit! We slaan zeker niet voor hen op de vlucht. Als onze tijd gekomen is, moeten we moedig voor onze broeders sterven, in plaats van onszelf een slechte naam te bezorgen.’ 11Toen verlieten de vijandelijke troepen hun kamp en stelden zich tegenover het Joodse leger op. Hun ruiterij was in tweeën gesplitst, de slingeraars en boogschutters liepen voor het leger uit, de allerbeste soldaten stonden in de frontlinie. 12
9:12
1 Mak. 4:13
Bakchides bevond zich in de rechterflank. Het voetvolk trok aan twee zijden gedekt en onder trompetgeschal op, en ook de soldaten van Judas bliezen op trompetten. 13De aarde dreunde onder het geweld van de beide legers. De strijd duurde van de vroege ochtend tot de avond. 14Toen Judas zag dat Bakchides zich met de beste troepen in de rechterflank bevond, ging hij daar met zijn dapperste mannen op af. 15Hij deed een verpletterende aanval op de rechterflank en achtervolgde de manschappen tot aan de hellingen van het gebergte van Azotus. 16Toen de soldaten van de linkerflank zagen dat de rechterflank gebroken was, draaiden ze zich om en gingen Judas en zijn mannen achterna. 17Het werd een bittere strijd en aan beide zijden vielen vele gewonden. 18Judas sneuvelde en de anderen vluchtten. 19Jonatan en Simon namen hun broer Judas mee en begroeven hem in het graf van hun voorouders in Modeïn. 20Ze treurden om hem en heel Israël gaf zich over aan diepe rouw. De mensen weeklaagden dagenlang: 21
9:21
2 Sam. 1:27
‘Ach, dat de held heeft kunnen sneuvelen, de redder van Israël.’

22Het merendeel van wat Judas heeft gezegd en gedaan is niet opgeschreven: zijn veldslagen, de manmoedige daden die hij heeft verricht en alles wat verder van zijn grootheid getuigt – het is te veel om op te noemen.

Jonatan

23Na de dood van Judas doken in alle gebieden van Israël weer lieden op die zich niets aan de wet gelegen lieten liggen, alle onruststokers kwamen weer tevoorschijn. 24Toen er ook nog een zware hongersnood uitbrak, sloot de bevolking zich bij hen aan. 25Bakchides stelde enkele van die afvallige mannen aan als regeerders van het land. 26Zij spoorden aanhangers van Judas op en brachten hen voor Bakchides, die hen strafte en bespotte. 27Israël werd onderdrukt zoals sinds de laatste profeet niet meer was gebeurd. 28Daarom verzamelden de aanhangers van Judas zich, en ze zeiden tegen Jonatan: 29‘Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand meer die optrekt tegen onze vijanden, tegen Bakchides of tegen de verraders van ons volk. 30Daarom hebben wij vandaag u gekozen om in zijn plaats onze leider en aanvoerder in de strijd te zijn.’ 31En zo nam Jonatan de leiding op zich als opvolger van zijn broer Judas.

Jonatans eerste overwinning op Bakchides

32Toen Bakchides dit te weten kwam, wilde hij Jonatan doden. 33Jonatan en zijn broer Simon en al hun aanhangers hoorden ervan en vluchtten naar de woestijn van Tekoa. Ze sloegen hun kamp op bij de waterput van Asfar. 34Dit kwam Bakchides weer ter ore en op een sabbat stak hij met heel zijn leger de Jordaan over. 35

9:35
1 Mak. 5:25
Jonatan stuurde zijn broer Johannes aan het hoofd van een grote groep mensen naar bevriende Nabateeërs met het verzoek of ze hun omvangrijke bagage bij hen in bewaring konden geven. 36Maar de Jambrieten rukten vanuit Medeba tegen hen op, overmeesterden Johannes en alles wat hij met zich meevoerde en maakten zich uit de voeten. 37Enige tijd daarna hoorden Jonatan en zijn broer Simon dat de Jambrieten een grote bruiloft gingen vieren. De bruid, een dochter van een van de meest vooraanstaande mannen van Kanaän, zou met een groot gevolg in Nadabat worden opgehaald. 38Met het bloed van hun broer Johannes in gedachten trokken zij op en verborgen zich in een bergspleet. 39Van daaruit zagen ze een rumoerige stoet naderen met een grote vracht bagage. Het waren de bruidegom, zijn vrienden en zijn broers, die onder tromgeroffel en muziek en in volle wapenrusting hun kant op kwamen. 40Jonatan en Simon kwamen uit hun hinderlaag tevoorschijn en richtten een bloedbad aan; er vielen veel gewonden en de overigen vluchtten de bergen in. Al hun bezittingen namen ze in beslag. 41
9:41
Amos 8:10
Zo veranderde het feest in rouwbetoon en de bruidsmuziek in een rouwklacht. 42Het bloed van hun broer was gewroken. Daarna keerden ze terug naar het moerasland van de Jordaan.

43Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij op een sabbat met een groot leger op tot aan de oevers van de Jordaan. 44Jonatan zei tegen zijn mannen: ‘Vooruit! We moeten vechten voor ons leven, want zo slecht als vandaag heeft het er nog nooit voor ons uitgezien: 45we worden van voren en van achteren aangevallen, het water van de Jordaan stroomt aan deze kant en aan die kant liggen moeras en struikgewas, we kunnen nergens heen! 46Smeek de hemel dat jullie uit de handen van de vijand gered mogen worden!’ 47De strijd begon. Jonatan hief zijn arm om Bakchides neer te slaan, maar deze week achteruit. 48Daarop sprongen Jonatan en zijn aanhangers het water in en zwommen naar de overkant. Maar de vijand ging hen niet achterna en stak de Jordaan niet over. 49Die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man. 50Bakchides keerde terug naar Jeruzalem en begon aan de bouw van versterkingen in Judea: de burcht in Jericho en de steden Emmaüs, Bet-Choron, Betel, Timna, Faraton en Tefon werden voorzien van hoge muren en vergrendelbare poorten. 51Hij legerde er garnizoenen om Israël in bedwang te houden. 52Hij versterkte Bet-Sur, Gezer en de citadel, stationeerde er strijdkrachten en sloeg er voedselvoorraden op. 53Ten slotte liet hij de zonen van de leiders van het land gijzelen en opsluiten in de citadel in Jeruzalem.

54

9:54
Ezra 6:14
In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel de muur van de voorhof van het heiligdom neer te halen om zo het werk van de profeten teniet te doen. Men was nog maar net met de afbraak begonnen, 55toen Alkimus werd getroffen door een ziekte en zijn plannen moest laten varen. Zijn spraakvermogen was aangetast, hij was verlamd en hij kon dus geen woord meer uitbrengen, laat staan zijn huis beheren. 56Niet lang daarna stierf hij in hevige pijn. 57Toen Bakchides vernam dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar de koning terug. Daarna had Judea twee jaar rust.

Bakchides voorgoed verdreven

58Alle wettelozen kwamen bijeen om te beraadslagen. Ze zeiden: ‘Jonatan en zijn aanhangers leven rustig en onbezorgd. Wanneer we Bakchides nu laten komen, kan hij hen allemaal in één nacht gevangennemen.’ 59Dit voorstel legden ze aan hem voor, 60waarna Bakchides er met een groot leger op uit trok en in het geheim brieven naar al zijn bondgenoten in Judea stuurde, met de opdracht Jonatan en zijn aanhangers gevangen te nemen. Maar ze slaagden er niet in, want het plan lekte uit 61en ongeveer vijftig van de aanstichters werden gedood. 62Daarna trokken Jonatan en Simon met hun mannen naar Bet-Bassi in de woestijn. Ze bouwden wat verwoest was weer op en versterkten de stad. 63Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij al zijn troepen samen en riep hij ook zijn aanhangers in Judea op. 64Hij rukte uit en sloeg zijn kamp op bij Bet-Bassi, waarna ze de stad dagenlang vanuit stormtorens aanvielen. 65Jonatan liet zijn broer Simon in de stad achter en trok zelf met een aantal mannen de omgeving in. 66Hij viel Odomera en zijn verwanten aan en deed een aanval op de Fasirieten in hun tentenkamp; langzaamaan kregen ze de overhand en namen hun strijdkrachten in aantal toe. 67Simon en zijn mannen deden een uitval vanuit de stad en staken de stormtorens in brand. 68Bakchides werd daarbij vernietigend verslagen, wat een zware tegenslag voor hem betekende, want met het mislukken van deze veldtocht was zijn hele onderneming op niets uitgelopen. 69Hij was razend op de wettelozen die hem hadden overgehaald te komen en liet een groot aantal van hen ter dood brengen. Daarna besloot hij om weer naar zijn eigen land terug te keren. 70Toen Jonatan hiervan hoorde, stuurde hij onderhandelaars naar Bakchides om vrede met hem te sluiten en de krijgsgevangenen uitgeleverd te krijgen. 71Bakchides aanvaardde het vredesaanbod en hield zijn woord. Hij zwoer dat hij hem de rest van zijn leven niet meer tot last zou zijn. 72Ook droeg hij de mensen die hij eerder in Judea krijgsgevangen had gemaakt aan Jonatan over. Daarna keerde hij naar zijn land terug en zette nooit meer een voet over de Judese grens. 73Daarmee kwam een einde aan de oorlog in Judea. Jonatan ging in Michmas wonen. Hij werd rechter over het volk en verdreef de afvalligen uit Israël.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]