Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

De dood van Antiochus Epifanes

61Op zijn tocht door de oostelijke provincies hoorde koning Antiochus dat er in Perzië een stad lag, Elymaïs, die beroemd was om haar schatten van zilver en goud. 2De tempel van die stad was uitzonderlijk rijk; er hingen vergulde helmen, schilden en wapens, daar achtergelaten door Filippus’ zoon koning Alexander, de Macedoniër, de eerste koning van de Grieken. 3Antiochus wilde de stad innemen en plunderen maar slaagde daar niet in, want de inwoners hadden lucht gekregen van zijn voornemen 4en verzetten zich met hand en tand. Hij moest de wijk nemen en aanvaardde diep teleurgesteld de terugtocht naar Babylon. 5Terwijl hij nog in Perzië was, kwam iemand hem vertellen dat de legers die naar Judea waren gegaan op de vlucht waren gejaagd: 6

6:6-7
1 Mak. 4:35-61
dat zelfs Lysias, die met een groot leger was opgetrokken, was teruggedreven, en dat de vijand zich had kunnen versterken met de wapens, het oorlogstuig en de grote buit die ze van de verslagen legers hadden geroofd. 7
6:7
1 Mak. 1:54
Ook werd hem verteld dat de vijand de gruwel op het altaar had neergehaald die hij in Jeruzalem had opgericht, dat de muren om het heiligdom weer waren opgebouwd en dat een van zijn steden, Bet-Sur, was ommuurd. 8Toen de koning dit hoorde, was hij zo verbijsterd en geschokt dat hij zich op zijn bed wierp; hij was ziek van ellende omdat niets was verlopen zoals hij had gewild. 9Dagenlang hield hij het bed, omdat hij steeds weer werd overvallen door diepe wanhoop, en uiteindelijk voelde hij dat hij zou sterven. 10Hij riep al zijn vertrouwelingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik kan niet meer slapen, want ik word verteerd door verdriet. 11Ik blijf me maar afvragen waarom ik in deze poel van ellende terecht ben gekomen. Tijdens mijn bewind ben ik immers mild geweest en was ik geliefd. 12
6:12
1 Mak. 1:20-25
Maar nu herinner ik me de wandaden die ik in Jeruzalem heb begaan: ik heb al het goud en zilver uit de stad geroofd en zonder reden opdracht gegeven de inwoners van Judea uit te roeien. 13Ik besef dat mijn wandaden mij in deze ellende hebben gestort, zodat ik nu in een vreemd land diep ongelukkig moet bezwijken.’ 14Hij ontbood Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over zijn hele rijk. 15Hij gaf hem zijn koninklijke hoofdband, mantel en ring, en droeg hem op zijn zoon Antiochus op te voeden en voor te bereiden op het koningschap. 16Koning Antiochus stierf in Perzië, in het jaar 149. 17
6:17
2 Mak. 10:10
Toen Lysias vernam dat de koning was gestorven, wees hij diens zoon, de minderjarige Antiochus, die hij zelf had opgevoed, als troonopvolger aan. Hij noemde hem Eupator.

Judas belegert de citadel

18

6:18
1 Mak. 1:33-35
De bezetters van de citadel hadden het gebied rondom het heiligdom nog steeds in hun macht. Ze bezorgden de Israëlieten niets dan ellende en werden een vast steunpunt voor de heidenen. 19Judas besloot hen uit de weg te ruimen en riep het hele volk voor de belegering bijeen. 20Ze verzamelden zich, en in het jaar 150 belegerden ze de citadel met behulp van geschutstellingen en stormtorens. 21Enkele mannen wisten, samen met een paar afvallige Israëlieten, uit de belegerde citadel te ontsnappen. 22Ze gingen naar de koning en zeiden: ‘Wanneer geeft u ons eindelijk genoegdoening en wreekt u onze medestanders? 23Wij hebben uw vader bereidwillig gediend, geleefd volgens zijn voorschriften en zijn bevelen opgevolgd. 24Daarom hebben onze volksgenoten de citadel nu juist belegerd en zich van ons afgekeerd. Wie ze maar konden grijpen, hebben ze gedood, en ze hebben onze bezittingen geplunderd. 25En niet alleen ons hebben ze aangevallen, ook alle naburige gebieden. 26
6:26
1 Mak. 4:60-61
En vandaag zijn ze uitgerukt om de citadel in Jeruzalem in te nemen; ze hebben het heiligdom en Bet-Sur versterkt. 27Als u niet snel tegen hen in het geweer komt, zult u niet kunnen voorkomen dat ze nog ergere dingen doen.’

28Toen de koning dat hoorde, werd hij woedend. Hij liet al zijn vertrouwelingen aantreden, de aanvoerders van het voetvolk en de ruiterij, 29en uit andere koninkrijken en van de eilanden kwamen nog huurlegers. 30In totaal bestond zijn leger uit honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en tweeëndertig krijgsolifanten. 31

6:31
2 Mak. 13:19
Ze trokken door Idumea en sloegen hun kamp op bij Bet-Sur. De strijd duurde dagenlang. Ze maakten stormtorens, maar de belegerden braken uit, staken ze in brand en leverden manmoedig strijd. 32Judas trok weg van de citadel en sloeg zijn kamp op bij Bet-Zacharia, tegenover het legerkamp van de koning. 33De volgende ochtend vroeg brak de koning op en verplaatste zijn leger snel over de weg naar Bet-Zacharia, waar de strijdkrachten onder trompetgeschal in slagorde werden opgesteld. 34Ze hielden de olifanten sap van druiven en moerbeien voor om hun strijdlust op te wekken. 35De olifanten werden over de gelederen verdeeld en bij elke olifant werden duizend mannen opgesteld, gepantserd met maliënkolders en bronzen helmen. Ook werden bij elk dier vijfhonderd geoefende ruiters opgesteld. 36Waar de olifant ook stond of ging, de ruiters weken niet van zijn zijde. 37Op elke olifant was met riemen een houten geschutstoren vastgegord, van waaruit vier mannen strijd leverden. De dieren werden gemend door Indiërs. 38De overige ruiters stelde de koning aan de beide flanken van het leger op om verwarring te stichten bij de tegenstander en de eigen gelederen te verdedigen. 39Toen de zon op de gouden en bronzen schilden scheen, schitterden en flikkerden de bergen als brandende fakkels. 40Een deel van het koninklijke leger verspreidde zich hoog in de bergen, een ander deel wat lager. Vastberaden en in goede orde trokken ze op. 41Er ging een siddering door iedereen die het gedreun van de massaal oprukkende soldaten en het gekletter van hun wapens hoorde, zo groot en sterk was dit leger. 42Judas ging met zijn leger tot de aanval over, en zeshonderd soldaten van de koning sneuvelden. 43Eleazar Avaran zag dat een van de olifanten gepantserd was met het koninklijke harnas en dat het dier ook groter was dan de andere. Omdat hij vermoedde dat daar de koning wel op zou zitten, 44offerde hij zijn leven om zijn volk te redden en voor zichzelf eeuwige roem te verwerven. 45Moedig rende hij op de olifant af die zich midden in de slagorde bevond, links en rechts dodelijke slagen uitdelend, zodat de vijand aan beide zijden voor hem achteruit moest wijken. 46Hij dook onder de olifant, stak hem van onderaf en doodde het dier, dat boven op hem ter aarde stortte en hem vermorzelde. 47Maar toen de Joden zagen hoe sterk het leger van de koning was en hoe snel het kon manoeuvreren, trokken ze zich terug.

48De koning ging met een deel van zijn leger op weg naar Jeruzalem om de Joden opnieuw aan te vallen. Hij trok naar Judea en sloeg bij de Sion een kamp op. 49

6:49
Lev. 25:4
Hij sloot vrede met de inwoners van Bet-Sur, die wegtrokken uit de stad omdat zij wegens het sabbatsjaar onvoldoende levensmiddelen hadden om een bezetting te doorstaan. 50De koning nam Bet-Sur in en liet een legereenheid achter om de stad te bewaken. 51Daarna belegerde hij dagenlang het heiligdom met stormtorens en ander oorlogstuig dat hij daar had opgesteld: vuurwerpers, stenenwerpers, katapulten en slingers. 52De Joden maakten zelf ook oorlogstuig om zich te weren, en vele dagen lang leverden ze slag. 53Er was geen voedsel meer in de opslagplaatsen, want het was het zevende jaar, en wat er aan voorraad restte was opgegeten door de Joden die uit de handen van de omringende volken waren gered en naar Judea waren gebracht. 54Er waren in het heiligdom uiteindelijk nog maar weinig mannen, want de honger had de meesten naar hun eigen woonplaats gedreven.

55

6:55-63
2 Mak. 13:23-26
6:55
1 Mak. 6:14
Toen hoorde Lysias dat Filippus, die koning Antiochus vlak voor zijn dood had aangesteld om zijn zoon Antiochus op het koningschap voor te bereiden, 56uit Perzië en Medië was teruggekeerd. Hij had de strijdkrachten die met de koning waren opgetrokken mee teruggenomen en probeerde nu de macht te grijpen. 57
6:57-59
2 Mak. 11:13-14
Onmiddellijk gaf Lysias het bevel tot de aftocht. Hij zei tegen de koning, de legeraanvoerders en de manschappen: ‘We worden met de dag zwakker, de voedselvoorraad raakt op en de plaats die we proberen in te nemen is versterkt. Onze plicht in het koninkrijk roept. 58Laten we daarom om een bestand vragen en vrede sluiten met deze mensen en hun hele volk. 59Laten we hun toestaan om zoals vroeger volgens hun voorschriften te leven, want het was onze afwijzing van hun voorschriften die hun woede heeft opgewekt en hen tot dit verzet heeft aangezet.’ 60Zijn voorstel vond bijval bij de koning en de legeraanvoerders, waarop hij boden naar de Joden zond om vrede met hen te sluiten. De Joden aanvaardden hun aanbod, 61en de koning en de legeraanvoerders bevestigden de vrede met een eed. Daarop trokken de belegeraars van de citadel weg. 62Toen de koning de Sion betrad en zag hoe zwaar die versterkt was, verbrak hij de eed die hij gezworen had en gaf hij bevel de verdedigingsmuur neer te halen. 63Daarna trok hij haastig weg en keerde terug naar Antiochië, waar Filippus de macht had gegrepen. Hij leverde slag met hem en nam de stad met geweld in.

7

Judas verslaat Bakchides en Nikanor

71

7:1-2
2 Mak. 14:1-2
In het jaar 151 vertrok Demetrius, de zoon van Seleukus, uit Rome. Met een paar mannen landde hij in een stad aan de kust, waar hij zichzelf tot koning uitriep. 2Terwijl hij op weg was naar het koninklijk paleis van zijn voorouders, nam het leger Antiochus en Lysias gevangen om hen aan hem uit te leveren. 3Maar toen hij hiervan op de hoogte werd gesteld, zei hij: ‘Ik wil ze nooit meer zien!’ 4Daarop bracht het leger hen ter dood en kon Demetrius de troon van zijn rijk bestijgen. 5Alle wetsverachters en afvalligen uit Israël kwamen naar hem toe. Hun leider was Alkimus, die hogepriester wilde worden. 6Zij brachten bij de koning de volgende beschuldigingen in tegen de andere Joden: ‘Judas en zijn broers hebben al uw vertrouwelingen gedood en ons uit ons land verdreven. 7Laat iemand in wie u vertrouwen hebt de schade opnemen die zij hebben toegebracht aan ons en uw grondgebied. Laat hij Judas en iedereen die hem geholpen heeft straffen.’ 8De koning koos Bakchides, een van zijn vertrouwelingen, die een gebied ten westen van de Eufraat bestuurde. Hij was een man van aanzien, en trouw aan de koning. 9Samen met de afvallige Alkimus, die als hogepriester was aangesteld, werd hij eropuit gestuurd om de Israëlieten te straffen. 10Met een groot leger trokken ze op naar Judea. Bakchides stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven. 11Maar die gingen er niet op in omdat ze hadden gezien dat ze met een groot leger waren gekomen. 12Wel ging een groep schriftgeleerden naar Alkimus en Bakchides om de vredesvoorwaarden te bespreken. 13De chasideeën waren de eersten onder de Israëlieten die hun om vrede verzochten. 14Ze dachten: Met het leger is een priester uit het geslacht van Aäron meegekomen; hij zal ons zeker geen onrecht aandoen. 15Inderdaad stond Alkimus hen vriendelijk te woord, en hij bezwoer hun: ‘Wij zijn niet van plan u en uw vrienden kwaad te berokkenen.’ 16Ze geloofden hem, maar hij liet zestig van hen gevangennemen en nog dezelfde dag ter dood brengen, precies zoals geschreven staat: 17
7:17
Ps. 79:2-3
‘Ze hebben de lijken van uw heiligen laten liggen en hun bloed overal rond Jeruzalem vergoten, en er was niemand om hen te begraven.’ 18Heel het volk werd door angst bevangen, en de mensen zeiden: ‘Het zijn leugenaars die niet weten wat rechtvaardigheid is; ze hebben hun belofte geschonden, ondanks de eed die ze gezworen hebben.’ 19Bakchides trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Zait. Van daaruit liet hij enkele mannen uit het volk gevangennemen, en zelfs een flink aantal verraders die zich vrijwillig bij hem hadden aangesloten. Hij liet hen bij de grote waterput afslachten. 20Hij droeg het bestuur van het land over aan Alkimus en liet ter ondersteuning een legereenheid bij hem achter. Daarna keerde Bakchides terug naar de koning.

21Alkimus probeerde uit alle macht zijn hogepriesterschap erkend te krijgen. 22Alle onrustzaaiers onder het volk sloten zich bij hem aan; ze grepen de macht in Judea en brachten Israël een zware slag toe. 23Judas zag dat het kwaad dat Alkimus en zijn aanhangers de Israëlieten berokkenden nog veel erger was dan wat de omringende volken hun aandeden. 24Hij trok door alle streken van Judea om wraak te nemen op de overlopers en hij belette hun terug te keren naar hun land. 25Algauw zag Alkimus in dat Judas en zijn aanhangers zo sterk waren geworden dat hij geen tegenstand kon bieden, en daarom keerde hij terug naar de koning en bracht zware beschuldigingen tegen hen in.

26

7:26
1 Mak. 3:38
2 Mak. 14:12-14
Toen zond de koning een van zijn beruchtste bevelhebbers, Nikanor, die Israël haatte en verachtte, met als opdracht het volk uit te roeien. 27
7:27
2 Mak. 14:15-24
Nikanor trok met een groot leger naar Jeruzalem en stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven: 28‘Ik wil geen oorlog met u; ik kom met maar weinig mannen, want ik wil u in vrede ontmoeten.’ 29
7:29
2 Mak. 14:30
Hij ging zelf ook naar Judas, en zij begroetten elkaar vriendelijk, maar de vijand stond al klaar om Judas gevangen te nemen. 30Toen Judas erachter kwam dat Nikanor met boos opzet bij hem was gekomen, werd hij bang voor hem en weigerde hem nogmaals te ontmoeten. 31Nikanor begreep dat zijn plan was doorzien en hij trok ten strijde tegen Judas ter hoogte van Kafarsalama. 32Aan de kant van Nikanor sneuvelden ongeveer vijfhonderd soldaten, de overigen vluchtten naar de Davidsburcht.

33

7:33-38
2 Mak. 14:31-36
Na deze gebeurtenissen trok Nikanor op naar de Sion, waar enkele priesters en volksoudsten hem vanuit het heiligdom tegemoet gingen om hem in vrede te begroeten. Ze lieten hem zien dat er voor de koning een brandoffer werd gebracht, 34maar hij bespotte hen en lachte hen uit, spuugde op hen en sprak hoogmoedige taal. 35Hij bezwoer hun woedend: ‘Als Judas en zijn leger dit keer niet in mijn handen vallen, dan laat ik deze tempel in brand steken zodra ik veilig ben teruggekeerd.’ Hevig verontwaardigd ging hij weg. 36De priesters liepen naar binnen, gingen voor het altaar van de tempel staan en baden onder tranen: 37
7:37
1 Kon. 8:29-43
Dan. 9:18
‘U hebt uw naam verbonden aan dit huis, zodat het voor uw volk een huis van gebed en voorbede zou zijn. 38Neem wraak op deze man en op zijn leger. Laat hen vallen door het zwaard. Denk aan hun lasterlijke woorden en laat hen niet langer leven.’

39

7:39-42
2 Mak. 15:20-24
Nikanor trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Choron, waar het Syrische leger zich bij hem aansloot. 40Judas sloeg met drieduizend man zijn kamp op in Adasa, en hij bad: 41
7:41
Jes. 37:36
‘Ooit hebben de boden van een koning u belasterd en hebt u een engel gestuurd om honderdvijfentachtigduizend van zijn mannen neer te slaan. 42Doe vandaag hetzelfde met dit leger en verpletter het voor onze ogen, zodat degenen die overblijven weten dat Nikanor uw heiligdom belasterd heeft. Geef hem zijn verdiende straf.’ 43
7:43-50
2 Mak. 15:25-36
Op 13 adar bonden de twee legers de strijd aan. Het leger van Nikanor werd vernietigend verslagen; hijzelf was de eerste die de dood vond. 44Toen zijn soldaten zagen dat Nikanor gesneuveld was, gooiden ze hun wapens weg en sloegen op de vlucht. 45De Joden achtervolgden hen een dagreis ver, van Adasa tot in Gezer, blazend op trompetten. 46Uit alle omliggende dorpen van Judea schoten mannen te hulp om de voortvluchtigen de pas af te snijden. Ze wisten die terug te dringen tot bij hun achtervolgers, zodat niemand aan hun zwaard ontkwam. 47Ze roofden hun uitrusting en hun proviand, hakten Nikanors hoofd af en zijn rechterarm, die hij nog zo hoogmoedig had opgeheven. Die namen ze mee en hingen ze net buiten Jeruzalem op. 48Het volk was opgetogen en maakte van die dag een grote feestdag. 49Ze besloten het feest ieder jaar op 13 adar te vieren. 50Daarna had Judea korte tijd rust.

8

Verdrag met de Romeinen

81Judas had over de Romeinen horen zeggen dat ze oppermachtig waren, dat ze iedereen die toenadering zocht welwillend bejegenden en met allen die dat wilden een vriendschapsverdrag sloten. 2Dat ze oppermachtig waren bleek uit wat hem verteld werd over hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliërs, die ze overmeesterd hadden en schatplichtig gemaakt. 3Er werd verteld wat ze in Spanje gedaan hadden om zich meester te maken van de zilver- en goudmijnen aldaar; 4hoe ze het hele gebied strategisch en met beleid hadden weten te veroveren – een gebied dat zeer ver van Rome verwijderd was – en ook dat ze de koningen die vanaf de uiteinden van de aarde tegen hen optrokken een vernietigende nederlaag hadden toegebracht en de overlevenden een jaarlijkse belasting hadden opgelegd. 5Filippus en Perseus, de Macedonische vorsten, en alle anderen die tegen hen in opstand waren gekomen, hadden ze in een oorlog vernietigend verslagen en aan zich onderworpen. 6Zelfs Antiochus de Grote van Asia, die toch met honderdtwintig olifanten, paarden en wagens en een zeer groot leger tegen hen was opgetrokken, was door hen verslagen. 7Ze hadden hem levend gevangengenomen en hem en zijn troonopvolgers een hoge belasting opgelegd; bovendien had hij gijzelaars moeten leveren en een deel van zijn gebied moeten afstaan. 8Ze namen hem India, Medië en Lydië af, de mooiste landstreken die hij bezat, en schonken die aan koning Eumenes.

9Toen een plan van de Grieken om hen aan te vallen en uit te roeien 10aan de Romeinen bekend werd, hadden zij slechts één bevelhebber op hen afgestuurd. Ze hadden oorlog gevoerd met de Grieken, velen van hen verwond, hun vrouwen en kinderen gevangengenomen, hun huizen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen neergehaald en hen aan zich onderworpen, tot op de dag van vandaag. 11Ook alle andere koninkrijken en eilanden die zich op enig moment tegen hen hadden verzet, waren door hen verslagen en onderworpen. 12Maar met hun bondgenoten en allen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze onderwierpen de koninkrijken in de buurt en in verre streken, en hun naam boezemde iedereen ontzag in. 13Wie ze wilden helpen om koning te worden, werd ook koning; de koningen die ze kwijt wilden, zetten ze af. Zo stegen ze in macht en aanzien. 14Desondanks had geen van hen de koninklijke hoofdband omgedaan of het purper omgehangen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. 15In plaats daarvan hadden ze voor zichzelf een senaat ingesteld, die dagelijks met driehonderdtwintig man vergaderde en steeds het welzijn van het volk voor ogen hield. 16Ieder jaar vertrouwden ze één man het leiderschap toe, die over hen en het gehele land regeerde, en iedereen gehoorzaamde hem zonder nijd of afgunst.

17

8:17
2 Mak. 4:11
Judas koos Eupolemus, de zoon van Johannes uit de familie van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en stuurde hen naar Rome om met de Romeinen een vriendschapsverdrag te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan. 18De Romeinen zouden hen dan van het juk van de Grieken bevrijden, omdat ze wel zouden inzien dat Israël feitelijk onderworpen was aan het Griekse rijk. 19Ze reisden naar Rome, een bijzonder lange reis, en gingen de senaat binnen met dit verzoek: 20‘Judas Makkabeüs, zijn broers en het Joodse volk hebben ons gestuurd om met u een vredesverbond te sluiten, zodat wij in het vervolg tot uw bondgenoten en vrienden gerekend worden.’ 21Hun verzoek viel in goede aarde. 22
8:22
1 Mak. 14:18
Dit is het afschrift van het verdrag dat ze op bronzen platen lieten graveren en terugstuurden naar Jeruzalem als bewijs van het vredesverbond:

23‘Mogen de Romeinen en het Joodse volk tot in eeuwigheid veel voorspoed kennen, te land en ter zee; mogen zij gespaard blijven voor oorlog en vijandschap. 24Wanneer aan Rome of een van zijn bondgenoten in enig gebied de oorlog wordt verklaard, 25zal het Joodse volk met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 26Zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen geven of verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome. Zij zullen hun verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. 27Omgekeerd zullen de Romeinen, wanneer aan het Joodse volk de oorlog wordt verklaard, met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 28Ook zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome, en hun verplichtingen eerlijk nakomen. 29Op deze voorwaarden hebben de Romeinen en het Joodse volk een verbond gesloten. 30Als een van beide partijen in de toekomst iets wil toevoegen of weglaten, dan zal deze toevoeging of weglating alleen geldig zijn met goedvinden van de wederpartij. 31Over het onrecht dat koning Demetrius de Joden heeft aangedaan, hebben wij hem het volgende geschreven: “Waarom hebt u de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zo’n zwaar juk opgelegd? 32Als zij nog meer aanklachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.”’