Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Judas verslaat omringende volken

51

5:1-8
1 Mak. 10:15-23
Toen de omringende volken hoorden dat het altaar herbouwd was en het heiligdom in de oude staat was teruggebracht, werden ze woedend. 2Ze besloten om de nakomelingen van Jakob die in hun midden woonden uit te roeien, en begonnen dood en verderf te zaaien onder het volk. 3Judas trok op tegen de nakomelingen van Esau in Idumea, omdat ze een blokkade tegen de Israëlieten hadden opgeworpen, en viel Akrabattene aan. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, dwong hen op de knieën en plunderde de stad. 4Hij rekende af met de Beonieten, die met hun valkuilen en versperringen de Israëlieten voortdurend in hinderlagen lokten. 5Hij sloot hen in hun torens op, waarna hij een beleg rond hen sloeg, een vloek over hen uitriep en de torens met iedereen erin in brand stak. 6Daarna trok hij nog op tegen de Ammonieten. Hij vond een sterke en grote strijdmacht tegenover zich, aangevoerd door Timoteüs. 7Na vele gevechten wist hij hun macht uiteindelijk te breken en kon hij hen verslaan. 8Nadat hij Jazer met de omliggende dorpen veroverd had, keerde hij terug naar Judea.

9De volken in Gilead bundelden hun krachten om de Israëlieten die in hun gebied woonden te vernietigen. Die namen de wijk naar de vesting van Datema 10en stuurden van daaruit de volgende brief naar Judas en zijn broers:

‘De volken om ons heen hebben hun krachten gebundeld om ons te vernietigen. 11Ze staan op het punt om de vesting waar wij onze toevlucht hebben gezocht te veroveren; Timoteüs is de aanvoerder van hun troepen. 12Kom daarom meteen en red ons, want velen van ons zijn al gesneuveld. 13In het gebied van Tobia zijn al onze broeders, ongeveer duizend man, gedood, hun vrouwen en kinderen zijn gevangengenomen en hun bezittingen buitgemaakt.’

14Judas en zijn mannen hadden de brief nog niet gelezen, of er kwamen boden uit Galilea. Zij hadden hun kleren gescheurd en berichtten hun 15dat Ptolemaïs, Tyrus, Sidon en heel het heidense Galilea hun krachten hadden gebundeld om de Joden volledig uit te roeien. 16Toen ze dit bericht hoorden, riepen ze een grote vergadering bijeen om te beraadslagen wat ze voor hun verdrukte en belaagde broeders konden doen. 17Judas zei tegen zijn broer Simon: ‘Neem zo veel mannen mee als je nodig hebt en bevrijd je broeders in Galilea. Ik zal met onze broer Jonatan naar Gilead gaan.’ 18Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias liet hij achter als leiders van het volk, samen met de rest van het leger, dat Judea moest beschermen. 19Hij droeg hun op: ‘Het volk staat onder jullie bevel. Maar begin geen oorlog met de vijand voordat wij zijn teruggekeerd.’ 20Simon kreeg drieduizend man toegewezen voor zijn tocht naar Galilea, en Judas kreeg achtduizend man voor de veldtocht naar Gilead.

21Simon trok dus op naar Galilea. Na vele gevechten wist hij de macht van de vreemde volken te breken. 22Hij achtervolgde ze tot aan de poort van Ptolemaïs. Aan de kant van de vijand sneuvelden ongeveer drieduizend mannen; hun wapenrusting maakte hij buit. 23Hij bevrijdde de Joden uit Galilea en Arbatta met hun vrouwen en kinderen en bracht hen met al hun bezittingen onder luid gejuich naar Judea. 24

5:24-54
2 Mak. 12:10-31
Intussen waren Judas Makkabeüs en zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken en drie dagen door de woestijn getrokken. 25Daar stuitten ze op een groep Nabateeërs die hun vriendelijk tegemoet traden en vertelden in welke omstandigheden de Joden in Gilead verkeerden: 26‘Velen van hen zijn ingesloten in de grote vestingsteden Bosorra, Bozor, Alema, Chasfo, Maked en Karnaïn, 27en ook in andere steden in Gilead zitten Joden ingesloten. Er worden voorbereidingen getroffen om deze vestingen morgen aan te vallen en in te nemen en de Joden allemaal diezelfde dag nog te vernietigen.’ 28Hierop keerde Judas met zijn leger door de woestijn terug naar Bosra. Hij veroverde de stad, doodde alle mannen, plunderde de huizen en stak de stad in brand. 29’s Nachts vertrok hij van daar en reisde naar de vesting van Datema. 30Vroeg in de ochtend zagen ze een enorme menigte die de aanval opende en met ladders en stormtorens de vesting probeerde te veroveren. 31Judas begreep dat de strijd begonnen was. Uit de stad steeg luid geschreeuw en geroep ten hemel en er klonk trompetgeschal. 32Hij riep zijn mannen toe: ‘Strijd vandaag voor ons volk!’ 33En in drie afdelingen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de vijand in de rug aan. 34Zodra de strijders van Timoteüs in de gaten kregen dat ze met de Makkabeeër van doen hadden, sloegen ze op de vlucht. Judas bracht hun een zware nederlaag toe; er sneuvelden die dag bijna achtduizend man. 35Daarna boog Judas af naar Maäfa.5:35 Maäfa – Andere handschriften lezen: ‘Alema’, ‘Masala’, ‘Mella’, ‘Salema’ of ‘Lema’. Hij deed een aanval op de stad, nam haar in en doodde alle mannelijke inwoners. Hij plunderde de stad en stak haar in brand. 36Van daar trok hij verder en veroverde Chasfo, Maked, Bozor en de overige steden van Gilead. 37Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een ander leger op de been en sloeg hij zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overzijde van de wadi. 38Judas zond verkenners uit om het kamp te bespieden. Zij meldden hem het volgende: ‘Hij beschikt over een reusachtige legermacht, want alle volken uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten, 39en hij heeft ook nog Arabische troepen gehuurd. Zij hebben hun kamp opgeslagen aan de overkant en staan klaar om u aan te vallen.’ Judas trok op, de strijd tegemoet, 40
5:40-41
1 Sam. 14:9-10
en naderde de wadi, die vol water stond. Timoteüs zei tegen zijn legeraanvoerders: ‘Wanneer hij als eerste oversteekt kunnen we niets tegen hem beginnen, dan zal hij zeker sterker zijn dan wij. 41Maar als hij laf is en aan de overkant blijft, dan steken wij over en zijn wij sterker dan hij.’ 42Bij de wadi aangekomen stelde Judas soldaat-schrijvers aan de oever op en gaf hun dit bevel: ‘Zorg ervoor dat niemand in het kamp achterblijft en dat iedereen zich in de strijd werpt.’ 43Zelf stak hij als eerste over, en alle manschappen volgden hem. De heidenen werden vernietigend verslagen, ze gooiden hun wapens weg en vluchtten naar het heiligdom van Karnaïn. 44Maar de Joden veroverden de stad en staken het heiligdom met iedereen erin in brand. Zo werd Karnaïn verslagen, en er was niemand die Judas nog weerstand kon bieden.

45Judas bracht alle Israëlieten bijeen die in Gilead woonden, van jong tot oud, met hun vrouwen, kinderen en hun bezittingen, een enorme mensenmenigte, om op weg te gaan naar Judea. 46

5:46-51
2 Mak. 12:27-28
Ze trokken tot aan Efron, een grote, zwaar versterkte stad die op hun weg lag. Het was niet mogelijk links of rechts om de stad heen te trekken, ze moesten er dwars doorheen. 47De inwoners van de stad sloten de weg voor hen af en blokkeerden de poorten met stenen. 48
5:48
Num. 20:14-17
Deut. 21:21-22
Judas zond boden naar hen toe met een vreedzame boodschap: ‘Laat ons door jullie gebied trekken om naar ons land te gaan. Niemand zal jullie kwaad doen, we willen alleen te voet door de stad trekken.’ Maar ze openden de poorten niet. 49Toen liet Judas in het legerkamp omroepen dat iedereen op de plaats waar hij was zijn stelling moest innemen. 50De mannen stelden zich op en bestookten de stad de hele dag en de hele nacht, totdat ze haar in handen hadden. 51Judas doodde alle mannen, maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken heen door de stad. 52Hij stak de Jordaan over naar de grote vlakte bij Bet-San. 53Hij zorgde ervoor dat de achterblijvers niet verder achterop raakten en sprak het volk gedurende de hele weg moed in, totdat ze Judea bereikten. 54Daar bestegen ze vol blijdschap en vreugde de Sion en brachten er brandoffers, omdat ze niemand hadden verloren en iedereen veilig was teruggekeerd.

55In de tijd dat Judas en Jonatan in Gilead waren en hun broer Simon in Galilea, in de buurt van Ptolemaïs, 56hoorden de legeraanvoerders Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias van hun heldendaden en de veldslagen die ze hadden geleverd. 57Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten wij ook proberen beroemd te worden en optrekken tegen de volken om ons heen.’ 58En ze gaven hun leger bevel op te trekken naar Jamnia. 59Maar Gorgias en zijn mannen kwamen hun vanuit de stad tegemoet om strijd te leveren. 60Josefus en Azarias werden op de vlucht gejaagd en tot aan de grens van Judea achtervolgd. Er vielen die dag bijna tweeduizend Israëlieten. 61Deze zware tegenslag trof het volk, doordat de legerleiders niet naar Judas en zijn broers geluisterd hadden maar gemeend hadden heldendaden te moeten verrichten. 62Bovendien behoorden ze niet tot het geslacht mannen aan wie het gegeven was Israël te redden.

63De heldhaftige Judas en zijn broers werden geëerd in heel Israël en door alle volken bij wie hun naam bekend werd. 64Van alle kanten kwam men hun eer bewijzen. 65Judas en zijn broers trokken opnieuw naar het zuiden om slag te leveren met de nakomelingen van Esau. Hij veroverde Hebron en de omliggende dorpen, haalde de vestingmuren neer en stak de torens rond de stad in brand. 66Hij brak op om naar het land van de Filistijnen te gaan en trok door Maresa. 67Die dag sneuvelden er priesters die heldendaden wilden verrichten en ondoordacht ten strijde waren getrokken. 68Vervolgens boog Judas af naar Azotus in het land van de Filistijnen. Hij haalde hun altaren neer, stak hun godenbeelden in brand, plunderde steden en keerde terug naar Judea.

6

De dood van Antiochus Epifanes

61Op zijn tocht door de oostelijke provincies hoorde koning Antiochus dat er in Perzië een stad lag, Elymaïs, die beroemd was om haar schatten van zilver en goud. 2De tempel van die stad was uitzonderlijk rijk; er hingen vergulde helmen, schilden en wapens, daar achtergelaten door Filippus’ zoon koning Alexander, de Macedoniër, de eerste koning van de Grieken. 3Antiochus wilde de stad innemen en plunderen maar slaagde daar niet in, want de inwoners hadden lucht gekregen van zijn voornemen 4en verzetten zich met hand en tand. Hij moest de wijk nemen en aanvaardde diep teleurgesteld de terugtocht naar Babylon. 5Terwijl hij nog in Perzië was, kwam iemand hem vertellen dat de legers die naar Judea waren gegaan op de vlucht waren gejaagd: 6

6:6-7
1 Mak. 4:35-61
dat zelfs Lysias, die met een groot leger was opgetrokken, was teruggedreven, en dat de vijand zich had kunnen versterken met de wapens, het oorlogstuig en de grote buit die ze van de verslagen legers hadden geroofd. 7
6:7
1 Mak. 1:54
Ook werd hem verteld dat de vijand de gruwel op het altaar had neergehaald die hij in Jeruzalem had opgericht, dat de muren om het heiligdom weer waren opgebouwd en dat een van zijn steden, Bet-Sur, was ommuurd. 8Toen de koning dit hoorde, was hij zo verbijsterd en geschokt dat hij zich op zijn bed wierp; hij was ziek van ellende omdat niets was verlopen zoals hij had gewild. 9Dagenlang hield hij het bed, omdat hij steeds weer werd overvallen door diepe wanhoop, en uiteindelijk voelde hij dat hij zou sterven. 10Hij riep al zijn vertrouwelingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik kan niet meer slapen, want ik word verteerd door verdriet. 11Ik blijf me maar afvragen waarom ik in deze poel van ellende terecht ben gekomen. Tijdens mijn bewind ben ik immers mild geweest en was ik geliefd. 12
6:12
1 Mak. 1:20-25
Maar nu herinner ik me de wandaden die ik in Jeruzalem heb begaan: ik heb al het goud en zilver uit de stad geroofd en zonder reden opdracht gegeven de inwoners van Judea uit te roeien. 13Ik besef dat mijn wandaden mij in deze ellende hebben gestort, zodat ik nu in een vreemd land diep ongelukkig moet bezwijken.’ 14Hij ontbood Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over zijn hele rijk. 15Hij gaf hem zijn koninklijke hoofdband, mantel en ring, en droeg hem op zijn zoon Antiochus op te voeden en voor te bereiden op het koningschap. 16Koning Antiochus stierf in Perzië, in het jaar 149. 17
6:17
2 Mak. 10:10
Toen Lysias vernam dat de koning was gestorven, wees hij diens zoon, de minderjarige Antiochus, die hij zelf had opgevoed, als troonopvolger aan. Hij noemde hem Eupator.

Judas belegert de citadel

18

6:18
1 Mak. 1:33-35
De bezetters van de citadel hadden het gebied rondom het heiligdom nog steeds in hun macht. Ze bezorgden de Israëlieten niets dan ellende en werden een vast steunpunt voor de heidenen. 19Judas besloot hen uit de weg te ruimen en riep het hele volk voor de belegering bijeen. 20Ze verzamelden zich, en in het jaar 150 belegerden ze de citadel met behulp van geschutstellingen en stormtorens. 21Enkele mannen wisten, samen met een paar afvallige Israëlieten, uit de belegerde citadel te ontsnappen. 22Ze gingen naar de koning en zeiden: ‘Wanneer geeft u ons eindelijk genoegdoening en wreekt u onze medestanders? 23Wij hebben uw vader bereidwillig gediend, geleefd volgens zijn voorschriften en zijn bevelen opgevolgd. 24Daarom hebben onze volksgenoten de citadel nu juist belegerd en zich van ons afgekeerd. Wie ze maar konden grijpen, hebben ze gedood, en ze hebben onze bezittingen geplunderd. 25En niet alleen ons hebben ze aangevallen, ook alle naburige gebieden. 26
6:26
1 Mak. 4:60-61
En vandaag zijn ze uitgerukt om de citadel in Jeruzalem in te nemen; ze hebben het heiligdom en Bet-Sur versterkt. 27Als u niet snel tegen hen in het geweer komt, zult u niet kunnen voorkomen dat ze nog ergere dingen doen.’

28Toen de koning dat hoorde, werd hij woedend. Hij liet al zijn vertrouwelingen aantreden, de aanvoerders van het voetvolk en de ruiterij, 29en uit andere koninkrijken en van de eilanden kwamen nog huurlegers. 30In totaal bestond zijn leger uit honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en tweeëndertig krijgsolifanten. 31

6:31
2 Mak. 13:19
Ze trokken door Idumea en sloegen hun kamp op bij Bet-Sur. De strijd duurde dagenlang. Ze maakten stormtorens, maar de belegerden braken uit, staken ze in brand en leverden manmoedig strijd. 32Judas trok weg van de citadel en sloeg zijn kamp op bij Bet-Zacharia, tegenover het legerkamp van de koning. 33De volgende ochtend vroeg brak de koning op en verplaatste zijn leger snel over de weg naar Bet-Zacharia, waar de strijdkrachten onder trompetgeschal in slagorde werden opgesteld. 34Ze hielden de olifanten sap van druiven en moerbeien voor om hun strijdlust op te wekken. 35De olifanten werden over de gelederen verdeeld en bij elke olifant werden duizend mannen opgesteld, gepantserd met maliënkolders en bronzen helmen. Ook werden bij elk dier vijfhonderd geoefende ruiters opgesteld. 36Waar de olifant ook stond of ging, de ruiters weken niet van zijn zijde. 37Op elke olifant was met riemen een houten geschutstoren vastgegord, van waaruit vier mannen strijd leverden. De dieren werden gemend door Indiërs. 38De overige ruiters stelde de koning aan de beide flanken van het leger op om verwarring te stichten bij de tegenstander en de eigen gelederen te verdedigen. 39Toen de zon op de gouden en bronzen schilden scheen, schitterden en flikkerden de bergen als brandende fakkels. 40Een deel van het koninklijke leger verspreidde zich hoog in de bergen, een ander deel wat lager. Vastberaden en in goede orde trokken ze op. 41Er ging een siddering door iedereen die het gedreun van de massaal oprukkende soldaten en het gekletter van hun wapens hoorde, zo groot en sterk was dit leger. 42Judas ging met zijn leger tot de aanval over, en zeshonderd soldaten van de koning sneuvelden. 43Eleazar Avaran zag dat een van de olifanten gepantserd was met het koninklijke harnas en dat het dier ook groter was dan de andere. Omdat hij vermoedde dat daar de koning wel op zou zitten, 44offerde hij zijn leven om zijn volk te redden en voor zichzelf eeuwige roem te verwerven. 45Moedig rende hij op de olifant af die zich midden in de slagorde bevond, links en rechts dodelijke slagen uitdelend, zodat de vijand aan beide zijden voor hem achteruit moest wijken. 46Hij dook onder de olifant, stak hem van onderaf en doodde het dier, dat boven op hem ter aarde stortte en hem vermorzelde. 47Maar toen de Joden zagen hoe sterk het leger van de koning was en hoe snel het kon manoeuvreren, trokken ze zich terug.

48De koning ging met een deel van zijn leger op weg naar Jeruzalem om de Joden opnieuw aan te vallen. Hij trok naar Judea en sloeg bij de Sion een kamp op. 49

6:49
Lev. 25:4
Hij sloot vrede met de inwoners van Bet-Sur, die wegtrokken uit de stad omdat zij wegens het sabbatsjaar onvoldoende levensmiddelen hadden om een bezetting te doorstaan. 50De koning nam Bet-Sur in en liet een legereenheid achter om de stad te bewaken. 51Daarna belegerde hij dagenlang het heiligdom met stormtorens en ander oorlogstuig dat hij daar had opgesteld: vuurwerpers, stenenwerpers, katapulten en slingers. 52De Joden maakten zelf ook oorlogstuig om zich te weren, en vele dagen lang leverden ze slag. 53Er was geen voedsel meer in de opslagplaatsen, want het was het zevende jaar, en wat er aan voorraad restte was opgegeten door de Joden die uit de handen van de omringende volken waren gered en naar Judea waren gebracht. 54Er waren in het heiligdom uiteindelijk nog maar weinig mannen, want de honger had de meesten naar hun eigen woonplaats gedreven.

55

6:55-63
2 Mak. 13:23-26
6:55
1 Mak. 6:14
Toen hoorde Lysias dat Filippus, die koning Antiochus vlak voor zijn dood had aangesteld om zijn zoon Antiochus op het koningschap voor te bereiden, 56uit Perzië en Medië was teruggekeerd. Hij had de strijdkrachten die met de koning waren opgetrokken mee teruggenomen en probeerde nu de macht te grijpen. 57
6:57-59
2 Mak. 11:13-14
Onmiddellijk gaf Lysias het bevel tot de aftocht. Hij zei tegen de koning, de legeraanvoerders en de manschappen: ‘We worden met de dag zwakker, de voedselvoorraad raakt op en de plaats die we proberen in te nemen is versterkt. Onze plicht in het koninkrijk roept. 58Laten we daarom om een bestand vragen en vrede sluiten met deze mensen en hun hele volk. 59Laten we hun toestaan om zoals vroeger volgens hun voorschriften te leven, want het was onze afwijzing van hun voorschriften die hun woede heeft opgewekt en hen tot dit verzet heeft aangezet.’ 60Zijn voorstel vond bijval bij de koning en de legeraanvoerders, waarop hij boden naar de Joden zond om vrede met hen te sluiten. De Joden aanvaardden hun aanbod, 61en de koning en de legeraanvoerders bevestigden de vrede met een eed. Daarop trokken de belegeraars van de citadel weg. 62Toen de koning de Sion betrad en zag hoe zwaar die versterkt was, verbrak hij de eed die hij gezworen had en gaf hij bevel de verdedigingsmuur neer te halen. 63Daarna trok hij haastig weg en keerde terug naar Antiochië, waar Filippus de macht had gegrepen. Hij leverde slag met hem en nam de stad met geweld in.

7

Judas verslaat Bakchides en Nikanor

71

7:1-2
2 Mak. 14:1-2
In het jaar 151 vertrok Demetrius, de zoon van Seleukus, uit Rome. Met een paar mannen landde hij in een stad aan de kust, waar hij zichzelf tot koning uitriep. 2Terwijl hij op weg was naar het koninklijk paleis van zijn voorouders, nam het leger Antiochus en Lysias gevangen om hen aan hem uit te leveren. 3Maar toen hij hiervan op de hoogte werd gesteld, zei hij: ‘Ik wil ze nooit meer zien!’ 4Daarop bracht het leger hen ter dood en kon Demetrius de troon van zijn rijk bestijgen. 5Alle wetsverachters en afvalligen uit Israël kwamen naar hem toe. Hun leider was Alkimus, die hogepriester wilde worden. 6Zij brachten bij de koning de volgende beschuldigingen in tegen de andere Joden: ‘Judas en zijn broers hebben al uw vertrouwelingen gedood en ons uit ons land verdreven. 7Laat iemand in wie u vertrouwen hebt de schade opnemen die zij hebben toegebracht aan ons en uw grondgebied. Laat hij Judas en iedereen die hem geholpen heeft straffen.’ 8De koning koos Bakchides, een van zijn vertrouwelingen, die een gebied ten westen van de Eufraat bestuurde. Hij was een man van aanzien, en trouw aan de koning. 9Samen met de afvallige Alkimus, die als hogepriester was aangesteld, werd hij eropuit gestuurd om de Israëlieten te straffen. 10Met een groot leger trokken ze op naar Judea. Bakchides stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven. 11Maar die gingen er niet op in omdat ze hadden gezien dat ze met een groot leger waren gekomen. 12Wel ging een groep schriftgeleerden naar Alkimus en Bakchides om de vredesvoorwaarden te bespreken. 13De chasideeën waren de eersten onder de Israëlieten die hun om vrede verzochten. 14Ze dachten: Met het leger is een priester uit het geslacht van Aäron meegekomen; hij zal ons zeker geen onrecht aandoen. 15Inderdaad stond Alkimus hen vriendelijk te woord, en hij bezwoer hun: ‘Wij zijn niet van plan u en uw vrienden kwaad te berokkenen.’ 16Ze geloofden hem, maar hij liet zestig van hen gevangennemen en nog dezelfde dag ter dood brengen, precies zoals geschreven staat: 17
7:17
Ps. 79:2-3
‘Ze hebben de lijken van uw heiligen laten liggen en hun bloed overal rond Jeruzalem vergoten, en er was niemand om hen te begraven.’ 18Heel het volk werd door angst bevangen, en de mensen zeiden: ‘Het zijn leugenaars die niet weten wat rechtvaardigheid is; ze hebben hun belofte geschonden, ondanks de eed die ze gezworen hebben.’ 19Bakchides trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Zait. Van daaruit liet hij enkele mannen uit het volk gevangennemen, en zelfs een flink aantal verraders die zich vrijwillig bij hem hadden aangesloten. Hij liet hen bij de grote waterput afslachten. 20Hij droeg het bestuur van het land over aan Alkimus en liet ter ondersteuning een legereenheid bij hem achter. Daarna keerde Bakchides terug naar de koning.

21Alkimus probeerde uit alle macht zijn hogepriesterschap erkend te krijgen. 22Alle onrustzaaiers onder het volk sloten zich bij hem aan; ze grepen de macht in Judea en brachten Israël een zware slag toe. 23Judas zag dat het kwaad dat Alkimus en zijn aanhangers de Israëlieten berokkenden nog veel erger was dan wat de omringende volken hun aandeden. 24Hij trok door alle streken van Judea om wraak te nemen op de overlopers en hij belette hun terug te keren naar hun land. 25Algauw zag Alkimus in dat Judas en zijn aanhangers zo sterk waren geworden dat hij geen tegenstand kon bieden, en daarom keerde hij terug naar de koning en bracht zware beschuldigingen tegen hen in.

26

7:26
1 Mak. 3:38
2 Mak. 14:12-14
Toen zond de koning een van zijn beruchtste bevelhebbers, Nikanor, die Israël haatte en verachtte, met als opdracht het volk uit te roeien. 27
7:27
2 Mak. 14:15-24
Nikanor trok met een groot leger naar Jeruzalem en stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven: 28‘Ik wil geen oorlog met u; ik kom met maar weinig mannen, want ik wil u in vrede ontmoeten.’ 29
7:29
2 Mak. 14:30
Hij ging zelf ook naar Judas, en zij begroetten elkaar vriendelijk, maar de vijand stond al klaar om Judas gevangen te nemen. 30Toen Judas erachter kwam dat Nikanor met boos opzet bij hem was gekomen, werd hij bang voor hem en weigerde hem nogmaals te ontmoeten. 31Nikanor begreep dat zijn plan was doorzien en hij trok ten strijde tegen Judas ter hoogte van Kafarsalama. 32Aan de kant van Nikanor sneuvelden ongeveer vijfhonderd soldaten, de overigen vluchtten naar de Davidsburcht.

33

7:33-38
2 Mak. 14:31-36
Na deze gebeurtenissen trok Nikanor op naar de Sion, waar enkele priesters en volksoudsten hem vanuit het heiligdom tegemoet gingen om hem in vrede te begroeten. Ze lieten hem zien dat er voor de koning een brandoffer werd gebracht, 34maar hij bespotte hen en lachte hen uit, spuugde op hen en sprak hoogmoedige taal. 35Hij bezwoer hun woedend: ‘Als Judas en zijn leger dit keer niet in mijn handen vallen, dan laat ik deze tempel in brand steken zodra ik veilig ben teruggekeerd.’ Hevig verontwaardigd ging hij weg. 36De priesters liepen naar binnen, gingen voor het altaar van de tempel staan en baden onder tranen: 37
7:37
1 Kon. 8:29-43
Dan. 9:18
‘U hebt uw naam verbonden aan dit huis, zodat het voor uw volk een huis van gebed en voorbede zou zijn. 38Neem wraak op deze man en op zijn leger. Laat hen vallen door het zwaard. Denk aan hun lasterlijke woorden en laat hen niet langer leven.’

39

7:39-42
2 Mak. 15:20-24
Nikanor trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Choron, waar het Syrische leger zich bij hem aansloot. 40Judas sloeg met drieduizend man zijn kamp op in Adasa, en hij bad: 41
7:41
Jes. 37:36
‘Ooit hebben de boden van een koning u belasterd en hebt u een engel gestuurd om honderdvijfentachtigduizend van zijn mannen neer te slaan. 42Doe vandaag hetzelfde met dit leger en verpletter het voor onze ogen, zodat degenen die overblijven weten dat Nikanor uw heiligdom belasterd heeft. Geef hem zijn verdiende straf.’ 43
7:43-50
2 Mak. 15:25-36
Op 13 adar bonden de twee legers de strijd aan. Het leger van Nikanor werd vernietigend verslagen; hijzelf was de eerste die de dood vond. 44Toen zijn soldaten zagen dat Nikanor gesneuveld was, gooiden ze hun wapens weg en sloegen op de vlucht. 45De Joden achtervolgden hen een dagreis ver, van Adasa tot in Gezer, blazend op trompetten. 46Uit alle omliggende dorpen van Judea schoten mannen te hulp om de voortvluchtigen de pas af te snijden. Ze wisten die terug te dringen tot bij hun achtervolgers, zodat niemand aan hun zwaard ontkwam. 47Ze roofden hun uitrusting en hun proviand, hakten Nikanors hoofd af en zijn rechterarm, die hij nog zo hoogmoedig had opgeheven. Die namen ze mee en hingen ze net buiten Jeruzalem op. 48Het volk was opgetogen en maakte van die dag een grote feestdag. 49Ze besloten het feest ieder jaar op 13 adar te vieren. 50Daarna had Judea korte tijd rust.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]