Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Mattatias

21

2:1
1 Kron. 24:7
In die tijd deed Mattatias, de zoon van Johannes, de zoon van Simon, van zich spreken. Hij was een priester uit de familie van Jojarib uit Jeruzalem en woonde in Modeïn. 2Hij had vijf zonen: Johannes bijgenaamd Gaddi, 3Simon bijgenaamd Tassi, 4Judas bijgenaamd Makkabeüs, 5Eleazar bijgenaamd Avaran en Jonatan bijgenaamd Affus. 6Toen hij zag welke godslasterlijke taferelen zich in Judea en Jeruzalem afspeelden, 7zei hij:

‘Ach, ben ik geboren om te zien

hoe mijn volk wordt vernietigd,

hoe de heilige stad wordt verwoest?

Moet ik toezien

hoe de stad aan de vijand wordt uitgeleverd,

hoe het heiligdom in handen valt van vreemden?

8De tempel werd als een man zonder eer,

9het kostbare tempelgerei werd als buit weggevoerd.

Jeruzalems kinderen werden gedood in de straten,

haar jonge mannen vielen door het zwaard van de vijand.

10Welk volk bezit niet een deel van haar land,

heeft geen buit van haar bemachtigd?

11Beroofd is zij van al haar sieraden,

zij is een slavin, haar vrijheid is haar ontnomen.

12Onze heilige tempel is verwoest,

zijn pracht en praal zijn verdwenen,

vreemde volken hebben hem ontwijd.

13Waarom nog zouden wij leven?’

14Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren, trokken rouwgewaden aan en gaven zich over aan diepe rouw.

Begin van het verzet

15Op zekere dag kwamen er afgezanten van de koning naar Modeïn. Ze moesten het volk dwingen zijn godsdienst af te zweren en erop toezien dat ook daar geofferd werd. 16Veel Israëlieten gingen naar hen toe, en ook Mattatias en zijn zonen maakten hun opwachting. 17De afgezanten van de koning richtten zich tot Mattatias: ‘U bent een leider en bezit macht en aanzien in deze stad, uw zonen en uw verwanten staan achter u. 18Laat u de eerste zijn die het bevel van de koning opvolgt. Alle volken zijn u al voorgegaan, ook de inwoners van Judea en de mensen die nog in Jeruzalem wonen. Samen met uw zonen zult u tot de gunstelingen van de koning behoren, en u zult worden overladen met zilver, goud en vele andere geschenken.’ 19Maar Mattatias antwoordde met luide stem: ‘Zelfs al zijn alle volken in het rijk van de koning hem gehoorzaam, zelfs al wordt iedereen de godsdienst van zijn voorouders ontrouw door de bevelen van de koning op te volgen, 20dan nog zullen ik, mijn zonen en mijn verwanten trouw blijven aan het verbond van onze voorouders. 21God verhoede dat we de wet en de voorschriften verloochenen. 22Wij zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen, noch zullen we ook maar een duimbreed afwijken van onze godsdienst.’ 23Hij was nog niet uitgesproken, of er trad voor het oog van de menigte een Jood naar voren die overeenkomstig het bevel van de koning een offer wilde brengen op het altaar in Modeïn. 24Mattatias zag het en werd woedend. Hij begon te trillen van verontwaardiging en liet, geruggensteund door de wet, zijn woede de vrije loop; hij rende op de man af en stak hem op het altaar neer. 25Meteen doodde hij ook de afgezant van de koning die het volk tot offeren moest dwingen en haalde het altaar neer. 26

2:26
Num. 25:6-15
Zo toonde hij zijn toewijding aan de wet, zoals ook Pinechas eens had gedaan met Zimri, de zoon van Salu. 27Daarna trok Mattatias door de stad en riep met luide stem: ‘Laat ieder die de wet is toegedaan en pal staat voor het verbond zich bij mij aansluiten.’ 28
2:28
2 Mak. 5:27
Hij vluchtte met zijn zonen de bergen in, hun bezittingen lieten zij achter in de stad.

29In die tijd trokken velen die rechtvaardig wilden leven en wilden vasthouden aan de wet naar de woestijn. Daar vestigden ze zich 30samen met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, want de toestand was ondraaglijk geworden. 31Algauw vernamen de koninklijke afgezanten en de troepen die in de Davidsburcht in Jeruzalem waren gelegerd dat er Israëlieten waren die het gebod van de koning hadden genegeerd en naar afgelegen schuilplaatsen waren gevlucht. 32

2:32-38
2 Mak. 6:11
Met een grote legermacht gingen ze hen achterna en toen ze hen hadden opgespoord, sloegen ze in de buurt hun kamp op. Ze maakten zich op om hen op sabbat aan te vallen 33en riepen: ‘Dit is jullie laatste kans! Als jullie in leven willen blijven, kom dan naar buiten en gehoorzaam het gebod van de koning.’ 34Maar het antwoord van de Israëlieten luidde: ‘We komen niet naar buiten en zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen; wij ontwijden de sabbat niet.’ 35Onmiddellijk ging het leger tot de aanval over. 36De Israëlieten verweerden zich niet, ze gooiden geen stenen en sloten hun schuilplaatsen niet af. 37Ze zeiden: ‘We gaan liever in onschuld de dood in; de hemel en de aarde zijn onze getuigen dat jullie ons ten onrechte ombrengen.’ 38En zo werden zij op sabbat aangevallen en afgeslacht, mannen, vrouwen en kinderen, ongeveer duizend in getal, samen met hun vee.

39Toen Mattatias en de zijnen dit te weten kwamen, gaven zij zich over aan diepe rouw. 40Ze zeiden tegen elkaar: ‘Als we allemaal zo handelen als onze broeders, als we ons leven en onze voorschriften niet verdedigen tegen vreemde volken, zullen we spoedig van de aarde worden weggevaagd.’ 41En zij besloten die dag aldus: ‘Als iemand ons op sabbat aanvalt, vechten wij terug, zodat we niet allemaal omkomen zoals onze broeders die in hun schuilplaatsen gedood werden.’

42In die tijd voegde zich een groep chasideeën bij hen, strijdvaardige Israëlieten die bereid waren zich in te zetten voor de wet. 43

2:43
2 Mak. 8:1-7
Ook mensen die de onderdrukking waren ontvlucht, sloten zich bij hen aan om hun gelederen te versterken. 44Gezamenlijk brachten ze een leger op de been, en in woede en razernij doodden ze afvalligen en wetsverachters. Wie kon ontkomen vluchtte naar heidens gebied om zich in veiligheid te brengen. 45Mattatias en zijn vrienden trokken rond en haalden altaren neer. 46Als ze onbesneden jongens in het gebied van Israël vonden, dan lieten ze die onder dwang besnijden. 47Ze achtervolgden hun hoogmoedige vijanden, en hun verzet was succesvol. 48Ze redden de wet uit de greep van de heidenen en hun vorsten, en gunden de afvalligen geen macht.

Mattatias’ afscheidsrede

49Toen Mattatias voelde dat hij niet lang meer te leven had, zei hij tegen zijn zonen: ‘Nu breekt een tijd aan van hoogmoed en straf, van verschrikkingen en hevige toorn. 50Mijn zonen, toon jullie toewijding aan de wet en wees bereid je leven te geven voor het verbond van onze voorouders. 51Denk aan wat onze voorouders generaties lang hebben gedaan, dan zullen jullie eeuwige naam en faam verwerven. 52

2:52
Gen. 15:6
22:1-19
Rom. 4:3
Bleek Abraham niet trouw te zijn toen hij op de proef werd gesteld, en is hem dat niet als een rechtvaardige daad toegerekend? 53
2:53
Gen. 39:7-10
41:40-41
Jozef hield zich aan het gebod, zelfs toen hij in het nauw werd gebracht, en hij werd koning van Egypte. 54
2:54
Num. 25:6-13
Onze voorvader Pinechas ontving voor zijn grote toewijding de plechtige belofte van het eeuwige priesterschap. 55
2:55
Joz. 1:2
Jozua vervulde zijn opdracht en werd rechter over Israël. 56
2:56
Num. 13:30
14:6-9,24
Joz. 14:13-15
Kaleb getuigde voor het volk van zijn vertrouwen en kreeg daarom een deel van het land in zijn bezit. 57
2:57
2 Sam. 7:16
David verkreeg dankzij zijn vroomheid het eeuwige koningschap. 58
2:58
1 Kon. 18:21
19:10,14
2 Kon. 2:11-12
Elia werd in de hemel opgenomen omdat hij zich met volle overgave voor de wet had ingezet. 59
2:59
Dan. 3:16-30
Chananja, Azarja en Misaël vertrouwden op God en werden zo uit het vuur gered. 60
2:60
Dan. 6:21-24
Daniël werd wegens zijn onschuld uit de muil van leeuwen bevrijd. 61Hieruit blijkt dat ieder die zijn hoop op God vestigt wordt gesterkt, elke generatie opnieuw. 62Wees niet bang voor de woorden van de zondaar, want zijn roem zal vergaan tot mest en wormen. 63Vandaag wordt hij geëerd, maar morgen is hij verdwenen; hij zal weer tot stof worden, zijn plannen zullen op niets uitlopen. 64Mijn zonen, wees moedig en sta sterk voor de wet, want door de wet zullen jullie roem verwerven. 65Simon hier, jullie broer, is een goed raadsman, dat weet ik. Luister steeds naar hem, hij zal een vader voor jullie zijn. 66Judas Makkabeüs is van jongs af aan de sterkste geweest. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de vreemde volken leiden. 67Verzamel om jullie heen al diegenen die de wet navolgen en wreek jullie volk. 68Reken af met de heidenen en houd vast aan wat de wet voorschrijft.’ 69Daarna zegende hij hen en werd hij met zijn voorouders verenigd. 70Hij stierf in het jaar 146 en werd bijgezet in het graf van zijn voorouders in Modeïn. Heel Israël rouwde om zijn dood.

3

Judas Makkabeüs

31Judas, bijgenaamd Makkabeüs, volgde zijn vader op. 2Hij had de steun van al zijn broers en van iedereen die zich bij zijn vader had aangesloten. Vol vuur streden zij voor Israël.

3

3:3-9
2 Mak. 8:1-7
Hij verbreidde de roem van zijn volk.

Als een reus trok hij ten strijde,

gehuld in een harnas,

omgord met wapentuig,

hij verdedigde zijn kamp met het zwaard.

4Hij vocht als een jonge leeuw,

brullend wierp hij zich op zijn prooi.

5

3:5
1 Mak. 5:5,44
2 Mak. 8:33
Hij maakte jacht op wettelozen,

onderdrukkers van zijn volk dreef hij het vuur in.

6Wetsverachters deed hij beven van angst,

hij ontstelde de aanstichters van het kwaad.

Zo leidde hij zijn volk naar de bevrijding.

7Hij bracht vele koningen tot razernij,

maar Jakob verblijdde hij met zijn daden.

Zijn nagedachtenis zij eeuwig geprezen.

8Hij trok door Judea’s steden,

vernietigde de afvalligen.

Zo wendde hij de toorn af van Israël.

9Zijn roem bereikte de uiteinden van de aarde,

wie verloren leken bracht hij weer samen.

Eerste overwinningen van Judas

10Apollonius bracht uit de omringende volken, maar hoofdzakelijk uit Samaria, een groot leger op de been om tegen Israël ten strijde te trekken. 11Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij versloeg hem en doodde hem. Veel van Apollonius’ soldaten sneuvelden, de rest sloeg op de vlucht. 12Judas’ mannen verzamelden de buit en hijzelf nam het zwaard van Apollonius, dat hij voortaan in de strijd gebruikte.

13Toen de Syrische legeraanvoerder Seron vernam dat Judas een groep wetsgetrouwe en strijdvaardige mannen om zich heen verzameld had, 14zei hij: ‘Ik wil naam maken en in het hele koninkrijk beroemd worden. Daarom zal ik ten strijde trekken tegen Judas en zijn aanhangers, die het bevel van de koning naast zich neerleggen.’ 15Met een enorm leger afvalligen trok hij tegen de Israëlieten op om wraak te nemen. 16Zodra Seron de berghelling van Bet-Choron had bereikt, ging Judas hem met een handjevol mannen tegemoet. 17Toen ze de legermacht zagen die tegen hen was uitgerukt, zeiden ze tegen Judas: ‘Wat kunnen wij met zo weinigen uitrichten tegen deze overmacht? We zijn moe en we hebben ook nog niets gegeten vandaag.’ 18

3:18
1 Sam. 14:6
Judas antwoordde hun: ‘Maar een kleine groep kan gemakkelijk een grote groep overmeesteren. Voor de hemel maakt het geen verschil of de redding door veel of door weinig mensen wordt gebracht. 19In oorlogen hangt de overwinning niet van aantallen soldaten af, maar van de kracht van de hemel. 20Onze vijand is vol overmoed en vol haat tegen de wet opgetrokken om ons en onze vrouwen en kinderen uit te roeien en onze bezittingen te roven, 21maar wij strijden voor ons leven en onze tradities. 22De hemel zal hen voor onze ogen verpletteren; jullie hebben niets van hen te vrezen.’ 23Meteen na deze woorden deed hij een verrassingsaanval, en Seron en zijn legermacht werden volkomen verpletterd. 24
3:24
Joz. 10:10
Ze achtervolgden hem van de berghelling van Bet-Choron tot aan de vlakte. Bijna achthonderd van Serons mannen sneuvelden, de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen. 25Van toen af aan was men beducht voor Judas en zijn broers; de volken om hen heen leefden nu in angst. 26Ook de koning hoorde van Judas, en verhalen over zijn verzet deden bij elk volk de ronde.

27Het nieuws van deze gebeurtenissen wekte de woede van Antiochus op. Hij gaf bevel alle strijdkrachten van zijn rijk samen te trekken tot één reusachtig leger. 28Vervolgens opende hij zijn schatkist, betaalde de strijdkrachten een jaar soldij uit en droeg hun op zich paraat te houden. 29Maar algauw merkte hij dat het geld in de schatkist opraakte; vanwege de rampzalige opstand die hij had uitgelokt met de afschaffing van de eeuwenoude tradities waren de belastinginkomsten van het land geslonken. 30Hij vreesde dat hij, zoals al meer dan eens was voorgekomen, niet genoeg zou hebben voor de dagelijkse kosten, laat staan voor de geschenken die hij, meer nog dan zijn voorgangers, tot dan toe met gulle hand had uitgedeeld. 31Ten einde raad besloot hij naar Perzië te gaan en daar belasting te innen om de schatkist weer te vullen. 32Lysias, een geëerd lid van de koninklijke familie, belastte hij tot zijn terugkeer met het bestuur over het rijk tussen de Eufraat en de Egyptische grens; 33ook de opvoeding van zijn zoon Antiochus vertrouwde hij aan hem toe. 34Hij gaf hem het bevel over de helft van de strijdkrachten en over de olifanten, en droeg hem op al zijn plannen uit te voeren: hij moest troepen op de inwoners van Judea en Jeruzalem afsturen 35om de legermacht van Israël uit te schakelen en het verzet van de mensen die nog in Jeruzalem woonden te breken. Hij moest iedere herinnering aan hen uitwissen, 36hun gebied met vreemdelingen bevolken en het land onder hen verdelen. 37Met de andere helft van de troepen vertrok de koning in het jaar 147 uit Antiochië, de hoofdstad van zijn rijk, stak de Eufraat over en trok door de oostelijke provincies.

38

3:38
2 Mak. 4:45
8:8-15
10:14
Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias, dappere mannen uit de kring van vertrouwelingen van de koning, werden door Lysias uitgekozen 39en met veertigduizend soldaten en zevenduizend ruiters naar Judea gestuurd om het land te verwoesten, zoals de koning had bevolen. 40Met heel dat leger rukten ze uit en ze sloegen in de vlakte bij Emmaüs hun kamp op. 41De kooplieden van die streek hoorden ervan en kwamen met grote hoeveelheden zilver en goud en met voetboeien naar het legerkamp om de Israëlieten als slaven op te kopen. Het Syrische leger werd versterkt door troepen uit Idumea en het land van de Filistijnen.

Judas overwint Gorgias

42Judas en zijn broers beseften dat de situatie nijpend werd nu in hun gebied vijandelijke troepen gelegerd waren, en toen zij hoorden dat de koning bevel had gegeven hun volk volledig uit te roeien, 43zeiden ze tegen elkaar: ‘We moeten ons volk uit zijn ellende bevrijden, we moeten strijden voor ons volk en het heiligdom.’ 44Ze verzamelden zich om zich op te maken voor de strijd, en ze baden en smeekten om ontferming en mededogen.

45Jeruzalem was verlaten als een woestijn,

geen bewoner ging zijn poorten nog in of uit.

De tempel was vertrapt,

vreemdelingen verschansten zich in de citadel,

vreemde volken bewoonden de stad.

Jakob kende geen vreugde meer,

fluit en citer zwegen.

46

3:46-47
1 Sam. 7:5-6
3:46
Recht. 20:1-3
1 Sam. 10:17
Ze kwamen bijeen in Mispa, in de buurt van Jeruzalem, omdat Mispa vroeger een plaats van gebed voor Israël was geweest. 47Ze vastten die dag, trokken een boetekleed aan, wierpen stof over hun hoofd en scheurden hun kleren. 48
3:48
2 Mak. 8:23
Zoals andere volken voor een aanwijzing hun godenbeelden raadplegen, zo openden zij de wetsrol. 49Ze hadden de priesterlijke gewaden, de eerste opbrengst van de nieuwe oogst en de tienden meegenomen en riepen de nazireeërs bijeen die hun gelofte volbracht hadden. 50Ze riepen luid naar de hemel: ‘Waar moeten wij deze mensen en deze dingen in veiligheid brengen? 51Uw tempel is onder de voet gelopen en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en in rouw gedompeld. 52En nu hebben vreemde volken zich aaneengesloten om ons te vernietigen. U weet wat ze met ons van plan zijn. 53Hoe kunnen wij ons tegen hen teweerstellen als u ons niet helpt?’ 54
3:54
Num. 10:9
Daarna bliezen ze op de trompetten en schreeuwden luid. 55
3:55
Ex. 18:21
Vervolgens stelde Judas leiders aan over het volk, bevelhebbers over duizend, honderd, vijftig en tien man. 56
3:56
Deut. 20:5-9
En zoals de wet voorschrijft liet hij iedereen naar huis gaan die een huis aan het bouwen was, zou gaan trouwen, een wijngaard had geplant of die het aan moed ontbrak. 57Het leger vertrok en sloeg zijn kamp op ten zuiden van Emmaüs. 58Judas zei: ‘Bereid je voor en vat moed! Zorg ervoor dat je morgenochtend gereed bent om de strijd aan te gaan met de vijand die zich verzameld heeft en ons en onze tempel wil vernietigen. 59We kunnen beter sterven in de strijd dan te moeten aanzien welk onheil ons volk en het heiligdom treft. 60Zoals de hemel het wil, zo zal het gebeuren.’

4

41Die nacht verliet Gorgias met vijfduizend soldaten en duizend voortreffelijke ruiters zijn legerkamp 2

4:2
1 Mak. 1:33
om het kamp van de Joden bij verrassing aan te vallen; mannen uit de citadel waren zijn gids. 3Maar Judas kwam het te weten en trok er met zijn strijdkrachten op uit om het leger van de koning in Emmaüs aan te vallen 4terwijl Gorgias’ troepen nog verspreid waren buiten het legerkamp. 5Toen Gorgias ’s nachts bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand aan. In de veronderstelling dat ze voor hem waren gevlucht, ging hij naar hen op zoek in de bergen. 6Tegen de ochtend verscheen Judas met drieduizend man in de vlakte. Terwijl ze het zelf zonder goede harnassen en zwaarden moesten stellen, 7zagen ze dat het legerkamp van de vijand zwaar versterkt was, met daaromheen een kordon van ruiters, geoefend in oorlogsvoering. 8Judas zei tegen zijn mannen: ‘Laat je niet ontmoedigen door hun overmacht en wees niet bang als zij oprukken. 9Bedenk hoe onze voorouders zijn gered bij de Rode Zee, toen ze door de farao en zijn leger werden achtervolgd. 10Laten we de hemel aanroepen en vragen of hij ons goedgezind wil zijn en het verbond met onze voorouders gestand wil doen door dit leger vandaag nog voor onze ogen te verpletteren. 11Dan zullen alle volken weten dat er iemand is die Israël bevrijdt en redt.’ 12De vreemdelingen zagen de Joden op zich afkomen 13en verlieten hun legerkamp om de aanval te openen. Aan de kant van Judas werd op de trompet geblazen, 14en de strijd begon. De vijand werd verslagen: wie kon vluchtte de vlakte in, 15de anderen vielen tot de laatste man. Judas’ soldaten achtervolgden hen tot aan Gezer en de vlakten van Idumea, Azotus en Jamnia; er sneuvelden bijna drieduizend mannen. 16Nadat Judas en zijn leger van de achtervolging waren teruggekeerd, 17zei hij tegen het volk: ‘Stel het plunderen nog even uit, want er staat ons nog een veldslag te wachten. 18Gorgias en zijn mannen zijn niet ver van ons gelegerd, in de bergen. Eerst moeten jullie je tegenover de vijand opstellen en met hem de strijd aangaan, daarna zijn jullie vrij om de buit binnen te halen.’ 19Judas was nog niet uitgesproken, of er verscheen een legereenheid vanuit de bergen. 20Er was rook zichtbaar die de eenheid deed vermoeden wat er was gebeurd. Ze zagen dat de andere eenheden waren gevlucht, en uit de opstijgende rook konden ze opmaken dat hun kamp in brand gestoken was. 21Deze ontdekking bracht hen in verwarring, temeer omdat ze begrepen dat Judas’ leger zich in de vlakte had opgesteld. 22De hele eenheid sloeg op de vlucht naar het land van de Filistijnen. 23Judas ging terug, plunderde hun kamp en maakte veel buit: goud en zilver, zeeblauwe en purperrode stoffen, en andere kostbaarheden. 24
4:24
Ps. 118:1-4
Zingend aanvaardden ze de terugtocht en loofden de hemel: ‘Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid.’ 25En zo werd Israël die dag op grootse wijze gered.

Judas verslaat Lysias en reinigt de tempel

26

4:26-35
2 Mak. 11:1-12
De vreemdelingen die zich hadden weten te redden, meldden zich bij Lysias om hem te vertellen wat er was gebeurd. 27Hun nieuws bracht hem in verwarring en ontmoedigde hem, want met Israël was niet gebeurd wat hij had gewild, en de opdracht die de koning hem had gegeven was niet uitgevoerd. 28Het jaar daarop bracht hij zestigduizend voortreffelijke krijgslieden en vijfduizend ruiters samen voor de strijd. 29Ze kwamen tot in Idumea en sloegen hun kamp op in Bet-Sur, waar Judas hun tegemoet kwam met tienduizend man. 30
4:30
1 Sam. 14:1-23
17:1-50
Judas zag hoe sterk hun leger was en bad: ‘Geprezen bent u, redder van Israël, die de vijand hebt verpletterd door uw dienaar David en die het leger van de Filistijnen in handen hebt gegeven van Jonatan, de zoon van Saul, en zijn wapendrager. 31Laat ook dit leger in handen vallen van uw volk Israël en laat het met voetvolk, ruiters en al verslagen worden. 32Maak hen bang, maak een einde aan hun overmoed, bezorg hun een nederlaag die hun nog lang zal heugen. 33Haal hen neer met het zwaard van degenen die u liefhebben, dan zal iedereen die uw naam kent u met lofliederen loven.’ 34De strijd begon en van het leger van Lysias sneuvelden bijna vijfduizend krijgslieden in gevechten van man tot man. 35Toen Lysias zag dat de kansen van zijn leger waren gekeerd en dat Judas’ mannen moed hadden gevat en bereid waren zich dood te vechten, trok hij zich terug naar Antiochië. Daar rekruteerde hij huurlingen om met een veel groter leger naar Judea terug te keren.

36

4:36
2 Mak. 10:1-8
Judas en zijn broers zeiden: ‘Onze vijanden zijn verslagen. Laten we het heiligdom reinigen en het opnieuw inwijden.’ 37Het hele leger verzamelde zich en ging op weg naar de Sion. 38
4:38
Ps. 74:2-7
Daar zagen ze hoe verlaten het heiligdom er bij lag. Het altaar was ontwijd, de poorten waren verbrand en de voorhoven waren met onkruid overwoekerd, als in een bos of in de bergen. De vertrekken van de priesters waren vervallen. 39Judas en zijn mannen scheurden hun kleren en begonnen luid te jammeren. Ze gooiden stof over hun hoofd 40en wierpen zich op de grond. Ze bliezen op de trompetten en riepen de hemel aan. 41Vervolgens wees Judas een groep mannen aan die het garnizoen in de citadel op een afstand moest houden totdat het heiligdom gereinigd was. 42Hij koos wetsgetrouwe priesters uit van onbesproken gedrag, 43die het heiligdom reinigden en de stenen die het altaar ontwijd hadden afvoerden naar een onreine plaats. 44Ze overlegden wat ze met het ontwijde brandofferaltaar moesten doen 45en besloten – terecht – het neer te halen, zodat het hun niet tot schande zou strekken nu het door vreemde volken verontreinigd was. Ze haalden het altaar dus neer 46en legden de stenen op een geschikte plaats op de tempelberg tot er een profeet zou komen die wist wat ermee moest gebeuren. 47
4:47
Ex. 20:25
Daarna namen ze ongehouwen stenen, zoals de wet voorschrijft, en bouwden een nieuw altaar, precies als het vorige. 48Ze brachten het heiligdom en de ruimten in de tempel in de oude staat terug en heiligden de voorhoven. 49
4:49
Ex. 25:23-39
30:1-5
Ze maakten nieuw tempelgerei en zetten de lampenstandaard, het reukofferaltaar en de tafel van de toonbroden in de tempel. 50Ze brandden reukwerk op het altaar en staken de lampen aan, die voortaan weer in de tempel brandden. 51Ze legden toonbroden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Daarmee was het werk dat ze ondernomen hadden voltooid. 52Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 53stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar. 54Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht. 55Het hele volk knielde neer en boog diep voorover om de hemel, die hen geholpen had, te loven. 56Acht dagen lang vierden ze de inwijding van het altaar en brachten ze vol vreugde brandoffers, vredeoffers en dankoffers. 57Ze versierden de voorkant van de tempel met gouden kransen en met schildjes. Ze vernieuwden de poorten en de priestervertrekken en voorzagen ze van deuren. 58Er heerste grote vreugde onder het volk omdat de smaad die ze van de vreemde volken ondervonden hadden, was afgewend. 59
4:59
Joh. 10:22
Judas bepaalde samen met zijn broers en de hele volksvergadering dat het feest van de altaarinwijding jaarlijks acht dagen met blijdschap en vreugde gevierd zou worden, te beginnen op 25 kislew. 60In die tijd bouwden ze ook een hoge muur om de Sion, met versterkte torens, zodat andere volken het heiligdom niet nog eens binnen zouden kunnen vallen. 61Judas legerde er een garnizoen om de berg te bewaken en hij versterkte Bet-Sur, zodat het volk een vesting had aan de grens met Idumea.