Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

Demetrius II gevangengenomen

141In het jaar 172 bracht koning Demetrius zijn strijdkrachten bijeen en trok hij naar Medië om hulptroepen te ronselen voor de strijd tegen Tryfon. 2Toen Arsakes, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius zich op zijn grondgebied bevond, stuurde hij een van zijn bevelhebbers om hem levend gevangen te nemen. 3De bevelhebber viel het leger van Demetrius aan en versloeg het, nam Demetrius gevangen en bracht hem naar Arsakes, die hem liet opsluiten.

Simon geeft het land vrede

4In de tijd dat Simon regeerde, had Judea rust. Hij streefde het welzijn van zijn volk na, en iedereen leefde gelukkig in de dagen van zijn roemrijke heerschappij. 5Roemrijk was ook zijn verovering van de havenstad Joppe, waardoor hij de eilanden bereikbaar maakte. 6Hij slaagde er niet alleen in het grondgebied van zijn volk uit te breiden en het hele land in zijn macht te krijgen, 7

14:7
1 Mak. 13:50
maar maakte ook talrijke vijanden krijgsgevangen. Hij bezette Gezer, Bet-Sur en de citadel en reinigde al deze plaatsen. Er was niemand die zich tegen hem verzette. 8
14:8
Zach. 8:12
De mensen bebouwden hun grond in vrede, het land bracht gewassen voort en de bomen in de vlakte droegen vrucht. 9
14:9
Zach. 8:4-5
De oude mannen zaten in de straten en spraken over ieders voorspoed, de jonge mannen droegen prachtige krijgsgewaden. 10Simon voorzag de steden van voedsel en rustte ze uit met verdedigingswerken. Zijn roem reikte tot aan de uiteinden van de aarde. 11Hij gaf vrede aan het land en in Israël heerste grote vreugde. 12
14:12
1 Kon. 5:5
Micha 4:4
Zach. 3:10
Ieder zat onder zijn wijnrank en zijn vijgenboom, en er was geen reden meer om bang te zijn. 13Alle vijanden waren in die tijd uit het land verdwenen en alle koningen waren overwonnen. 14De zwakken van zijn land maakte Simon sterk; hij stelde de wet weer in werking en roeide wettelozen en afvalligen uit. 15Hij liet de tempel verfraaien en verwierf een grote hoeveelheid tempelgerei.

Betrekkingen met Sparta en Rome

16

14:16
1 Mak. 13:23
Het nieuws van Jonatans dood bereikte Rome en zelfs Sparta, en de mensen waren diepbedroefd. 17Toen ze hoorden dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en dat hij nu over het land en de steden heerste, 18
14:18-20
1 Mak. 12:1-3
14:18
1 Mak. 8:17,22
stuurden ze hem een brief op bronzen platen om het vriendschapsverdrag en het bondgenootschap dat ze met zijn broers Judas en Jonatan hadden gesloten te hernieuwen. 19De platen werden in de volksvergadering in Jeruzalem voorgelezen. 20Dit is een afschrift van de brief die de Spartanen stuurden:

‘Sparta en zijn leiders groeten hogepriester Simon, de oudsten, de priesters en de rest van hun Joodse broeders. 21De gezanten die u naar ons volk hebt gestuurd hebben ons verteld van uw roem en eer, en hun komst heeft ons zeer verblijd. 22

14:22
1 Mak. 12:16
Wij hebben hun boodschap als volgt opgetekend in de raadsbesluiten: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, gezanten van de Joden, zijn naar ons toe gekomen om het vriendschapsverdrag met ons te hernieuwen. 23Het volk heeft besloten de mannen eervol te onthalen en hun boodschap op schrift te stellen en in de openbare archieven op te nemen, opdat het Spartaanse volk die niet vergeet. Een afschrift ervan is aan hogepriester Simon gestuurd.’

24Daarna stuurde Simon Numenius naar Rome met een groot gouden schild met een gewicht van duizend mine om het bondgenootschap te bevestigen.

Dankbetuiging aan Simon

25Toen het volk dit alles hoorde, zei het: ‘Hoe kunnen we Simon en zijn zonen bedanken? 26Want hijzelf, zijn broers en zijn familie zijn onverzettelijk geweest in hun strijd tegen Israëls vijanden en ze hebben Israël bevrijd.’ Daarom lieten ze bronzen platen graveren en op zuilen aanbrengen op de Sion. 27Dit is een afschrift van de tekst op de bronzen platen:

‘Op 18 elul van het jaar 172, het derde regeringsjaar van hogepriester Simon, is ons in Asaramel 28op een grote bijeenkomst van de priesters, het volk, de leiders van het volk en de oudsten van het land het volgende meegedeeld: 29Tijdens de vele oorlogen die ons land hebben geteisterd, hebben Simon, de zoon van Mattatias, afstammeling van Jojarib, en zijn broers zich in hun verzet tegen de vijanden van hun volk vaak aan gevaren blootgesteld. Door hun toedoen zijn de tempel en de wet behouden en heeft hun volk grote roem verworven. 30Nadat Jonatan, die zijn volk had weten samen te brengen en hogepriester was geworden, met zijn voorouders verenigd was, 31besloot de vijand het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van de tempel meester te maken. 32Toen heeft Simon de leiding genomen in de strijd voor zijn volk. Uit eigen middelen heeft hij de wapenrusting en soldij van het leger van zijn volk bekostigd. 33Hij heeft de steden van Judea versterkt, waaronder de grensplaats Bet-Sur, waar de vijand vroeger een wapendepot had, en hij heeft er een Joods garnizoen gelegerd. 34

14:34
1 Mak. 13:43-48
Hij heeft de kustplaats Joppe versterkt en ook Gezer in het gebied van Azotus, waar vroeger vijanden woonden maar dat nu bevolkt is met Joden. Beide steden heeft hij voorzien van alles wat nodig was voor hun wederopbouw. 35Omdat Simon het welzijn van zijn volk zo trouw en eervol heeft nagestreefd, heeft het hem tot leider en hogepriester benoemd als dank voor al zijn daden, zijn rechtvaardigheid en niet aflatende trouw, en voor zijn onvermoeibare pogingen de roem van zijn volk te vergroten. 36
14:36
1 Mak. 13:50-52
Tijdens zijn bewind is hij erin geslaagd de vreemdelingen uit het land te verdrijven. Ook de bezetters van de Davidsburcht in Jeruzalem heeft hij verjaagd. Die hadden daar een citadel gebouwd, van waaruit ze uitvallen deden, de omgeving van de tempel verontreinigden en de heiligheid ervan aantastten. 37Simon heeft er Joodse soldaten gelegerd, heeft de citadel versterkt om de stad en het land te beveiligen en heeft de muren van Jeruzalem opgehoogd. 38
14:38
1 Mak. 13:36
Dienovereenkomstig heeft koning Demetrius zijn hogepriesterschap bekrachtigd, 39hem opgenomen in zijn kring van vertrouwelingen en hem grote eer bewezen. 40Hem was namelijk ter ore gekomen dat de Romeinen de Joden tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen. 41De Joden en hun priesters hebben Simon en zijn nakomelingen als hun leider en als hogepriester aangesteld, totdat er een betrouwbare profeet zal opstaan. 42Simon is hun veldheer en draagt tevens zorg voor de tempel; als zodanig is hij belast met de aanstelling van beambten voor werkzaamheden in en rond de tempel, voor het land, de wapendepots en de burchten. 43Hij draagt zorg voor de tempel; dit houdt in dat iedereen hem moet gehoorzamen. Alle akten in het land worden in zijn naam opgemaakt. Bovendien mag hij zich in purper kleden en een gouden speld dragen. 44
14:44
1 Mak. 11:58
Het is noch de priesters noch iemand van het volk geoorloofd een van deze voorschriften buiten werking te stellen, tegen Simons verordeningen in in verzet te komen, zonder zijn toestemming in het land een vergadering bijeen te roepen, zich in purper te kleden of een gouden speld te dragen. 45Ieder die in strijd hiermee handelt of zich hier niet aan houdt, maakt zich strafbaar. 46Het hele volk heeft besloten Simon bovenstaande volmachten te verlenen. 47Simon heeft deze volmachten aanvaard en zich bereid verklaard de hogepriester, veldheer en vorst van de Joden en de priesters te zijn; hij voert het gezag op alle gebied.’

48Deze tekst lieten ze op bronzen platen graveren en binnen de omheining van het heiligdom op een opvallende plaats neerzetten. 49Een afschrift van de tekst werd in de schatkamer opgeborgen, zodat Simon en zijn zonen erover konden beschikken.

15

Antiochus VII zoekt de steun van Simon

151Antiochus, de zoon van koning Demetrius, stuurde vanaf de eilanden een brief naar Simon, de priester en vorst van de Joden, en naar heel het volk. 2De brief luidde als volgt:

‘Koning Antiochus groet hogepriester en vorst Simon, en het gehele Joodse volk. 3Aangezien een paar onverlaten in het rijk van mijn voorouders de macht hebben gegrepen en ik het rijk weer wil opeisen en de oude orde wil herstellen, heb ik een groot aantal huurlingen gerekruteerd en oorlogsschepen uitgerust. 4Ik wil nu koers zetten naar het vasteland om degenen die ons land te gronde hebben gericht en veel steden in mijn rijk hebben verwoest aan te vallen. 5Bij dezen bekrachtig ik alle vrijstellingen van belasting die de koningen vóór mij u hebben verleend, evenals alle andere toezeggingen die ze u hebben gedaan. 6Tevens sta ik u toe uw eigen munt te slaan, als betaalmiddel voor gebruik in eigen land. 7

15:7
1 Mak. 10:31
Jeruzalem en de tempel blijven vrij en onbelast. Zowel de wapens waarmee u zich hebt uitgerust als de burchten die u hebt gebouwd en die in uw handen zijn, blijven uw eigendom. 8Alle schulden aan de koninklijke schatkist en alle vorderingen door de kroon scheld ik u met ingang van heden voor altijd kwijt. 9Wanneer wij ons rijk hebben hersteld, zullen we u, uw volk en de tempel grote eer bewijzen, zodat uw roem zich over de hele wereld verbreidt.’

10In het jaar 174 trok Antiochus het land van zijn voorouders binnen. Bijna alle strijdkrachten sloten zich bij hem aan, zodat Tryfon slechts enkele troepen overhield. 11Met Antiochus op zijn hielen vluchtte Tryfon naar de kustplaats Dor, 12want hij begreep dat er slechte tijden voor hem waren aangebroken nu zijn strijdkrachten overgelopen waren. 13Antiochus belegerde Dor met honderdtwintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters. 14Door ook schepen in te zetten in de strijd kon hij de stad omsingelen en hij bestookte haar te land en ter zee. Niemand kon de stad in of uit.

Rome steunt Israël

15

15:15
1 Mak. 8:17
12:16
14:22-24
Numenius en zijn metgezellen waren intussen uit Rome teruggekeerd met brieven voor verschillende koningen en landen. Hierin stond het volgende:

16‘Lucius, consul van de Romeinen, groet koning Ptolemeüs. 17Gezanten van de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zijn bij ons gekomen om het oude vriendschapsverdrag en bondgenootschap te hernieuwen. Zij waren gestuurd door hogepriester Simon en het Joodse volk 18en brachten een gouden schild mee van duizend mine. 19Wij hebben besloten alle koningen en landen aan te schrijven met het dringende verzoek niets tegen de Joden te ondernemen, geen oorlog met hen te voeren, hun steden en land ongemoeid te laten en hun tegenstanders niet te steunen. 20Wij hebben namelijk besloten het schild van hen aan te nemen. 21Mochten sommige onverlaten uit hun land naar u zijn gevlucht, levert u hen dan uit aan hogepriester Simon, zodat hij hen in hun eigen land volgens hun eigen wet kan straffen.’

22Hetzelfde schreef Lucius aan koning Demetrius, aan Attalus, Ariarates en Arsakes, 23en aan alle volgende staten: Sampsakes, Sparta, Delos, Myndus, Sikyon, Karië, Samos, Pamfylië, Lycië, Halikarnassus, Rhodos, Faselis, Kos, Side, Aradus, Gortyna, Knidus, Cyprus en Cyrene. 24Van al deze brieven werd een afschrift naar hogepriester Simon gestuurd.

Vijandschap tussen Antiochus VII en Simon

25Ondertussen hield de belegering van Dor aan. Koning Antiochus liet zijn strijdkrachten voortdurend aanvallen uitvoeren op de stad, en hield Tryfon met behulp van stormtorens ingesloten. Niemand kon Dor in of uit. 26Simon stuurde tweeduizend krijgshaftige soldaten naar Antiochus, evenals zilver, goud en andere geschenken. 27Maar Antiochus wilde niets van hem aannemen en verbrak bovendien alle overeenkomsten die hij eerder met hem had gesloten. Hij nam afstand van Simon. 28Hij stuurde Atenobius, een van zijn vertrouwelingen, als onderhandelaar naar Simon met de volgende boodschap: ‘U houdt Joppe, Gezer en de citadel in Jeruzalem bezet, steden die tot mijn koninkrijk behoren. 29U hebt hun grondgebied verwoest, grote schade aangericht in het land en aanzienlijke delen van mijn rijk overmeesterd. 30Geef de steden die u hebt ingenomen terug en draag de belastingen die u hebt geïnd in de door u veroverde gebieden buiten Judea aan mij af. 31Anders moet u mij vijfhonderd talent zilver betalen voor de verwoesting die u hebt aangericht en nog eens vijfhonderd talent voor de belasting van de steden. Weigert u dit te doen, dan verklaar ik u de oorlog.’ 32Toen Atenobius, de vertrouweling van de koning, in Jeruzalem kwam en de rijkdom van Simon zag, de drinktafel met gouden en zilveren voorwerpen en de staatsie die hij voerde, stond hij versteld. Hij bracht hem de boodschap van de koning over. 33En Simon antwoordde hem: ‘Wij hebben geen vreemd gebied veroverd en ons niets toegeëigend dat niet van ons was, wij hebben slechts het bezit van onze voorouders heroverd dat onze vijanden enige tijd wederrechtelijk in handen hebben gehad. 34Wij hebben alleen maar de kans gegrepen ons rechtmatige bezit terug te winnen. 35Wat Joppe en Gezer betreft en de aanspraak die u daarop maakt: deze steden hebben ons volk en ons land zware slagen toegebracht. Niettemin zijn wij bereid u voor deze steden honderd talent te geven.’ Atenobius zei geen woord, 36maar ging woedend naar de koning terug. Hij meldde hem Simons antwoord en vertelde hem over de weelde en alles wat hij had gezien. Daarop ontstak de koning in hevige woede.

Judas en Johannes verslaan Kendebeüs

37Tryfon ging aan boord van een schip en vluchtte naar Ortosia. 38De koning stelde Kendebeüs aan als bevelhebber over het kustgebied en gaf hem voetvolk en ruiterij. 39Hij beval hem zijn kamp op te slaan aan de grens van Judea, Kedron uit te bouwen en met poorten te versterken, en vervolgens de strijd aan te binden met de Joden. Zelf zou de koning de achtervolging op Tryfon inzetten. 40Kendebeüs trok naar Jamnia en teisterde de Joden met invallen in Judea. Er werden mensen gevangengenomen en gedood. 41Hij versterkte Kedron en legerde er ruiterij en voetvolk om van daar de wegen van Judea onveilig te maken, zoals de koning hem had opgedragen.

16

161

16:1
1 Mak. 13:53
Johannes trok op vanuit Gezer en lichtte zijn vader Simon in over de acties van Kendebeüs. 2Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, bij zich en zei tegen hen: ‘Mijn broers en ik, de hele familie van mijn vader, hebben van onze jeugd tot op de dag van vandaag tegen de vijanden van Israël gestreden. Vaak is het ons gelukt Israël te redden. 3Nu ben ik oud, en jullie zijn dankzij Gods barmhartigheid volwassen geworden. Neem daarom mijn plaats en die van mijn broer in en trek eropuit om voor ons volk te strijden. Moge de hemel jullie bijstaan.’ 4In het hele land riep hij twintigduizend man voetvolk en ruiters op. Zij trokken Kendebeüs tegemoet en overnachtten in Modeïn. 5De volgende ochtend vroeg trokken ze naar de vlakte. Daar zagen ze een groot leger van voetvolk en ruiters op zich afkomen, maar er lag een wadi tussen hen in. 6Johannes bracht zijn troepen in stelling. Hij merkte dat zijn mannen bang waren om de wadi over te steken, en daarom stak hij zelf als eerste over. Zijn mannen zagen het en volgden hem naar de overkant. 7Hij verdeelde het voetvolk in twee flanken en stelde de ruiters ertussenin op; de ruiterij van de tegenstander was namelijk zeer talrijk. 8Ze lieten de trompetten schallen en Kendebeüs werd met zijn leger verjaagd. Er viel een groot aantal gewonden, en de rest vluchtte naar de burcht. 9Johannes’ broer Judas raakte gewond. Daarom achtervolgde Johannes de vijand tot in Kedron, de stad die door Kendebeüs versterkt was. 10De vijand vluchtte tot in de torens in de velden rond Azotus. Maar Johannes stak de torens in brand, zodat nog zo’n tweeduizend mannen omkwamen. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug.

De dood van Simon

11Ptolemeüs, de zoon van Abubus, was als bevelhebber aangesteld in de vlakte van Jericho. Hij bezat veel goud en zilver, 12want hij was een schoonzoon van de hogepriester. 13Hij had het hoogmoedige plan opgevat heer en meester te worden over het land, en daarom beraamde hij een aanslag op Simon en zijn zonen. 14Simon ging de steden langs om te inventariseren wat ze nodig hadden. In de elfde maand van het jaar 177, dat is de maand sebat, kwam hij, samen met zijn zonen Mattatias en Judas, in Jericho. 15De zoon van Abubus ontving hen in de kleine burcht Dok, die hij zelf gebouwd had, en richtte er onder valse voorwendselen een groot drinkgelag voor hen aan. Maar hij had zijn mannen verdekt opgesteld, 16en toen Simon en zijn zonen dronken waren, kwamen Ptolemeüs en zijn handlangers in actie: ze grepen hun wapens, drongen de eetzaal binnen en doodden Simon, zijn twee zonen en enkele van zijn dienaren. 17Met deze trouweloze daad vergold hij goed met kwaad. 18Ptolemeüs schreef een brief aan de koning om te vertellen wat er was voorgevallen, met het verzoek om hem hulptroepen te sturen en het bestuur over de steden aan hem over te dragen. 19Hij stuurde een paar mannen naar Gezer om Johannes te doden en deed alle bevelhebbers over duizend man een brief toekomen met het verzoek zich bij hem te melden, dan zou hij hun zilver, goud en andere geschenken geven. 20De rest van zijn mannen stuurde hij naar Jeruzalem om de stad en de heilige berg in te nemen. 21Maar iemand rende naar Gezer en liet Johannes weten dat zijn vader en zijn broers waren omgekomen en waarschuwde hem dat Ptolemeüs handlangers gestuurd had om hem te doden. 22Toen Johannes dit hoorde, werd hij woedend. De mannen die kwamen om hem uit de weg te ruimen liet hij oppakken en doden, want hij wist wat ze met hem van plan waren.

23Verdere bijzonderheden over Johannes, over de veldslagen die hij heeft geleverd, de heldendaden die hij heeft verricht, de muren die hij heeft gebouwd en al het andere – 24dat alles is opgetekend in de kronieken van zijn hogepriesterschap, vanaf de dag dat hij zijn vader als hogepriester opvolgde.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]