Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
12

Nieuwe verdragen met Rome en Sparta

121

12:1
1 Mak. 8:17-32
Toen Jonatan merkte dat hij het tij mee had, koos hij enkele mannen uit en stuurde hen naar Rome om het vriendschapsverdrag met de Romeinen te hernieuwen. 2Sparta en andere staten stelde hij hiervan per brief op de hoogte. 3De gezanten reisden naar Rome en gingen de senaat binnen. Ze verklaarden: ‘Hogepriester Jonatan en het Joodse volk hebben ons gestuurd om de vriendschapsbanden met u aan te halen en het oude bondgenootschap te hernieuwen.’ 4De Romeinen gaven hun brieven mee voor de plaatselijke overheden, die hun een veilige terugreis naar Judea moesten garanderen.

5Dit is het afschrift van de brief die Jonatan aan de Spartanen schreef:

6‘Hogepriester Jonatan, de raad van oudsten van het volk, de priesters en het gehele Joodse volk groeten hun broeders de Spartanen. 7

12:7
1 Mak. 12:20-23
Vroeger heeft uw koning Arius aan de hogepriester Onias een brief gezonden, waarin wordt gesteld dat wij aan elkaar verwant zijn. Een afschrift van dit schrijven gaat hierbij. 8Onias heeft de gezant destijds met groot eerbetoon verwelkomd en de brief aangaande ons bondgenootschap en vriendschapsverdrag in ontvangst genomen. 9
12:9
Rom. 15:4
Aangezien wij de heilige boeken bezitten die ons troost bieden, is een verdrag voor ons niet noodzakelijk. 10Desondanks hebben wij u gezanten willen sturen om de banden van broederschap en vriendschap aan te halen. Het is reeds lang geleden dat u uw boodschapper zond, en wij willen voorkomen dat u en wij vreemden voor elkaar worden. 11Op feestdagen en bij andere plechtige gelegenheden noemen wij u steeds bij onze offers en gebeden, want het is juist en gepast dat broeders elkaar gedenken. 12Zo verheugen wij ons ook in het aanzien dat u geniet. 13Zelf worden we omringd door vijanden, van wie we veel ellende te verduren krijgen; de koningen om ons heen zijn voortdurend met ons in oorlog. 14Toch hebben we in deze oorlogen geen beroep op u willen doen, noch op andere bondgenoten en vrienden. 15Immers, wij hebben de hulp van de hemel, die ons bijstaat. Daardoor zijn onze vijanden vernederd en zijn wij van hen verlost. 16
12:16
1 Mak. 14:22
Nu hebben we Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, naar Rome gestuurd om de vriendschap en het oude bondgenootschap met de Romeinen te hernieuwen. 17Wij hebben hun opgedragen ook naar u te reizen om u onze groeten over te brengen en u deze brief te overhandigen met een voorstel tot hernieuwing van onze broederschap. 18Weest u zo goed ons dienaangaande te antwoorden.’

19En dit is het afschrift van de brief die de Spartanen aan Onias hadden gestuurd:

20‘Arius, koning van de Spartanen, groet hogepriester Onias. 21Uit een bewaard gebleven document blijkt dat de Spartanen en de Joden broeders zijn en dat beide volken van Abraham afstammen. 22Nu wij dit weten, zou het ons verheugen wanneer u ons van uw welzijn op de hoogte stelde. 23Wij van onze kant schrijven u: uw vee en uw bezit zijn van ons, en onze bezittingen zijn van u. Wij hebben opdracht gegeven dit voorstel aan u over te brengen.’

24Toen Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een nog grotere strijdmacht dan eerst waren teruggekomen om tegen hem te strijden, 25vertrok hij uit Jeruzalem en ging hun tot in het gebied van Hamat tegemoet. Hij wilde hun niet de gelegenheid geven zijn land binnen te vallen. 26Hij stuurde spionnen naar hun kamp, die hem na terugkomst vertelden dat de vijand zich gereedmaakte om hem die nacht aan te vallen. 27Na zonsondergang beval Jonatan zijn mannen niet te gaan slapen maar gewapend te blijven en zich de hele nacht paraat te houden. Rondom het legerkamp stelde hij wachtposten op. 28Toen de vijand hoorde dat Jonatan en zijn mannen klaarstonden voor de strijd, verloren ze de moed. Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug.12:28 Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug – Andere handschriften lezen: ‘Ze ontstaken vuren in hun legerkamp’. 29Maar doordat Jonatan en zijn mannen de vuren zagen branden, merkten ze dat pas de volgende ochtend. 30Jonatan zette de achtervolging in maar kon zijn tegenstanders niet meer inhalen; ze waren de Eleuterus al overgestoken. 31Vervolgens trok Jonatan op tegen de Zabadese Arabieren. Hij versloeg hen en plunderde hun bezittingen. 32Daarna brak hij op om naar Damascus te gaan, aan de andere kant van het land. 33Simon was opgetrokken tot Askelon en de burchten in de omgeving, maar daarna was hij afgebogen naar Joppe en had de stad bezet. 34Hij had namelijk gehoord dat de inwoners de burcht wilden overgeven aan de soldaten van Demetrius. Ter bewaking van de stad legerde hij er een garnizoen. 35Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen en nam samen met hen het besluit om vestingen te bouwen in Judea 36en de muren rond Jeruzalem op te hogen. Verder zou er nog een hoge muur worden opgetrokken, zodat de citadel van de stad werd afgescheiden en er geen handelsverkeer tussen beide meer mogelijk was. 37Iedereen werkte mee aan de herbouw van de stad, want het oostelijke deel van de muur, dat langs de wadi liep, was ingestort. Ook Chafenata werd hersteld. 38Simon bouwde Chadid in de Sefela weer op; hij versterkte de stad en plaatste er vergrendelbare poorten.

Jonatan gevangengenomen

39

12:39
1 Mak. 11:39,54
Tryfon wilde de heerschappij over Asia bemachtigen en zichzelf tot koning uitroepen, maar daarvoor moest hij koning Antiochus uit de weg ruimen. 40Omdat Tryfon bang was dat Jonatan dit zou willen verhinderen en de wapens tegen hem zou opnemen, beraamde hij een plan om hem te doden. Hij brak op en trok naar Bet-San. 41Jonatan ging hem tegemoet met veertigduizend geoefende soldaten en stelde hen in de buurt van Bet-San in slagorde op. 42Toen Tryfon zag dat Jonatan met een grote strijdmacht was gekomen, durfde hij hem niet meer aan te vallen. 43In plaats daarvan ontving hij hem met pracht en praal, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen en gaf hem geschenken. Hij beval zijn bondgenoten en strijdkrachten Jonatan te gehoorzamen als hemzelf. 44En tegen Jonatan zei hij: ‘Waarom hebt u zo veel mannen op de been gebracht? Er dreigt toch geen oorlog? 45Stuur uw mannen toch naar huis! Kies er een paar uit om bij u te blijven en vergezelt u mij dan naar Ptolemaïs. Ik wil die stad en de andere burchten, met alle strijdkrachten en bevelhebbers, aan u schenken. Dat is de reden waarom ik ben gekomen, daarna trek ik me weer terug.’ 46Jonatan vertrouwde hem en deed wat Tryfon gezegd had. Hij stuurde zijn strijdkrachten weg en deze vertrokken naar Judea. 47Drieduizend man hield hij over, van wie hij er tweeduizend naar Galilea stuurde en duizend met zich meenam. 48Maar toen Jonatan in Ptolemaïs kwam, sloten de inwoners de poorten, namen Jonatan gevangen en doodden iedereen die met hem was meegekomen. 49Tryfon stuurde voetvolk en ruiters naar de grote vlakte van Galilea om alle andere mannen van Jonatan te doden. 50Die hoorden het bericht dat Jonatan gevangen was genomen en dachten dat hij samen met al zijn mannen was gedood. Ze spraken elkaar moed in, begaven zich in gelid naar het strijdperk 51en joegen hun achtervolgers, die zagen dat ze bereid waren zich dood te vechten, op de vlucht. 52Ze keerden veilig terug in Judea, maar waren bang en treurden om Jonatan en zijn mannen. Heel Israël gaf zich over aan diepe rouw. 53De volken rondom probeerden opnieuw hen uit te roeien, want ze dachten: De Joden hebben geen leider meer en er is niemand die hen nog te hulp zal komen; laten we daarom nu tegen hen strijden en de herinnering aan hen volledig uitwissen.

13

131Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht om Judea binnen te vallen en te verwoesten. 2Omdat hij merkte dat het volk bang en angstig was, ging hij naar Jeruzalem en riep het bijeen. 3Hij sprak het moed in met de volgende woorden: ‘Jullie weten zelf wat mijn broers en ik, mijn hele familie, voor onze tradities en voor de tempel gedaan hebben, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben moeten doorstaan. 4Al mijn broers zijn inmiddels voor Israël gestorven; ik ben de enige die nog over is. 5In deze gevaarlijke tijd zal ik mijn eigen leven beslist niet sparen; ik ben niet beter dan mijn broers. 6

13:6
1 Mak. 5:2
12:53
Sterker nog, ik wil mijn volk, de tempel en jullie vrouwen en kinderen wreken, want de heidenen hebben zich aaneengesloten om ons uit haat te vernietigen.’ 7Deze woorden gaven het volk weer moed, 8en met luide stem riepen ze: ‘U bent onze leider in de plaats van Judas en uw broer Jonatan. 9Neem de leiding in onze strijd, we zullen alles doen wat u zegt.’ 10
13:10
1 Mak. 12:36
Simon mobiliseerde alle strijdbare mannen en liet de muren van Jeruzalem met spoed voltooien, zodat de stad aan alle kanten versterkt was. 11Hij stuurde Jonatan, de zoon van Absalom, met een aanzienlijke legermacht naar Joppe; deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet.

De dood van Jonatan

12Tryfon was ondertussen met een grote legermacht uit Ptolemaïs vertrokken om Judea binnen te vallen; hij voerde Jonatan als gevangene met zich mee. 13Simon sloeg zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte. 14Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en van plan was de wapens tegen hem op te nemen, stuurde hij gezanten naar hem toe met deze boodschap: 15‘Wij hebben uw broer Jonatan gevangengenomen omdat hij de verschuldigde belastingen voor zijn ambten niet heeft betaald. 16We zullen hem vrijlaten als u ons honderd talent zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, zodat hij niet tegen ons in opstand komt wanneer hij weer vrij is.’ 17Simon wist dat deze woorden bedrog waren. Desondanks liet hij het geld en de kinderen brengen om zich niet de vijandschap van het volk op de hals te halen. 18Anders zouden ze zeggen dat Jonatan was omgekomen omdat zijn broer geweigerd had het geld en de kinderen te sturen. 19Hij liet de kinderen en de honderd talent brengen, en Tryfon bleek inderdaad een bedrieger te zijn, want hij liet Jonatan niet vrij.

20Daarna ging Tryfon op weg om het land binnen te vallen en het volledig te verwoesten. Eerst maakte hij een omweg langs Adora. Maar Simon en zijn leger versperden hem telkens weer de weg. 21De bezetters van de citadel stuurden gezanten naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en hen te bevoorraden. 22Tryfon bracht zijn hele ruiterij in gereedheid, maar die nacht viel er zo veel sneeuw dat hij onmogelijk kon optrekken. Hij blies de aftocht en ging naar Gilead. 23In de buurt van Baskama doodde hij Jonatan en daar begroef hij hem ook. 24Daarna staakte Tryfon zijn opmars en keerde naar zijn eigen land terug.

25Simon liet het gebeente van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modeïn, de stad van zijn voorouders. 26Heel Israël gaf zich over aan diepe rouw; dagenlang treurde het volk om zijn dood. 27Op het graf van zijn vader en broers liet Simon een hoog monument oprichten, zodat het in de wijde omtrek zichtbaar was, met gepolijste stenen aan de voor- en achterzijde. 28Ook liet hij zeven piramides bouwen, de een naast de ander, voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers. 29Rond elke piramide liet hij in een kring grote zuilen plaatsen, waarop hij te hunner nagedachtenis in reliëf wapenrustingen liet aanbrengen en ook schepen, die vooral door zeevarenden werden bewonderd. 30Zo bouwde hij het graf in Modeïn; het staat er tot op de dag van vandaag.

Hernieuwd verdrag met Demetrius II

31Tryfon liet de jonge koning Antiochus verraderlijk om het leven brengen, 32riep zichzelf tot koning uit en deed de koninklijke hoofdband van Asia om. Hij bracht veel ellende over het land. 33Simon versterkte de burchten van Judea met hoge torens, dikke muren en vergrendelbare poorten, en hij liet voedsel in de burchten opslaan. 34Hij koos een paar mannen uit en stuurde ze naar koning Demetrius met het verzoek het land vrij te stellen van belastingen, want het enige dat Tryfon had gedaan was het land plunderen. 35Koning Demetrius antwoordde hem per brief het volgende:

36‘Koning Demetrius groet hogepriester Simon, bondgenoot van vele koningen, en ook de oudsten en de rest van het Joodse volk. 37De gouden krans en de palmtak die u hebt gestuurd hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en zullen de bevoegde instanties aanschrijven om u vrijstelling van belasting te verlenen. 38Alles wat wij in dit schrijven met betrekking tot u bepalen, is terstond van kracht. De burchten die u hebt gebouwd, zijn van u. 39

13:39
1 Mak. 10:29
Wij vergeven u al uw vroegere dwalingen en tekortkomingen. Wij ontheffen u van de achterstallige kroongelden en van de andere belastingen die in Jeruzalem eventueel nog geheven worden. 40Laten alle Israëlieten die in mijn leger kunnen dienen zich inschrijven. Voortaan zal er tussen ons vrede heersen.’

41In het jaar 170 werd het heidense juk van Israël afgenomen 42en begon het volk akten en verdragen als volgt te dateren: ‘In het eerste jaar van Simon, de hogepriester, veldheer en leider van de Joden.’

Simon verovert Gezer en Jeruzalem

43

13:43-48
2 Mak. 10:32-38
In die tijd belegerde Simon Gezer. Hij omsingelde de stad met zijn leger en liet een stormram maken en aan de rand van de stad opstellen. Daarmee sloeg hij een bres in een van de stadstorens en hij nam de stad in. 44Zijn soldaten sprongen vanuit de belegeringstoren de stad in en veroorzaakten grote paniek. 45De inwoners kwamen met hun vrouwen en kinderen naar de stadsmuur, scheurden hun kleren en smeekten Simon met luid geroep om vrede. 46Ze riepen: ‘Straf ons niet voor onze misdaden, maar toon medelijden met ons.’ 47Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij verdreef hen uit de stad en reinigde hun huizen, waarin zich afgodsbeelden bevonden. Daarna trok hij onder gezang van hymnen en lofliederen door de stad. 48Alles wat onrein was liet hij verwijderen, en hij liet er mensen wonen die de wet navolgden. Hij versterkte de stad en bouwde er voor zichzelf een woning.

49

13:49
1 Mak. 13:21
In Jeruzalem konden de bezetters de citadel niet in of uit om op het land voorraden te kopen. Ze leden ernstig gebrek en een groot aantal van hen kwam om van de honger. 50Ook zij smeekten Simon om vrede, en hij stemde erin toe. Hij verdreef hen uit de citadel en reinigde die. 51Op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het jaar 171 hielden de Joden juichend hun intocht: ze zwaaiden met palmtakken, zongen lofliederen en maakten muziek op lieren, cimbalen en harpen omdat de grote vijand uit Israël verdreven was. 52Simon bepaalde dat deze dag jaarlijks gevierd zou worden. Hij versterkte de heilige berg bij de citadel en koos die met zijn mannen als kwartier. 53Toen Simon zijn zoon Johannes oud genoeg vond, stelde hij hem aan als opperbevelhebber. Johannes vestigde zich in Gezer.

14

Demetrius II gevangengenomen

141In het jaar 172 bracht koning Demetrius zijn strijdkrachten bijeen en trok hij naar Medië om hulptroepen te ronselen voor de strijd tegen Tryfon. 2Toen Arsakes, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius zich op zijn grondgebied bevond, stuurde hij een van zijn bevelhebbers om hem levend gevangen te nemen. 3De bevelhebber viel het leger van Demetrius aan en versloeg het, nam Demetrius gevangen en bracht hem naar Arsakes, die hem liet opsluiten.

Simon geeft het land vrede

4In de tijd dat Simon regeerde, had Judea rust. Hij streefde het welzijn van zijn volk na, en iedereen leefde gelukkig in de dagen van zijn roemrijke heerschappij. 5Roemrijk was ook zijn verovering van de havenstad Joppe, waardoor hij de eilanden bereikbaar maakte. 6Hij slaagde er niet alleen in het grondgebied van zijn volk uit te breiden en het hele land in zijn macht te krijgen, 7

14:7
1 Mak. 13:50
maar maakte ook talrijke vijanden krijgsgevangen. Hij bezette Gezer, Bet-Sur en de citadel en reinigde al deze plaatsen. Er was niemand die zich tegen hem verzette. 8
14:8
Zach. 8:12
De mensen bebouwden hun grond in vrede, het land bracht gewassen voort en de bomen in de vlakte droegen vrucht. 9
14:9
Zach. 8:4-5
De oude mannen zaten in de straten en spraken over ieders voorspoed, de jonge mannen droegen prachtige krijgsgewaden. 10Simon voorzag de steden van voedsel en rustte ze uit met verdedigingswerken. Zijn roem reikte tot aan de uiteinden van de aarde. 11Hij gaf vrede aan het land en in Israël heerste grote vreugde. 12
14:12
1 Kon. 5:5
Micha 4:4
Zach. 3:10
Ieder zat onder zijn wijnrank en zijn vijgenboom, en er was geen reden meer om bang te zijn. 13Alle vijanden waren in die tijd uit het land verdwenen en alle koningen waren overwonnen. 14De zwakken van zijn land maakte Simon sterk; hij stelde de wet weer in werking en roeide wettelozen en afvalligen uit. 15Hij liet de tempel verfraaien en verwierf een grote hoeveelheid tempelgerei.

Betrekkingen met Sparta en Rome

16

14:16
1 Mak. 13:23
Het nieuws van Jonatans dood bereikte Rome en zelfs Sparta, en de mensen waren diepbedroefd. 17Toen ze hoorden dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en dat hij nu over het land en de steden heerste, 18
14:18-20
1 Mak. 12:1-3
14:18
1 Mak. 8:17,22
stuurden ze hem een brief op bronzen platen om het vriendschapsverdrag en het bondgenootschap dat ze met zijn broers Judas en Jonatan hadden gesloten te hernieuwen. 19De platen werden in de volksvergadering in Jeruzalem voorgelezen. 20Dit is een afschrift van de brief die de Spartanen stuurden:

‘Sparta en zijn leiders groeten hogepriester Simon, de oudsten, de priesters en de rest van hun Joodse broeders. 21De gezanten die u naar ons volk hebt gestuurd hebben ons verteld van uw roem en eer, en hun komst heeft ons zeer verblijd. 22

14:22
1 Mak. 12:16
Wij hebben hun boodschap als volgt opgetekend in de raadsbesluiten: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, gezanten van de Joden, zijn naar ons toe gekomen om het vriendschapsverdrag met ons te hernieuwen. 23Het volk heeft besloten de mannen eervol te onthalen en hun boodschap op schrift te stellen en in de openbare archieven op te nemen, opdat het Spartaanse volk die niet vergeet. Een afschrift ervan is aan hogepriester Simon gestuurd.’

24Daarna stuurde Simon Numenius naar Rome met een groot gouden schild met een gewicht van duizend mine om het bondgenootschap te bevestigen.

Dankbetuiging aan Simon

25Toen het volk dit alles hoorde, zei het: ‘Hoe kunnen we Simon en zijn zonen bedanken? 26Want hijzelf, zijn broers en zijn familie zijn onverzettelijk geweest in hun strijd tegen Israëls vijanden en ze hebben Israël bevrijd.’ Daarom lieten ze bronzen platen graveren en op zuilen aanbrengen op de Sion. 27Dit is een afschrift van de tekst op de bronzen platen:

‘Op 18 elul van het jaar 172, het derde regeringsjaar van hogepriester Simon, is ons in Asaramel 28op een grote bijeenkomst van de priesters, het volk, de leiders van het volk en de oudsten van het land het volgende meegedeeld: 29Tijdens de vele oorlogen die ons land hebben geteisterd, hebben Simon, de zoon van Mattatias, afstammeling van Jojarib, en zijn broers zich in hun verzet tegen de vijanden van hun volk vaak aan gevaren blootgesteld. Door hun toedoen zijn de tempel en de wet behouden en heeft hun volk grote roem verworven. 30Nadat Jonatan, die zijn volk had weten samen te brengen en hogepriester was geworden, met zijn voorouders verenigd was, 31besloot de vijand het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van de tempel meester te maken. 32Toen heeft Simon de leiding genomen in de strijd voor zijn volk. Uit eigen middelen heeft hij de wapenrusting en soldij van het leger van zijn volk bekostigd. 33Hij heeft de steden van Judea versterkt, waaronder de grensplaats Bet-Sur, waar de vijand vroeger een wapendepot had, en hij heeft er een Joods garnizoen gelegerd. 34

14:34
1 Mak. 13:43-48
Hij heeft de kustplaats Joppe versterkt en ook Gezer in het gebied van Azotus, waar vroeger vijanden woonden maar dat nu bevolkt is met Joden. Beide steden heeft hij voorzien van alles wat nodig was voor hun wederopbouw. 35Omdat Simon het welzijn van zijn volk zo trouw en eervol heeft nagestreefd, heeft het hem tot leider en hogepriester benoemd als dank voor al zijn daden, zijn rechtvaardigheid en niet aflatende trouw, en voor zijn onvermoeibare pogingen de roem van zijn volk te vergroten. 36
14:36
1 Mak. 13:50-52
Tijdens zijn bewind is hij erin geslaagd de vreemdelingen uit het land te verdrijven. Ook de bezetters van de Davidsburcht in Jeruzalem heeft hij verjaagd. Die hadden daar een citadel gebouwd, van waaruit ze uitvallen deden, de omgeving van de tempel verontreinigden en de heiligheid ervan aantastten. 37Simon heeft er Joodse soldaten gelegerd, heeft de citadel versterkt om de stad en het land te beveiligen en heeft de muren van Jeruzalem opgehoogd. 38
14:38
1 Mak. 13:36
Dienovereenkomstig heeft koning Demetrius zijn hogepriesterschap bekrachtigd, 39hem opgenomen in zijn kring van vertrouwelingen en hem grote eer bewezen. 40Hem was namelijk ter ore gekomen dat de Romeinen de Joden tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen. 41De Joden en hun priesters hebben Simon en zijn nakomelingen als hun leider en als hogepriester aangesteld, totdat er een betrouwbare profeet zal opstaan. 42Simon is hun veldheer en draagt tevens zorg voor de tempel; als zodanig is hij belast met de aanstelling van beambten voor werkzaamheden in en rond de tempel, voor het land, de wapendepots en de burchten. 43Hij draagt zorg voor de tempel; dit houdt in dat iedereen hem moet gehoorzamen. Alle akten in het land worden in zijn naam opgemaakt. Bovendien mag hij zich in purper kleden en een gouden speld dragen. 44
14:44
1 Mak. 11:58
Het is noch de priesters noch iemand van het volk geoorloofd een van deze voorschriften buiten werking te stellen, tegen Simons verordeningen in in verzet te komen, zonder zijn toestemming in het land een vergadering bijeen te roepen, zich in purper te kleden of een gouden speld te dragen. 45Ieder die in strijd hiermee handelt of zich hier niet aan houdt, maakt zich strafbaar. 46Het hele volk heeft besloten Simon bovenstaande volmachten te verlenen. 47Simon heeft deze volmachten aanvaard en zich bereid verklaard de hogepriester, veldheer en vorst van de Joden en de priesters te zijn; hij voert het gezag op alle gebied.’

48Deze tekst lieten ze op bronzen platen graveren en binnen de omheining van het heiligdom op een opvallende plaats neerzetten. 49Een afschrift van de tekst werd in de schatkamer opgeborgen, zodat Simon en zijn zonen erover konden beschikken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]