Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

De val van Alexander

111De koning van Egypte bracht een leger op de been zo talrijk als zandkorrels op het strand langs de zee, en rustte bovendien een grote vloot uit. Hij wilde met een list het koninkrijk van Alexander in bezit nemen en het bij zijn rijk voegen. 2Onder het mom van een vriendschappelijk bezoek vertrok hij naar Syrië. De inwoners van de steden openden de poorten en gingen hem tegemoet om hem te begroeten; koning Alexander had daartoe bevel gegeven omdat Ptolemeüs zijn schoonvader was. 3Bij elke stad die Ptolemeüs binnentrok, legde hij strijdkrachten in garnizoen. 4

11:4
1 Mak. 10:84
Toen hij bij Azotus kwam, lieten ze hem de afgebrande tempel van Dagon zien, de verwoeste stad en de omgeving, waar overal lijken lagen, en ook de verkoolde lichamen van degenen die in de strijd waren verbrand en die ze langs de weg hadden opgestapeld. 5Ze vertelden de koning wat Jonatan had gedaan en hoopten hem zo in een kwaad daglicht te stellen, maar de koning zweeg. 6Jonatan ging naar Joppe om de koning met groot eerbetoon te verwelkomen. Ze begroetten elkaar en bleven daar overnachten. 7Vervolgens reisde Jonatan samen met de koning tot aan de rivier de Eleuterus en keerde toen terug naar Jeruzalem. 8Koning Ptolemeüs veroverde de kuststeden tot aan Seleucië aan de zee en beraamde ondertussen snode plannen tegen Alexander. 9Hij stuurde gezanten naar koning Demetrius met deze boodschap: ‘Laten we een verdrag sluiten, dan geef ik u mijn dochter, die nu met Alexander getrouwd is, en maak ik u koning over het rijk van uw vader. 10Ik betreur het dat ik hem mijn dochter heb gegund, want hij heeft geprobeerd me te doden.’ 11Zo maakte hij Alexander verdacht, omdat hij op zijn rijk aasde. 12Vervolgens haalde hij zijn dochter bij hem weg en gaf haar aan Demetrius. Hij nam afstand van Alexander en er ontstond een openlijke vijandschap tussen hen. 13Ptolemeüs trok Antiochië binnen en kroonde zichzelf tot koning van Asia. Nu droeg hij behalve de koninklijke hoofdband van Egypte ook die van Asia om zijn hoofd. 14Koning Alexander bevond zich in die tijd in Cilicië, omdat de inwoners van die streek tegen hem in opstand waren gekomen, 15maar zodra hij hoorde wat er gebeurd was, trok hij tegen Ptolemeüs ten strijde. Deze kwam met een sterk leger op hem af en joeg hem op de vlucht. 16Alexander vluchtte naar Arabië, waar hij bescherming hoopte te vinden. Koning Ptolemeüs was nu oppermachtig. 17De Arabier Zabdiël hakte Alexanders hoofd af en stuurde het naar Ptolemeüs. 18Maar drie dagen later stierf koning Ptolemeüs zelf. De manschappen die hij in de versterkte steden in garnizoen had gelegd werden door de inwoners van die steden gedood. 19Zo kwam in het jaar 167 Demetrius aan de macht.

Jonatan wint de gunst van Demetrius II

20In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea bijeen om de citadel in Jeruzalem aan te vallen. Ze hadden al veel oorlogstuig in stelling gebracht 21toen een paar afvallige Joden uit haat tegen hun eigen volk naar de koning gingen om hem te zeggen dat Jonatan de citadel belegerde. 22Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend. Hij had het bericht nog maar nauwelijks vernomen, of hij was al op weg naar Ptolemaïs. Hij liet Jonatan per brief weten dat hij de belegering moest staken en zich onmiddellijk voor een onderhoud bij hem moest vervoegen. 23Maar toen Jonatan de brief gelezen had, liet hij de belegering juist voortzetten. Vervolgens koos hij onder de oudsten van Israël en de priesters een paar begeleiders uit en toog naar het hol van de leeuw. 24Met zilver, goud, kledingstukken en vele andere geschenken ging hij naar de koning in Ptolemaïs en wist zijn gunst te winnen. 25Hoewel een paar afvallige volksgenoten van Jonatan beschuldigingen tegen hem inbrachten, 26deed de koning wat zijn voorgangers hadden gedaan: hij bewees Jonatan eer in aanwezigheid van al zijn vertrouwelingen. 27

11:27
1 Mak. 10:65
Hij bevestigde zijn hogepriesterschap en alle eervolle functies die hem al eerder waren verleend, en nam hem op in de kring van zijn vertrouwelingen. 28
11:28
1 Mak. 11:34
Jonatan verzocht de koning Judea en de drie districten van Samaria te ontheffen van belastingen; in ruil daarvoor beloofde hij hem driehonderd talent. 29De koning willigde Jonatans verzoek in en stelde voor hem het volgende op schrift:

30

11:30-37
1 Mak. 10:26-45
‘Koning Demetrius groet zijn broeder Jonatan en het Joodse volk. 31Te uwer informatie sturen wij u hierbij een afschrift van de brief die wij onze bloedverwant Lastenes over u hebben geschreven. 32“Koning Demetrius groet de eerbiedwaardige Lastenes. 33Aangezien het Joodse volk onze bondgenoot is en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, hebben wij besloten deze welgezindheid tegenover ons te belonen. 34
11:34
1 Mak. 10:30
Daarom bevestigen wij dat zij de rechtmatige bezitters van Judea zijn en van de drie districten Efraïm, Lydda en Ramataïm; deze laatste zullen van Samaria worden afgescheiden en in hun geheel bij Judea worden ingelijfd. Voorts zijn allen die in Jeruzalem offeren ontheven van de plicht jaarlijks een deel van de vrucht van land en bomen aan de koning af te dragen. 35Ook de voorheen aan ons verschuldigde tienden, tolgelden, zoutbelasting en kroongelden behoeven zij ons niet langer te betalen. 36Deze maatregelen blijven onverkort van kracht, nu en voor altijd. 37Wij verzoeken u een afschrift van deze maatregelen aan Jonatan te sturen, zodat dit op een goed zichtbare plaats op de heilige berg kan worden opgehangen.”’

38Toen koning Demetrius merkte dat de rust in zijn land was weergekeerd en dat niemand meer tegen hem in verzet kwam, stuurde hij al zijn strijdkrachten naar huis, behalve de vreemdelingen die hij als huurtroepen van de Griekse eilanden had gerekruteerd. Dat namen de gewone strijdkrachten, die nog onder zijn voorgangers hadden gediend, hem zeer kwalijk. 39Een zekere Tryfon, een vroegere aanhanger van Alexander, merkte hoe de strijdkrachten zich over Demetrius beklaagden. Hij reisde daarom naar de Arabier Imalkue, die Alexanders zoon Antiochus opvoedde, 40en drong er bij hem op aan Antiochus aan hem mee te geven, zodat hij ervoor kon zorgen dat de jongen koning werd op de troon van zijn vader. Hij lichtte hem in over de maatregelen die Demetrius had getroffen en over de onvrede die er onder de strijdkrachten over Demetrius was ontstaan. Tryfon bleef geruime tijd bij hem. 41Jonatan had ondertussen koning Demetrius verzocht zijn troepen uit de citadel van Jeruzalem en uit de andere vestingsteden terug te trekken, omdat ze Israël bleven bestoken. 42Demetrius liet Jonatan het volgende weten: ‘Niet alleen wil ik aan uw verzoek voldoen, maar ik wil u en uw volk bij gelegenheid ook eer bewijzen. 43Maar wees nu zo goed mij mannen te sturen die aan mijn kant willen strijden, want al mijn eigen strijdkrachten zijn tegen me in opstand gekomen.’ 44Jonatan stuurde drieduizend krijgshaftige mannen naar Demetrius in Antiochië. Zij meldden zich bij de koning, die zeer verheugd was over hun komst. 45De inwoners van de stad, ongeveer honderdtwintigduizend mensen, dromden samen in het centrum van de stad, vastbesloten de koning te doden. 46De koning vluchtte naar het paleis, maar de inwoners van de stad bezetten de hoofdstraten en begonnen te vechten. 47Toen riep de koning de Joden te hulp. Ze verzamelden zich eerst bij hem, verspreidden zich daarna door de stad en doodden die dag ongeveer honderdduizend mensen. 48Nog dezelfde dag plunderden ze de stad en legden die in de as. Zo slaagden ze erin de koning te redden. 49Toen de inwoners van de stad zagen dat de Joden de stad hadden overmeesterd zoals ze van plan waren geweest, verloren ze de moed en smeekten de koning 50om vrede: ‘Laat de Joden ophouden oorlog te voeren tegen ons en onze stad.’ 51Ze legden de wapens neer en gaven zich over. De Joden werden in tegenwoordigheid van de koning en al zijn onderdanen met eer overladen en verwierven roem in heel het koninkrijk. Daarna keerden ze met een rijke buit naar Jeruzalem terug. 52Koning Demetrius had zijn troon veiliggesteld en er heerste weer vrede in het land. 53Maar aan zijn beloften hield hij zich niet, en hij verbrak zijn banden met Jonatan. Hij betaalde de gunsten die Jonatan hem bewezen had niet terug; integendeel, hij stelde zich zeer vijandig jegens hem op.

Jonatan kiest voor Antiochus VI

54Na deze gebeurtenissen keerde Tryfon met de nog zeer jonge Antiochus terug. De jongen werd koning gemaakt en kreeg de koninklijke hoofdband om. 55Alle strijdkrachten die door Demetrius waren afgedankt sloten zich bij hem aan en namen de wapens op tegen Demetrius. Die werd verslagen en op de vlucht gejaagd. 56Tryfon lijfde de olifanten bij zijn leger in en veroverde Antiochië. 57

11:57
1 Mak. 10:20,65
Toen schreef de jonge Antiochus Jonatan het volgende: ‘Ik bevestig uw aanstelling als hogepriester en laat de vier districten onder uw bestuur. Bovendien mag u de titel Vriend van de koning voeren.’ 58
11:58
1 Mak. 10:89
14:44
Hij stuurde hem gouden tafelgerei en gaf hem toestemming uit gouden bekers te drinken, zich in purper te kleden en een gouden speld te dragen. 59Jonatans broer Simon werd door Antiochus aangesteld als bevelhebber over het gebied tussen de Trap van Tyrus en de Egyptische grens. 60Jonatan rukte uit naar het gebied ten westen van de Eufraat en de daar gelegen steden. Het gehele Syrische leger sloot zich als bondgenoot bij hem aan. Toen hij in Askelon aankwam, liepen de inwoners van de stad hem in een stoet vol pracht en praal tegemoet. 61Van daar trok hij naar Gaza, maar de inwoners sloten de poorten. Hij sloeg het beleg voor de stad, stak de omgeving in brand en plunderde die. 62Toen vroegen de inwoners van Gaza om vrede en kondigde Jonatan een bestand af. Hij nam de zonen van hun leiders als gijzelaars en stuurde ze naar Jeruzalem. Daarna trok hij naar de andere kant van het land, tot aan Damascus.

63Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een groot leger tot Kedes in Galilea waren gekomen, met de bedoeling hem uit zijn functie te ontzetten. 64Hij ging hun tegemoet, maar zijn broer Simon liet hij in het land achter. 65Simon sloeg zijn kamp op bij Bet-Sur en belegerde en bestookte de stad dagenlang. 66De inwoners vroegen om een bestand en hij stemde toe. Wel verdreef hij hen uit de stad, bezette die en legerde er een garnizoen. 67Jonatan en zijn leger sloegen hun kamp op bij het Meer van Gennesaret. De volgende ochtend vroeg gingen ze naar de vlakte van Hasor. 68Daar stuitten ze op vijandige troepen. Terwijl die Jonatan van voren aanvielen, kwamen de eenheden die ze in de bergen hadden achtergelaten om hem van achteren aan te vallen 69uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en mengden zich in de strijd. 70Alle soldaten van Jonatan vluchtten, niemand bleef achter, behalve de bevelhebbers van het leger: Mattatias, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfi. 71Jonatan scheurde zijn kleren, strooide stof over zijn hoofd en bad. 72Daarna wierp hij zich weer in de strijd en joeg de vijand op de vlucht. 73De troepen die een goed heenkomen hadden gezocht, zagen dat en keerden naar hem terug. Samen zetten ze de achtervolging in tot aan het vijandelijke kamp in Kedes. Daar hielden ze halt. 74Van Demetrius’ troepen sneuvelden die dag ongeveer drieduizend mannen. Daarna keerde Jonatan naar Jeruzalem terug.

12

Nieuwe verdragen met Rome en Sparta

121

12:1
1 Mak. 8:17-32
Toen Jonatan merkte dat hij het tij mee had, koos hij enkele mannen uit en stuurde hen naar Rome om het vriendschapsverdrag met de Romeinen te hernieuwen. 2Sparta en andere staten stelde hij hiervan per brief op de hoogte. 3De gezanten reisden naar Rome en gingen de senaat binnen. Ze verklaarden: ‘Hogepriester Jonatan en het Joodse volk hebben ons gestuurd om de vriendschapsbanden met u aan te halen en het oude bondgenootschap te hernieuwen.’ 4De Romeinen gaven hun brieven mee voor de plaatselijke overheden, die hun een veilige terugreis naar Judea moesten garanderen.

5Dit is het afschrift van de brief die Jonatan aan de Spartanen schreef:

6‘Hogepriester Jonatan, de raad van oudsten van het volk, de priesters en het gehele Joodse volk groeten hun broeders de Spartanen. 7

12:7
1 Mak. 12:20-23
Vroeger heeft uw koning Arius aan de hogepriester Onias een brief gezonden, waarin wordt gesteld dat wij aan elkaar verwant zijn. Een afschrift van dit schrijven gaat hierbij. 8Onias heeft de gezant destijds met groot eerbetoon verwelkomd en de brief aangaande ons bondgenootschap en vriendschapsverdrag in ontvangst genomen. 9
12:9
Rom. 15:4
Aangezien wij de heilige boeken bezitten die ons troost bieden, is een verdrag voor ons niet noodzakelijk. 10Desondanks hebben wij u gezanten willen sturen om de banden van broederschap en vriendschap aan te halen. Het is reeds lang geleden dat u uw boodschapper zond, en wij willen voorkomen dat u en wij vreemden voor elkaar worden. 11Op feestdagen en bij andere plechtige gelegenheden noemen wij u steeds bij onze offers en gebeden, want het is juist en gepast dat broeders elkaar gedenken. 12Zo verheugen wij ons ook in het aanzien dat u geniet. 13Zelf worden we omringd door vijanden, van wie we veel ellende te verduren krijgen; de koningen om ons heen zijn voortdurend met ons in oorlog. 14Toch hebben we in deze oorlogen geen beroep op u willen doen, noch op andere bondgenoten en vrienden. 15Immers, wij hebben de hulp van de hemel, die ons bijstaat. Daardoor zijn onze vijanden vernederd en zijn wij van hen verlost. 16
12:16
1 Mak. 14:22
Nu hebben we Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, naar Rome gestuurd om de vriendschap en het oude bondgenootschap met de Romeinen te hernieuwen. 17Wij hebben hun opgedragen ook naar u te reizen om u onze groeten over te brengen en u deze brief te overhandigen met een voorstel tot hernieuwing van onze broederschap. 18Weest u zo goed ons dienaangaande te antwoorden.’

19En dit is het afschrift van de brief die de Spartanen aan Onias hadden gestuurd:

20‘Arius, koning van de Spartanen, groet hogepriester Onias. 21Uit een bewaard gebleven document blijkt dat de Spartanen en de Joden broeders zijn en dat beide volken van Abraham afstammen. 22Nu wij dit weten, zou het ons verheugen wanneer u ons van uw welzijn op de hoogte stelde. 23Wij van onze kant schrijven u: uw vee en uw bezit zijn van ons, en onze bezittingen zijn van u. Wij hebben opdracht gegeven dit voorstel aan u over te brengen.’

24Toen Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een nog grotere strijdmacht dan eerst waren teruggekomen om tegen hem te strijden, 25vertrok hij uit Jeruzalem en ging hun tot in het gebied van Hamat tegemoet. Hij wilde hun niet de gelegenheid geven zijn land binnen te vallen. 26Hij stuurde spionnen naar hun kamp, die hem na terugkomst vertelden dat de vijand zich gereedmaakte om hem die nacht aan te vallen. 27Na zonsondergang beval Jonatan zijn mannen niet te gaan slapen maar gewapend te blijven en zich de hele nacht paraat te houden. Rondom het legerkamp stelde hij wachtposten op. 28Toen de vijand hoorde dat Jonatan en zijn mannen klaarstonden voor de strijd, verloren ze de moed. Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug.12:28 Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug – Andere handschriften lezen: ‘Ze ontstaken vuren in hun legerkamp’. 29Maar doordat Jonatan en zijn mannen de vuren zagen branden, merkten ze dat pas de volgende ochtend. 30Jonatan zette de achtervolging in maar kon zijn tegenstanders niet meer inhalen; ze waren de Eleuterus al overgestoken. 31Vervolgens trok Jonatan op tegen de Zabadese Arabieren. Hij versloeg hen en plunderde hun bezittingen. 32Daarna brak hij op om naar Damascus te gaan, aan de andere kant van het land. 33Simon was opgetrokken tot Askelon en de burchten in de omgeving, maar daarna was hij afgebogen naar Joppe en had de stad bezet. 34Hij had namelijk gehoord dat de inwoners de burcht wilden overgeven aan de soldaten van Demetrius. Ter bewaking van de stad legerde hij er een garnizoen. 35Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen en nam samen met hen het besluit om vestingen te bouwen in Judea 36en de muren rond Jeruzalem op te hogen. Verder zou er nog een hoge muur worden opgetrokken, zodat de citadel van de stad werd afgescheiden en er geen handelsverkeer tussen beide meer mogelijk was. 37Iedereen werkte mee aan de herbouw van de stad, want het oostelijke deel van de muur, dat langs de wadi liep, was ingestort. Ook Chafenata werd hersteld. 38Simon bouwde Chadid in de Sefela weer op; hij versterkte de stad en plaatste er vergrendelbare poorten.

Jonatan gevangengenomen

39

12:39
1 Mak. 11:39,54
Tryfon wilde de heerschappij over Asia bemachtigen en zichzelf tot koning uitroepen, maar daarvoor moest hij koning Antiochus uit de weg ruimen. 40Omdat Tryfon bang was dat Jonatan dit zou willen verhinderen en de wapens tegen hem zou opnemen, beraamde hij een plan om hem te doden. Hij brak op en trok naar Bet-San. 41Jonatan ging hem tegemoet met veertigduizend geoefende soldaten en stelde hen in de buurt van Bet-San in slagorde op. 42Toen Tryfon zag dat Jonatan met een grote strijdmacht was gekomen, durfde hij hem niet meer aan te vallen. 43In plaats daarvan ontving hij hem met pracht en praal, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen en gaf hem geschenken. Hij beval zijn bondgenoten en strijdkrachten Jonatan te gehoorzamen als hemzelf. 44En tegen Jonatan zei hij: ‘Waarom hebt u zo veel mannen op de been gebracht? Er dreigt toch geen oorlog? 45Stuur uw mannen toch naar huis! Kies er een paar uit om bij u te blijven en vergezelt u mij dan naar Ptolemaïs. Ik wil die stad en de andere burchten, met alle strijdkrachten en bevelhebbers, aan u schenken. Dat is de reden waarom ik ben gekomen, daarna trek ik me weer terug.’ 46Jonatan vertrouwde hem en deed wat Tryfon gezegd had. Hij stuurde zijn strijdkrachten weg en deze vertrokken naar Judea. 47Drieduizend man hield hij over, van wie hij er tweeduizend naar Galilea stuurde en duizend met zich meenam. 48Maar toen Jonatan in Ptolemaïs kwam, sloten de inwoners de poorten, namen Jonatan gevangen en doodden iedereen die met hem was meegekomen. 49Tryfon stuurde voetvolk en ruiters naar de grote vlakte van Galilea om alle andere mannen van Jonatan te doden. 50Die hoorden het bericht dat Jonatan gevangen was genomen en dachten dat hij samen met al zijn mannen was gedood. Ze spraken elkaar moed in, begaven zich in gelid naar het strijdperk 51en joegen hun achtervolgers, die zagen dat ze bereid waren zich dood te vechten, op de vlucht. 52Ze keerden veilig terug in Judea, maar waren bang en treurden om Jonatan en zijn mannen. Heel Israël gaf zich over aan diepe rouw. 53De volken rondom probeerden opnieuw hen uit te roeien, want ze dachten: De Joden hebben geen leider meer en er is niemand die hen nog te hulp zal komen; laten we daarom nu tegen hen strijden en de herinnering aan hen volledig uitwissen.

13

131Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht om Judea binnen te vallen en te verwoesten. 2Omdat hij merkte dat het volk bang en angstig was, ging hij naar Jeruzalem en riep het bijeen. 3Hij sprak het moed in met de volgende woorden: ‘Jullie weten zelf wat mijn broers en ik, mijn hele familie, voor onze tradities en voor de tempel gedaan hebben, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben moeten doorstaan. 4Al mijn broers zijn inmiddels voor Israël gestorven; ik ben de enige die nog over is. 5In deze gevaarlijke tijd zal ik mijn eigen leven beslist niet sparen; ik ben niet beter dan mijn broers. 6

13:6
1 Mak. 5:2
12:53
Sterker nog, ik wil mijn volk, de tempel en jullie vrouwen en kinderen wreken, want de heidenen hebben zich aaneengesloten om ons uit haat te vernietigen.’ 7Deze woorden gaven het volk weer moed, 8en met luide stem riepen ze: ‘U bent onze leider in de plaats van Judas en uw broer Jonatan. 9Neem de leiding in onze strijd, we zullen alles doen wat u zegt.’ 10
13:10
1 Mak. 12:36
Simon mobiliseerde alle strijdbare mannen en liet de muren van Jeruzalem met spoed voltooien, zodat de stad aan alle kanten versterkt was. 11Hij stuurde Jonatan, de zoon van Absalom, met een aanzienlijke legermacht naar Joppe; deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet.

De dood van Jonatan

12Tryfon was ondertussen met een grote legermacht uit Ptolemaïs vertrokken om Judea binnen te vallen; hij voerde Jonatan als gevangene met zich mee. 13Simon sloeg zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte. 14Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en van plan was de wapens tegen hem op te nemen, stuurde hij gezanten naar hem toe met deze boodschap: 15‘Wij hebben uw broer Jonatan gevangengenomen omdat hij de verschuldigde belastingen voor zijn ambten niet heeft betaald. 16We zullen hem vrijlaten als u ons honderd talent zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, zodat hij niet tegen ons in opstand komt wanneer hij weer vrij is.’ 17Simon wist dat deze woorden bedrog waren. Desondanks liet hij het geld en de kinderen brengen om zich niet de vijandschap van het volk op de hals te halen. 18Anders zouden ze zeggen dat Jonatan was omgekomen omdat zijn broer geweigerd had het geld en de kinderen te sturen. 19Hij liet de kinderen en de honderd talent brengen, en Tryfon bleek inderdaad een bedrieger te zijn, want hij liet Jonatan niet vrij.

20Daarna ging Tryfon op weg om het land binnen te vallen en het volledig te verwoesten. Eerst maakte hij een omweg langs Adora. Maar Simon en zijn leger versperden hem telkens weer de weg. 21De bezetters van de citadel stuurden gezanten naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en hen te bevoorraden. 22Tryfon bracht zijn hele ruiterij in gereedheid, maar die nacht viel er zo veel sneeuw dat hij onmogelijk kon optrekken. Hij blies de aftocht en ging naar Gilead. 23In de buurt van Baskama doodde hij Jonatan en daar begroef hij hem ook. 24Daarna staakte Tryfon zijn opmars en keerde naar zijn eigen land terug.

25Simon liet het gebeente van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modeïn, de stad van zijn voorouders. 26Heel Israël gaf zich over aan diepe rouw; dagenlang treurde het volk om zijn dood. 27Op het graf van zijn vader en broers liet Simon een hoog monument oprichten, zodat het in de wijde omtrek zichtbaar was, met gepolijste stenen aan de voor- en achterzijde. 28Ook liet hij zeven piramides bouwen, de een naast de ander, voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers. 29Rond elke piramide liet hij in een kring grote zuilen plaatsen, waarop hij te hunner nagedachtenis in reliëf wapenrustingen liet aanbrengen en ook schepen, die vooral door zeevarenden werden bewonderd. 30Zo bouwde hij het graf in Modeïn; het staat er tot op de dag van vandaag.

Hernieuwd verdrag met Demetrius II

31Tryfon liet de jonge koning Antiochus verraderlijk om het leven brengen, 32riep zichzelf tot koning uit en deed de koninklijke hoofdband van Asia om. Hij bracht veel ellende over het land. 33Simon versterkte de burchten van Judea met hoge torens, dikke muren en vergrendelbare poorten, en hij liet voedsel in de burchten opslaan. 34Hij koos een paar mannen uit en stuurde ze naar koning Demetrius met het verzoek het land vrij te stellen van belastingen, want het enige dat Tryfon had gedaan was het land plunderen. 35Koning Demetrius antwoordde hem per brief het volgende:

36‘Koning Demetrius groet hogepriester Simon, bondgenoot van vele koningen, en ook de oudsten en de rest van het Joodse volk. 37De gouden krans en de palmtak die u hebt gestuurd hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en zullen de bevoegde instanties aanschrijven om u vrijstelling van belasting te verlenen. 38Alles wat wij in dit schrijven met betrekking tot u bepalen, is terstond van kracht. De burchten die u hebt gebouwd, zijn van u. 39

13:39
1 Mak. 10:29
Wij vergeven u al uw vroegere dwalingen en tekortkomingen. Wij ontheffen u van de achterstallige kroongelden en van de andere belastingen die in Jeruzalem eventueel nog geheven worden. 40Laten alle Israëlieten die in mijn leger kunnen dienen zich inschrijven. Voortaan zal er tussen ons vrede heersen.’

41In het jaar 170 werd het heidense juk van Israël afgenomen 42en begon het volk akten en verdragen als volgt te dateren: ‘In het eerste jaar van Simon, de hogepriester, veldheer en leider van de Joden.’

Simon verovert Gezer en Jeruzalem

43

13:43-48
2 Mak. 10:32-38
In die tijd belegerde Simon Gezer. Hij omsingelde de stad met zijn leger en liet een stormram maken en aan de rand van de stad opstellen. Daarmee sloeg hij een bres in een van de stadstorens en hij nam de stad in. 44Zijn soldaten sprongen vanuit de belegeringstoren de stad in en veroorzaakten grote paniek. 45De inwoners kwamen met hun vrouwen en kinderen naar de stadsmuur, scheurden hun kleren en smeekten Simon met luid geroep om vrede. 46Ze riepen: ‘Straf ons niet voor onze misdaden, maar toon medelijden met ons.’ 47Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij verdreef hen uit de stad en reinigde hun huizen, waarin zich afgodsbeelden bevonden. Daarna trok hij onder gezang van hymnen en lofliederen door de stad. 48Alles wat onrein was liet hij verwijderen, en hij liet er mensen wonen die de wet navolgden. Hij versterkte de stad en bouwde er voor zichzelf een woning.

49

13:49
1 Mak. 13:21
In Jeruzalem konden de bezetters de citadel niet in of uit om op het land voorraden te kopen. Ze leden ernstig gebrek en een groot aantal van hen kwam om van de honger. 50Ook zij smeekten Simon om vrede, en hij stemde erin toe. Hij verdreef hen uit de citadel en reinigde die. 51Op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het jaar 171 hielden de Joden juichend hun intocht: ze zwaaiden met palmtakken, zongen lofliederen en maakten muziek op lieren, cimbalen en harpen omdat de grote vijand uit Israël verdreven was. 52Simon bepaalde dat deze dag jaarlijks gevierd zou worden. Hij versterkte de heilige berg bij de citadel en koos die met zijn mannen als kwartier. 53Toen Simon zijn zoon Johannes oud genoeg vond, stelde hij hem aan als opperbevelhebber. Johannes vestigde zich in Gezer.