Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes

101In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning. 2Toen koning Demetrius dit hoorde, mobiliseerde hij een grote troepenmacht en trok tegen hem ten strijde. 3Ook stuurde Demetrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem in vriendelijke bewoordingen meer macht beloofde, 4want hij dacht: Wij moeten snel vrede met hem sluiten, voordat hij met Alexander een verbond sluit tegen ons, 5want hij zal het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk berokkend hebben niet zijn vergeten. 6

10:6
1 Mak. 9:53
Hij machtigde Jonatan om strijdkrachten te mobiliseren en wapens te vervaardigen, en verklaarde dat zij bondgenoten waren. Bovendien gaf hij opdracht de gijzelaars in de citadel aan Jonatan over te dragen. 7Jonatan ging naar Jeruzalem en las de brief voor aan heel het volk en aan de bezetters van de citadel. 8Die schrokken hevig toen ze hoorden dat de koning hem gemachtigd had om strijdkrachten te mobiliseren. 9De bezetters van de citadel droegen de gijzelaars aan Jonatan over, en hij gaf ze terug aan hun ouders. 10Jonatan ging in Jeruzalem wonen en begon met de wederopbouw van de stad. 11Hij gaf werklieden opdracht de stadsmuur weer op te trekken en de Sion ter versterking met gehouwen stenen te omgeven. En zo gebeurde het. 12De vreemdelingen die in de door Bakchides gebouwde vestingen gelegerd waren, vluchtten. 13Ze verlieten hun post en keerden terug naar hun land. 14Alleen in Bet-Sur bleven nog wat mensen achter die de wet en de voorschriften verloochend hadden; zij hadden daar hun toevluchtsoord gevonden.

15Koning Alexander hoorde van de toezeggingen die Demetrius Jonatan had gedaan. En toen men hem vertelde van de veldslagen en heldendaden van Jonatan en zijn broers, en van de ontberingen die ze hadden geleden, 16zei hij: ‘Zo is er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot maken.’ 17Hij stuurde een brief aan Jonatan met deze woorden:

18‘Koning Alexander groet zijn broeder Jonatan. 19Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man en bent u het waard onze bondgenoot te zijn. 20

10:20
1 Mak. 11:57
Daarom benoemen wij u vandaag tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel Vriend van de koning. Bekommer u om onze zaak en wees trouw aan onze vriendschap.’

Met de brief stuurde hij hem een purperen mantel en een gouden krans. 21In de zevende maand van het jaar 160, tijdens het Loofhuttenfeest, trok Jonatan het hogepriestergewaad aan. Hij bracht strijdkrachten bijeen en liet veel wapens maken.

22Toen Demetrius hiervan hoorde, was hij danig ontstemd. Hij zei: 23‘Hoe hebben we kunnen laten gebeuren dat Alexander ons voor is geweest! Hij heeft vriendschap gesloten met de Joden en zo zijn positie versterkt. 24Maar ook ik zal hartelijke woorden tot hen richten en hun hoge ambten en geschenken beloven, zodat ze mijn zijde kiezen.’ 25En hij stuurde hun dit bericht:

‘Koning Demetrius groet het Joodse volk. 26Naar wij hebben vernomen hebt u zich gehouden aan de met ons gesloten verdragen en bent u onze vriendschap trouw gebleven. U hebt zich niet aangesloten bij onze vijanden, en dit verheugt ons zeer. 27Als u ons trouw blijft, zullen wij u rijkelijk belonen voor uw diensten. 28Wij zullen u van de meeste verplichtingen ontslaan en u geschenken geven. 29Hierbij verklaar ik u vrij en onthef ik alle Joden van schatting, zoutheffing en kroongelden. 30

10:30
1 Mak. 11:34
Ook het derde van de veldoogst en de helft van de boomvruchten die mij rechtens toekomen, hoeft u niet meer af te dragen. Met ingang van heden zijn Judea en de drie districten van Samaria en Galilea, die ik bij dezen tot Judees grondgebied verklaar, daarvan voor altijd vrijgesteld. 31Jeruzalem en zijn grondgebied zullen heilig zijn en ontheven van tienden en tolgelden. 32Verder doe ik afstand van mijn bevoegdheden in de citadel van Jeruzalem en verleen ik de hogepriester het recht er naar believen mannen in garnizoen te leggen. 33Alle Joden die als krijgsgevangene uit Judea zijn weggevoerd naar een plaats elders in mijn rijk, zal ik zonder losgeld vrijlaten. Over het vee mag geen belasting worden geheven. 34Op feesten, sabbat, nieuwemaan en andere hoogtijdagen, evenals de drie dagen voor en de drie dagen na een feest zullen alle Joden in mijn rijk van belastingen zijn vrijgesteld, 35en niemand heeft het recht op die dagen iets van hen te vorderen of hen om wat voor reden dan ook lastig te vallen. 36Ongeveer dertigduizend Joden zullen als strijdkrachten van de koning worden ingeschreven; zij ontvangen dezelfde soldij als de overige koninklijke strijdkrachten. 37Een deel van hen zal worden gelegerd in de grote burchten van de koning en een deel zal in het koninkrijk vertrouwensposten vervullen. Hun bevelhebbers en leiders zullen uit hun eigen gelederen worden gekozen en zij mogen volgens hun eigen wetten leven, zoals de koning dat voor het land Judea heeft bepaald. 38De drie gebieden van Samaria die nu bij Judea zijn ingelijfd, zullen voortaan ook in bestuurlijk opzicht één zijn met Judea en onder het gezag van de hogepriester staan. 39Ptolemaïs en bijhorend gebied schenk ik aan het heiligdom in Jeruzalem, zodat uit de opbrengst de kosten van de tempeldienst kunnen worden gedekt. 40Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sjekel zilver schenken van de inkomsten uit mijn domeinen. 41
10:41
Ezra 6:9
7:20
Alle toelagen ten bate van de tempeldienst die door ambtenaren de laatste jaren niet zijn uitgekeerd, zullen vanaf heden weer worden betaald. 42Ook de vijfduizend sjekel zilver die jaarlijks uit de inkomsten van de tempel gevorderd werden zal ik teruggeven, want ze komen toe aan de dienstdoende priesters. 43Ieder die vanwege schulden bij de koning of om een andere reden in de tempel van Jeruzalem of het tempelgebied zijn toevlucht heeft gezocht, is met alles wat hij in mijn rijk bezit onschendbaar. 44De kosten van de herbouw en vernieuwing van het heiligdom zijn voor rekening van de koning. 45Ook de kosten van de bouw van de muren en verdedigingswerken rond Jeruzalem zijn voor rekening van de koning, evenals de kosten voor de vestingen in Judea.’

Jonatan blijft trouw aan Alexander

46Jonatan en het volk hoorden Demetrius’ beloften vol ongeloof aan en ze gingen er niet op in. Ze herinnerden zich het grote onheil dat hij in Israël had aangericht en hoezeer hij hen had onderdrukt. 47Zij hielden het bij Alexander, hij was tenslotte de eerste geweest die hun vrede had aangeboden, en ze bleven tot het einde toe zijn bondgenoot. 48Koning Alexander bracht een grote strijdmacht op de been en stelde zich op tegenover Demetrius. 49De twee koningen openden de strijd, en het leger van Alexander werd op de vlucht gedreven. Demetrius achtervolgde hem en kreeg de overhand. 50Maar Alexander bood tot zonsondergang hardnekkig verzet, en diezelfde dag nog sneuvelde Demetrius.

51Daarop stuurde Alexander gezanten naar koning Ptolemeüs van Egypte met de volgende boodschap: 52‘Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, ik heb de troon van mijn voorouders bestegen en heb het bestuur op me genomen. Demetrius heb ik verslagen, en de macht over het land is nu in mijn handen. 53In de strijd die ik met hem aanbond is zijn leger door ons verslagen. Nu zetel ik op de troon van zijn rijk. 54Laten wij vriendschap met elkaar sluiten: maak mij uw schoonzoon door mij uw dochter tot vrouw te geven. Ik zal u en haar geschenken geven die u beiden waardig zijn.’ 55En koning Ptolemeüs antwoordde: ‘Ik prijs de dag waarop u bent teruggekeerd in het land van uw voorouders en de troon van hun koninkrijk hebt bestegen. 56Ik ga graag op uw voorstel in. Maar laten wij elkaar eerst in Ptolemaïs ontmoeten. Dan zal ik uw schoonvader worden, zoals u hebt voorgesteld.’

57In het jaar 162 vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. 58Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde. 59Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan om hem uit te nodigen hem te bezoeken. 60Jonatan reisde met een schitterend gevolg naar Ptolemaïs, waar hij de twee koningen ontmoette. Hij gaf hun en hun vertrouwelingen zilver, goud en vele andere geschenken, en won zo hun gunst. 61Maar Israëlieten met kwaad in de zin, mannen die de wet verloochenden, kwamen een aanklacht tegen hem indienen. De koning schonk echter geen aandacht aan hen. 62Integendeel, hij gaf bevel Jonatans gewone kleren te verruilen voor purperen kleding. En zo gebeurde het. 63De koning liet hem naast zich plaatsnemen en zei tegen zijn bevelhebbers: ‘Neem hem mee naar het midden van de stad en roep om dat niemand een aanklacht tegen hem mag indienen of hem mag lastigvallen, om wat voor reden dan ook.’ 64Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen dat Jonatan gehuldigd werd en in purper was gekleed, vluchtten ze. 65

10:65
1 Mak. 11:57
De koning verleende hem de eervolle titel Vriend van de koning, en hij stelde hem aan als veldheer en districtsbestuurder. 66Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde terug naar Jeruzalem.

Jonatan verslaat Apollonius

67In het jaar 165 kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, vanuit Kreta naar het land van zijn voorouders. 68Toen koning Alexander dit hoorde, keerde hij diep verontrust naar Antiochië terug. 69Demetrius bevestigde Apollonius in zijn functie als districtsbestuurder over Cele-Syrië. Deze bracht een grote strijdmacht op de been en sloeg zijn kamp op in de buurt van Jamnia. Van daaruit stuurde hij deze boodschap naar hogepriester Jonatan: 70‘U bent de enige die zich tegen ons verzet, en daarom word ik uitgelachen en bespot. Daar in de bergen durft u ons wel te tarten. 71Als u op uw strijdkrachten vertrouwt, daal dan af naar de vlakte, dan kunnen we daar onze krachten meten. Ik heb de legers van de steden achter mij. 72Doe navraag naar mij, ontdek wie ik ben en wie mijn medestanders zijn. Men zal u zeggen dat u tegen ons leger geen schijn van kans maakt. Uw voorvaders zijn al tweemaal in hun eigen land verslagen. 73En ook u zult in de vlakte, waar geen steen of kiezel te vinden is en geen schuilplaats te bekennen, onze ruiterij en strijdkracht niet kunnen weerstaan.’

74Uitgedaagd door de woorden van Apollonius, zocht Jonatan tienduizend mannen uit en vertrok vanuit Jeruzalem. Zijn broer Simon sloot zich met versterkingen bij hem aan. 75Hij sloeg zijn kamp op bij Joppe. De inwoners van de stad sloten de poorten voor hem, omdat er in Joppe een garnizoen van Apollonius gelegerd was. Maar toen ze de stad aanvielen, 76werden de inwoners bang en openden ze de poorten, zodat Jonatan Joppe kon innemen. 77Apollonius hoorde dit en rukte met drieduizend ruiters en een grote strijdmacht op naar Azotus, alsof hij door die stad wilde trekken. Maar omdat hij op zijn grote ruiterij vertrouwde, bleef hij in de vlakte. 78Jonatan achtervolgde hem tot bij de stad, waar de legers met elkaar in gevecht gingen. 79Apollonius liet duizend ruiters in hinderlaag achter. 80Toen Jonatan dat ontdekte, was hij al door de ruiters omsingeld, en zijn leger werd van de vroege ochtend tot zonsondergang met pijlen bestookt. 81Toch wisten zijn mannen stand te houden, zoals Jonatan bevolen had, en de ruiters van de tegenstander raakten vermoeid. 82Toen de ruiterij was uitgeput, viel Simon het voetvolk aan. Hij kreeg de overhand; de soldaten werden door hem op de vlucht gedreven en 83

10:83
1 Sam. 5:2
de ruiters werden uiteengejaagd over de vlakte en vluchtten naar Azotus. Daar gingen ze de tempel van Dagon binnen om zich in veiligheid te brengen. 84
10:84
1 Mak. 11:4
Jonatan stak Azotus en de steden eromheen in brand en plunderde ze. Daarna legde hij de tempel van Dagon met iedereen die er zijn toevlucht had gezocht in de as. 85Ongeveer achtduizend mannen vielen door het zwaard of kwamen om in het vuur. 86Van daaruit trok Jonatan op tot bij Askelon, waar de inwoners van de stad hem in een feestelijke stoet tegemoet kwamen. 87Met een grote buit keerden Jonatan en zijn mannen vervolgens terug naar Jeruzalem. 88Toen koning Alexander van deze gebeurtenissen hoorde, bewees hij Jonatan nog meer eer. 89
10:89
1 Mak. 11:58
Hij stuurde hem een gouden speld, zoals die gewoonlijk alleen aan bloedverwanten van koningen werd geschonken, en hij gaf hem Akkaron en het bijhorend grondgebied.

11

De val van Alexander

111De koning van Egypte bracht een leger op de been zo talrijk als zandkorrels op het strand langs de zee, en rustte bovendien een grote vloot uit. Hij wilde met een list het koninkrijk van Alexander in bezit nemen en het bij zijn rijk voegen. 2Onder het mom van een vriendschappelijk bezoek vertrok hij naar Syrië. De inwoners van de steden openden de poorten en gingen hem tegemoet om hem te begroeten; koning Alexander had daartoe bevel gegeven omdat Ptolemeüs zijn schoonvader was. 3Bij elke stad die Ptolemeüs binnentrok, legde hij strijdkrachten in garnizoen. 4

11:4
1 Mak. 10:84
Toen hij bij Azotus kwam, lieten ze hem de afgebrande tempel van Dagon zien, de verwoeste stad en de omgeving, waar overal lijken lagen, en ook de verkoolde lichamen van degenen die in de strijd waren verbrand en die ze langs de weg hadden opgestapeld. 5Ze vertelden de koning wat Jonatan had gedaan en hoopten hem zo in een kwaad daglicht te stellen, maar de koning zweeg. 6Jonatan ging naar Joppe om de koning met groot eerbetoon te verwelkomen. Ze begroetten elkaar en bleven daar overnachten. 7Vervolgens reisde Jonatan samen met de koning tot aan de rivier de Eleuterus en keerde toen terug naar Jeruzalem. 8Koning Ptolemeüs veroverde de kuststeden tot aan Seleucië aan de zee en beraamde ondertussen snode plannen tegen Alexander. 9Hij stuurde gezanten naar koning Demetrius met deze boodschap: ‘Laten we een verdrag sluiten, dan geef ik u mijn dochter, die nu met Alexander getrouwd is, en maak ik u koning over het rijk van uw vader. 10Ik betreur het dat ik hem mijn dochter heb gegund, want hij heeft geprobeerd me te doden.’ 11Zo maakte hij Alexander verdacht, omdat hij op zijn rijk aasde. 12Vervolgens haalde hij zijn dochter bij hem weg en gaf haar aan Demetrius. Hij nam afstand van Alexander en er ontstond een openlijke vijandschap tussen hen. 13Ptolemeüs trok Antiochië binnen en kroonde zichzelf tot koning van Asia. Nu droeg hij behalve de koninklijke hoofdband van Egypte ook die van Asia om zijn hoofd. 14Koning Alexander bevond zich in die tijd in Cilicië, omdat de inwoners van die streek tegen hem in opstand waren gekomen, 15maar zodra hij hoorde wat er gebeurd was, trok hij tegen Ptolemeüs ten strijde. Deze kwam met een sterk leger op hem af en joeg hem op de vlucht. 16Alexander vluchtte naar Arabië, waar hij bescherming hoopte te vinden. Koning Ptolemeüs was nu oppermachtig. 17De Arabier Zabdiël hakte Alexanders hoofd af en stuurde het naar Ptolemeüs. 18Maar drie dagen later stierf koning Ptolemeüs zelf. De manschappen die hij in de versterkte steden in garnizoen had gelegd werden door de inwoners van die steden gedood. 19Zo kwam in het jaar 167 Demetrius aan de macht.

Jonatan wint de gunst van Demetrius II

20In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea bijeen om de citadel in Jeruzalem aan te vallen. Ze hadden al veel oorlogstuig in stelling gebracht 21toen een paar afvallige Joden uit haat tegen hun eigen volk naar de koning gingen om hem te zeggen dat Jonatan de citadel belegerde. 22Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend. Hij had het bericht nog maar nauwelijks vernomen, of hij was al op weg naar Ptolemaïs. Hij liet Jonatan per brief weten dat hij de belegering moest staken en zich onmiddellijk voor een onderhoud bij hem moest vervoegen. 23Maar toen Jonatan de brief gelezen had, liet hij de belegering juist voortzetten. Vervolgens koos hij onder de oudsten van Israël en de priesters een paar begeleiders uit en toog naar het hol van de leeuw. 24Met zilver, goud, kledingstukken en vele andere geschenken ging hij naar de koning in Ptolemaïs en wist zijn gunst te winnen. 25Hoewel een paar afvallige volksgenoten van Jonatan beschuldigingen tegen hem inbrachten, 26deed de koning wat zijn voorgangers hadden gedaan: hij bewees Jonatan eer in aanwezigheid van al zijn vertrouwelingen. 27

11:27
1 Mak. 10:65
Hij bevestigde zijn hogepriesterschap en alle eervolle functies die hem al eerder waren verleend, en nam hem op in de kring van zijn vertrouwelingen. 28
11:28
1 Mak. 11:34
Jonatan verzocht de koning Judea en de drie districten van Samaria te ontheffen van belastingen; in ruil daarvoor beloofde hij hem driehonderd talent. 29De koning willigde Jonatans verzoek in en stelde voor hem het volgende op schrift:

30

11:30-37
1 Mak. 10:26-45
‘Koning Demetrius groet zijn broeder Jonatan en het Joodse volk. 31Te uwer informatie sturen wij u hierbij een afschrift van de brief die wij onze bloedverwant Lastenes over u hebben geschreven. 32“Koning Demetrius groet de eerbiedwaardige Lastenes. 33Aangezien het Joodse volk onze bondgenoot is en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, hebben wij besloten deze welgezindheid tegenover ons te belonen. 34
11:34
1 Mak. 10:30
Daarom bevestigen wij dat zij de rechtmatige bezitters van Judea zijn en van de drie districten Efraïm, Lydda en Ramataïm; deze laatste zullen van Samaria worden afgescheiden en in hun geheel bij Judea worden ingelijfd. Voorts zijn allen die in Jeruzalem offeren ontheven van de plicht jaarlijks een deel van de vrucht van land en bomen aan de koning af te dragen. 35Ook de voorheen aan ons verschuldigde tienden, tolgelden, zoutbelasting en kroongelden behoeven zij ons niet langer te betalen. 36Deze maatregelen blijven onverkort van kracht, nu en voor altijd. 37Wij verzoeken u een afschrift van deze maatregelen aan Jonatan te sturen, zodat dit op een goed zichtbare plaats op de heilige berg kan worden opgehangen.”’

38Toen koning Demetrius merkte dat de rust in zijn land was weergekeerd en dat niemand meer tegen hem in verzet kwam, stuurde hij al zijn strijdkrachten naar huis, behalve de vreemdelingen die hij als huurtroepen van de Griekse eilanden had gerekruteerd. Dat namen de gewone strijdkrachten, die nog onder zijn voorgangers hadden gediend, hem zeer kwalijk. 39Een zekere Tryfon, een vroegere aanhanger van Alexander, merkte hoe de strijdkrachten zich over Demetrius beklaagden. Hij reisde daarom naar de Arabier Imalkue, die Alexanders zoon Antiochus opvoedde, 40en drong er bij hem op aan Antiochus aan hem mee te geven, zodat hij ervoor kon zorgen dat de jongen koning werd op de troon van zijn vader. Hij lichtte hem in over de maatregelen die Demetrius had getroffen en over de onvrede die er onder de strijdkrachten over Demetrius was ontstaan. Tryfon bleef geruime tijd bij hem. 41Jonatan had ondertussen koning Demetrius verzocht zijn troepen uit de citadel van Jeruzalem en uit de andere vestingsteden terug te trekken, omdat ze Israël bleven bestoken. 42Demetrius liet Jonatan het volgende weten: ‘Niet alleen wil ik aan uw verzoek voldoen, maar ik wil u en uw volk bij gelegenheid ook eer bewijzen. 43Maar wees nu zo goed mij mannen te sturen die aan mijn kant willen strijden, want al mijn eigen strijdkrachten zijn tegen me in opstand gekomen.’ 44Jonatan stuurde drieduizend krijgshaftige mannen naar Demetrius in Antiochië. Zij meldden zich bij de koning, die zeer verheugd was over hun komst. 45De inwoners van de stad, ongeveer honderdtwintigduizend mensen, dromden samen in het centrum van de stad, vastbesloten de koning te doden. 46De koning vluchtte naar het paleis, maar de inwoners van de stad bezetten de hoofdstraten en begonnen te vechten. 47Toen riep de koning de Joden te hulp. Ze verzamelden zich eerst bij hem, verspreidden zich daarna door de stad en doodden die dag ongeveer honderdduizend mensen. 48Nog dezelfde dag plunderden ze de stad en legden die in de as. Zo slaagden ze erin de koning te redden. 49Toen de inwoners van de stad zagen dat de Joden de stad hadden overmeesterd zoals ze van plan waren geweest, verloren ze de moed en smeekten de koning 50om vrede: ‘Laat de Joden ophouden oorlog te voeren tegen ons en onze stad.’ 51Ze legden de wapens neer en gaven zich over. De Joden werden in tegenwoordigheid van de koning en al zijn onderdanen met eer overladen en verwierven roem in heel het koninkrijk. Daarna keerden ze met een rijke buit naar Jeruzalem terug. 52Koning Demetrius had zijn troon veiliggesteld en er heerste weer vrede in het land. 53Maar aan zijn beloften hield hij zich niet, en hij verbrak zijn banden met Jonatan. Hij betaalde de gunsten die Jonatan hem bewezen had niet terug; integendeel, hij stelde zich zeer vijandig jegens hem op.

Jonatan kiest voor Antiochus VI

54Na deze gebeurtenissen keerde Tryfon met de nog zeer jonge Antiochus terug. De jongen werd koning gemaakt en kreeg de koninklijke hoofdband om. 55Alle strijdkrachten die door Demetrius waren afgedankt sloten zich bij hem aan en namen de wapens op tegen Demetrius. Die werd verslagen en op de vlucht gejaagd. 56Tryfon lijfde de olifanten bij zijn leger in en veroverde Antiochië. 57

11:57
1 Mak. 10:20,65
Toen schreef de jonge Antiochus Jonatan het volgende: ‘Ik bevestig uw aanstelling als hogepriester en laat de vier districten onder uw bestuur. Bovendien mag u de titel Vriend van de koning voeren.’ 58
11:58
1 Mak. 10:89
14:44
Hij stuurde hem gouden tafelgerei en gaf hem toestemming uit gouden bekers te drinken, zich in purper te kleden en een gouden speld te dragen. 59Jonatans broer Simon werd door Antiochus aangesteld als bevelhebber over het gebied tussen de Trap van Tyrus en de Egyptische grens. 60Jonatan rukte uit naar het gebied ten westen van de Eufraat en de daar gelegen steden. Het gehele Syrische leger sloot zich als bondgenoot bij hem aan. Toen hij in Askelon aankwam, liepen de inwoners van de stad hem in een stoet vol pracht en praal tegemoet. 61Van daar trok hij naar Gaza, maar de inwoners sloten de poorten. Hij sloeg het beleg voor de stad, stak de omgeving in brand en plunderde die. 62Toen vroegen de inwoners van Gaza om vrede en kondigde Jonatan een bestand af. Hij nam de zonen van hun leiders als gijzelaars en stuurde ze naar Jeruzalem. Daarna trok hij naar de andere kant van het land, tot aan Damascus.

63Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een groot leger tot Kedes in Galilea waren gekomen, met de bedoeling hem uit zijn functie te ontzetten. 64Hij ging hun tegemoet, maar zijn broer Simon liet hij in het land achter. 65Simon sloeg zijn kamp op bij Bet-Sur en belegerde en bestookte de stad dagenlang. 66De inwoners vroegen om een bestand en hij stemde toe. Wel verdreef hij hen uit de stad, bezette die en legerde er een garnizoen. 67Jonatan en zijn leger sloegen hun kamp op bij het Meer van Gennesaret. De volgende ochtend vroeg gingen ze naar de vlakte van Hasor. 68Daar stuitten ze op vijandige troepen. Terwijl die Jonatan van voren aanvielen, kwamen de eenheden die ze in de bergen hadden achtergelaten om hem van achteren aan te vallen 69uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en mengden zich in de strijd. 70Alle soldaten van Jonatan vluchtten, niemand bleef achter, behalve de bevelhebbers van het leger: Mattatias, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfi. 71Jonatan scheurde zijn kleren, strooide stof over zijn hoofd en bad. 72Daarna wierp hij zich weer in de strijd en joeg de vijand op de vlucht. 73De troepen die een goed heenkomen hadden gezocht, zagen dat en keerden naar hem terug. Samen zetten ze de achtervolging in tot aan het vijandelijke kamp in Kedes. Daar hielden ze halt. 74Van Demetrius’ troepen sneuvelden die dag ongeveer drieduizend mannen. Daarna keerde Jonatan naar Jeruzalem terug.

12

Nieuwe verdragen met Rome en Sparta

121

12:1
1 Mak. 8:17-32
Toen Jonatan merkte dat hij het tij mee had, koos hij enkele mannen uit en stuurde hen naar Rome om het vriendschapsverdrag met de Romeinen te hernieuwen. 2Sparta en andere staten stelde hij hiervan per brief op de hoogte. 3De gezanten reisden naar Rome en gingen de senaat binnen. Ze verklaarden: ‘Hogepriester Jonatan en het Joodse volk hebben ons gestuurd om de vriendschapsbanden met u aan te halen en het oude bondgenootschap te hernieuwen.’ 4De Romeinen gaven hun brieven mee voor de plaatselijke overheden, die hun een veilige terugreis naar Judea moesten garanderen.

5Dit is het afschrift van de brief die Jonatan aan de Spartanen schreef:

6‘Hogepriester Jonatan, de raad van oudsten van het volk, de priesters en het gehele Joodse volk groeten hun broeders de Spartanen. 7

12:7
1 Mak. 12:20-23
Vroeger heeft uw koning Arius aan de hogepriester Onias een brief gezonden, waarin wordt gesteld dat wij aan elkaar verwant zijn. Een afschrift van dit schrijven gaat hierbij. 8Onias heeft de gezant destijds met groot eerbetoon verwelkomd en de brief aangaande ons bondgenootschap en vriendschapsverdrag in ontvangst genomen. 9
12:9
Rom. 15:4
Aangezien wij de heilige boeken bezitten die ons troost bieden, is een verdrag voor ons niet noodzakelijk. 10Desondanks hebben wij u gezanten willen sturen om de banden van broederschap en vriendschap aan te halen. Het is reeds lang geleden dat u uw boodschapper zond, en wij willen voorkomen dat u en wij vreemden voor elkaar worden. 11Op feestdagen en bij andere plechtige gelegenheden noemen wij u steeds bij onze offers en gebeden, want het is juist en gepast dat broeders elkaar gedenken. 12Zo verheugen wij ons ook in het aanzien dat u geniet. 13Zelf worden we omringd door vijanden, van wie we veel ellende te verduren krijgen; de koningen om ons heen zijn voortdurend met ons in oorlog. 14Toch hebben we in deze oorlogen geen beroep op u willen doen, noch op andere bondgenoten en vrienden. 15Immers, wij hebben de hulp van de hemel, die ons bijstaat. Daardoor zijn onze vijanden vernederd en zijn wij van hen verlost. 16
12:16
1 Mak. 14:22
Nu hebben we Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, naar Rome gestuurd om de vriendschap en het oude bondgenootschap met de Romeinen te hernieuwen. 17Wij hebben hun opgedragen ook naar u te reizen om u onze groeten over te brengen en u deze brief te overhandigen met een voorstel tot hernieuwing van onze broederschap. 18Weest u zo goed ons dienaangaande te antwoorden.’

19En dit is het afschrift van de brief die de Spartanen aan Onias hadden gestuurd:

20‘Arius, koning van de Spartanen, groet hogepriester Onias. 21Uit een bewaard gebleven document blijkt dat de Spartanen en de Joden broeders zijn en dat beide volken van Abraham afstammen. 22Nu wij dit weten, zou het ons verheugen wanneer u ons van uw welzijn op de hoogte stelde. 23Wij van onze kant schrijven u: uw vee en uw bezit zijn van ons, en onze bezittingen zijn van u. Wij hebben opdracht gegeven dit voorstel aan u over te brengen.’

24Toen Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een nog grotere strijdmacht dan eerst waren teruggekomen om tegen hem te strijden, 25vertrok hij uit Jeruzalem en ging hun tot in het gebied van Hamat tegemoet. Hij wilde hun niet de gelegenheid geven zijn land binnen te vallen. 26Hij stuurde spionnen naar hun kamp, die hem na terugkomst vertelden dat de vijand zich gereedmaakte om hem die nacht aan te vallen. 27Na zonsondergang beval Jonatan zijn mannen niet te gaan slapen maar gewapend te blijven en zich de hele nacht paraat te houden. Rondom het legerkamp stelde hij wachtposten op. 28Toen de vijand hoorde dat Jonatan en zijn mannen klaarstonden voor de strijd, verloren ze de moed. Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug.12:28 Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug – Andere handschriften lezen: ‘Ze ontstaken vuren in hun legerkamp’. 29Maar doordat Jonatan en zijn mannen de vuren zagen branden, merkten ze dat pas de volgende ochtend. 30Jonatan zette de achtervolging in maar kon zijn tegenstanders niet meer inhalen; ze waren de Eleuterus al overgestoken. 31Vervolgens trok Jonatan op tegen de Zabadese Arabieren. Hij versloeg hen en plunderde hun bezittingen. 32Daarna brak hij op om naar Damascus te gaan, aan de andere kant van het land. 33Simon was opgetrokken tot Askelon en de burchten in de omgeving, maar daarna was hij afgebogen naar Joppe en had de stad bezet. 34Hij had namelijk gehoord dat de inwoners de burcht wilden overgeven aan de soldaten van Demetrius. Ter bewaking van de stad legerde hij er een garnizoen. 35Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen en nam samen met hen het besluit om vestingen te bouwen in Judea 36en de muren rond Jeruzalem op te hogen. Verder zou er nog een hoge muur worden opgetrokken, zodat de citadel van de stad werd afgescheiden en er geen handelsverkeer tussen beide meer mogelijk was. 37Iedereen werkte mee aan de herbouw van de stad, want het oostelijke deel van de muur, dat langs de wadi liep, was ingestort. Ook Chafenata werd hersteld. 38Simon bouwde Chadid in de Sefela weer op; hij versterkte de stad en plaatste er vergrendelbare poorten.

Jonatan gevangengenomen

39

12:39
1 Mak. 11:39,54
Tryfon wilde de heerschappij over Asia bemachtigen en zichzelf tot koning uitroepen, maar daarvoor moest hij koning Antiochus uit de weg ruimen. 40Omdat Tryfon bang was dat Jonatan dit zou willen verhinderen en de wapens tegen hem zou opnemen, beraamde hij een plan om hem te doden. Hij brak op en trok naar Bet-San. 41Jonatan ging hem tegemoet met veertigduizend geoefende soldaten en stelde hen in de buurt van Bet-San in slagorde op. 42Toen Tryfon zag dat Jonatan met een grote strijdmacht was gekomen, durfde hij hem niet meer aan te vallen. 43In plaats daarvan ontving hij hem met pracht en praal, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen en gaf hem geschenken. Hij beval zijn bondgenoten en strijdkrachten Jonatan te gehoorzamen als hemzelf. 44En tegen Jonatan zei hij: ‘Waarom hebt u zo veel mannen op de been gebracht? Er dreigt toch geen oorlog? 45Stuur uw mannen toch naar huis! Kies er een paar uit om bij u te blijven en vergezelt u mij dan naar Ptolemaïs. Ik wil die stad en de andere burchten, met alle strijdkrachten en bevelhebbers, aan u schenken. Dat is de reden waarom ik ben gekomen, daarna trek ik me weer terug.’ 46Jonatan vertrouwde hem en deed wat Tryfon gezegd had. Hij stuurde zijn strijdkrachten weg en deze vertrokken naar Judea. 47Drieduizend man hield hij over, van wie hij er tweeduizend naar Galilea stuurde en duizend met zich meenam. 48Maar toen Jonatan in Ptolemaïs kwam, sloten de inwoners de poorten, namen Jonatan gevangen en doodden iedereen die met hem was meegekomen. 49Tryfon stuurde voetvolk en ruiters naar de grote vlakte van Galilea om alle andere mannen van Jonatan te doden. 50Die hoorden het bericht dat Jonatan gevangen was genomen en dachten dat hij samen met al zijn mannen was gedood. Ze spraken elkaar moed in, begaven zich in gelid naar het strijdperk 51en joegen hun achtervolgers, die zagen dat ze bereid waren zich dood te vechten, op de vlucht. 52Ze keerden veilig terug in Judea, maar waren bang en treurden om Jonatan en zijn mannen. Heel Israël gaf zich over aan diepe rouw. 53De volken rondom probeerden opnieuw hen uit te roeien, want ze dachten: De Joden hebben geen leider meer en er is niemand die hen nog te hulp zal komen; laten we daarom nu tegen hen strijden en de herinnering aan hen volledig uitwissen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]