Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

De generaties van Adam tot Abraham

11

1:1-4
Gen. 5:1-32
Adam, Set, Enos, 2Kenan, Mahalalel, Jered, 3Henoch, Metuselach, Lamech, 4
1:4-21
Gen. 10:1-32
Noach, Sem, Cham en Jafet.

5Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. 6Zonen van Gomer: Askenaz, Difat en Togarma. 7Zonen van Jawan: Elisa en Tarsis;1:7 Tarsis – Volgens de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘Tarsisa’. andere nakomelingen van Jawan: Kittiërs en Rodanieten.

8Zonen van Cham: Kus, Misraïm, Put en Kanaän. 9Zonen van Kus: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. Zonen van Rama: Seba en Dedan. 10Kus was ook de vader van Nimrod, de eerste machthebber op aarde. 11Misraïm was de stamvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 12de Patrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen – en de Kretenzers. 13Kanaän was de vader van Sidon, die de oudste was, en van Chet, 14en de stamvader van de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, 15Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, 16Arwadieten, Semarieten en Hamatieten.

17

1:17-27
Gen. 11:10-26
Nakomelingen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram, Us, Chul, Geter en Mesech. 18Arpachsad was de vader van Selach, en Selach de vader van Eber. 19Eber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg;1:19 Peleg – Peleg kan worden vertaald als ‘verdeling’. in zijn tijd werd de aarde verdeeld. De andere heette Joktan. 20Joktan was de vader van Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 21Hadoram, Uzal, Dikla, 22Ebal, Abimaël, Seba, 23Ofir, Chawila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.

24Sem, Arpachsad, Selach, 25Eber, Peleg, Reü, 26Serug, Nachor, Terach, 27Abram, dat is Abraham.

Afstammelingen van Abraham

28Zonen van Abraham: Isaak en Ismaël.

29

1:29-30
Gen. 25:12-18
Dit zijn hun nakomelingen: Nebajot, Ismaëls oudste zoon, Kedar, Adbeël, Mibsam, 30Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, 31Jetur, Nafis en Kedema. Dit waren de zonen van Ismaël.

32

1:32-33
Gen. 25:1-6
Zonen van Ketura, een bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Zonen van Joksan: Seba en Dedan. 33Zonen van Midjan: Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren nakomelingen van Ketura.

34Abraham verwekte Isaak. Zonen van Isaak: Esau en Israël. 35

1:35-42
Gen. 36:1-28
Zonen van Esau: Elifaz, Reüel, Jeüs, Jalam en Korach. 36Zonen van Elifaz: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. 37Zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza.

38Zonen van Seïr: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. 39Zonen van Lotan: Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna. 40Zonen van Sobal: Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. Zonen van Sibon: Ajja en Ana. 41Zoon van Ana: Dison. Zonen van Dison: Chamran, Esban, Jitran en Keran. 42Zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Jaäkan. Zonen van Disan:1:42 Disan – Voorgestelde lezing. MT: ‘Dison’. Us en Aran.

43

1:43-54
Gen. 36:31-43
Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben nog voordat er een koning regeerde over de Israëlieten. Eerst Bela, de zoon van Beor; de stad waar hij zetelde heette Dinhaba. 44Na de dood van Bela werd Jobab uit Bosra koning, de zoon van Zerach. 45Na de dood van Jobab werd Chusam uit het land van de Temanieten koning. 46Na de dood van Chusam werd Hadad koning, de zoon van Bedad; hij versloeg de Midjanieten in Moab en de stad waar hij zetelde heette Awit. 47Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. 48Na de dood van Samla werd Saül uit Rechobot aan de rivier koning. 49Na de dood van Saül werd Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, koning. 50Na de dood van Baäl-Chanan werd Hadad koning; de stad waar hij zetelde heette Paï, en zijn vrouw was Mehetabel, die een dochter was van Matred, de dochter van Me-Zahab. 51Toen stierf Hadad.

Er waren ook stamvorsten in Edom: Timna, Alja, Jetet, 52Oholibama, Ela, Pinon, 53Kenaz, Teman, Mibsar, 54Magdiël en Iram. Dit waren de stamvorsten van Edom.

2

Afstammelingen van Juda

21

2:1-2
Gen. 35:23-26
Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issachar en Zebulon, 2Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

3

2:3-4
1 Kron. 4:1
2:3
Gen. 38:2-7
Zonen van Juda: Er, Onan en Sela. Deze drie zonen werden hem gebaard door Batsua uit Kanaän. Juda’s oudste zoon Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. 4
2:4
Gen. 38:27-30
Bij zijn schoondochter Tamar verwekte Juda Peres en Zerach. In totaal had hij dus vijf zonen. 5
2:5-12
Ruth 4:18-22
Mat. 1:3-5
Luc. 3:32-33
2:5
Gen. 46:12
Zonen van Peres: Chesron en Chamul. 6
2:6
1 Kon. 5:11
Zerach had vijf zonen: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara.

7

2:7
Joz. 7:1
Zoon van Karmi: Achar, die Israël in het ongeluk stortte doordat hij zich vergreep aan goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER waren gewijd. 8Zoon van Etan: Azarja.

9Chesron kreeg de volgende zonen: Jerachmeël, Ram en Kelubai. 10

2:10
Num. 1:7
Ram verwekte Amminadab en Amminadab verwekte Nachson, stamhoofd van Juda. 11Nachson verwekte Salma, Salma verwekte Boaz, 12Boaz verwekte Obed en Obed verwekte Isaï. 13Isaï verwekte de volgende kinderen: zijn oudste zoon was Eliab, de tweede Abinadab, de derde Sima, 14de vierde Netanel, de vijfde Raddai, 15de zesde Osem en de zevende David; 16
2:16
2 Sam. 2:18
hun zusters heetten Seruja en Abigaïl. Seruja had drie zonen: Absai, Joab en Asaël. 17Abigaïl was de moeder van Amasa, zijn vader was de Ismaëliet Jeter.

18Chesrons zoon Kaleb verwekte bij zijn vrouw Azuba een dochter, Jeriot.2:18 verwekte bij zijn vrouw Azuba een dochter, Jeriot – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘verwekte Azuba, een vrouw, en Jeriot’. Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon. 19Na de dood van Azuba nam hij Efrat tot vrouw. Zij baarde hem Chur. 20Chur verwekte Uri en Uri verwekte Besaleël.

21Op zestigjarige leeftijd trouwde Chesron met een dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij sliep met haar en zij baarde hem Segub. 22Segub verwekte Jaïr. Jaïr bezat drieëntwintig nederzettingen in het gebied van Gilead. 23

2:23
Num. 32:41
Deze zogeheten Dorpen van Jaïr werden ingenomen door Gesur en Aram, zestig nederzettingen in totaal, waaronder Kenat en de omringende dorpen, die allemaal werden bewoond door nakomelingen van Machir, de vader van Gilead.

24Ook na de dood van Chesron, die getrouwd was met Abia, sliep Kaleb met Efrat.2:24 sliep Kaleb met Efrat – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘in Kaleb-Efrata’. Toen baarde zij hem Aschur, de stichter van Tekoa.

25

2:25
1 Sam. 27:10
De zonen van Chesrons oudste zoon Jerachmeël waren Ram, de oudste, en Buna, Oren, Osem en Achia. 26Jerachmeël had nog een andere vrouw, die Atara heette. Zij was de moeder van Onam. 27De zonen van Jerachmeëls oudste zoon Ram waren Maäs, Jamin en Eker. 28De zonen van Onam waren Sammai en Jada. Zonen van Sammai: Nadab en Abisur. 29De vrouw van Abisur heette Abihaïl, zij baarde hem Achban en Molid. 30Zonen van Nadab: Seled en Appaïm. Seled stierf kinderloos, 31Appaïm had een zoon, Jisi. Zoon van Jisi: Sesan. Zoon van Sesan: Achlai. 32Zonen van Sammais broer Jada: Jeter en Jonatan. Jeter stierf kinderloos, 33Jonatan had de zonen Pelet en Zaza. Zij allen waren nakomelingen van Jerachmeël. 34-35Sesan had geen zonen, alleen dochters. Een van zijn dochters gaf hij tot vrouw aan zijn dienaar, de Egyptenaar Jarcha. Zij baarde Attai. 36Attai verwekte Natan, Natan verwekte Zabad, 37Zabad verwekte Eflal, Eflal verwekte Obed, 38Obed verwekte Jehu, Jehu verwekte Azarja, 39Azarja verwekte Cheles, Cheles verwekte Elasa, 40Elasa verwekte Sisemai, Sisemai verwekte Sallum, 41Sallum verwekte Jekamja en Jekamja verwekte Elisama.

42Nakomelingen van Jerachmeëls broer Kaleb: zijn oudste zoon Mesa was de stichter van Zif, Maresa was de stichter van Hebron. 43Uit Hebron zijn voortgekomen: Korach, Tappuach, Rekem en Sema. 44Sema verwekte Racham, de stichter van Jorkoam, en Rekem verwekte Sammai. 45Sammai had een zoon, Maon, en Maon was de stichter van Bet-Sur.

46Kalebs bijvrouw Efa baarde Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Gazez. 47Zonen van Jodai: Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

48Kalebs bijvrouw Maächa baarde Seber en Tirchana. 49

2:49
Joz. 15:16-19
Zij bracht ook Saäf ter wereld, de stichter van Madmanna, en Sewa, de stichter van Machbena en Gibea.

Kaleb had ook een dochter, Achsa.

50

2:50
1 Kron. 2:19
4:1-4
Andere afstammelingen van Kaleb waren de zonen van Efrats oudste zoon Chur: Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, 51Salma, de stichter van Betlehem, en Charef, de stichter van Bet-Gader. 52Van Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, stamt Haroë af en de helft van de inwoners van Menuchot. 53Uit Kirjat-Jearim komen de families Jeter, Put, Suma en Misra, uit wie de bewoners van Sora en Estaol zijn voortgekomen. 54Van Salma stammen de bewoners van Betlehem, Netofa en Atrot-Bet-Joab af, half Manachat, de Sorieten 55en de families in Jabes die zich op de schrijfkunst hebben toegelegd, namelijk de families Tira, Sima en Sucha, Kenieten uit Chammat, waar ook de Rechabieten vandaan komen.

3

Afstammelingen van David

31

3:1-3
2 Sam. 3:2-5
Dit zijn de zonen die David in Hebron kreeg: de oudste was Amnon, een zoon van Achinoam uit Jizreël; de tweede was Daniël, een zoon van Abigaïl uit Karmel; 2de derde was Absalom, een zoon van Maächa, die een dochter was van koning Talmai van Gesur; de vierde was Adonia, een zoon van Chaggit; 3de vijfde was Sefatja, een zoon van Abital; de zesde was Jitream, een zoon van zijn vrouw Egla. 4
3:4
2 Sam. 5:4-5
1 Kon. 2:11
1 Kron. 29:27
Zes zonen kreeg hij in Hebron, waar hij zeven jaar en zes maanden regeerde. In Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar 5
3:5-9
2 Sam. 5:14-16
3:5
2 Sam. 11:3
1 Kron. 14:3-7
en daar kreeg hij de volgende kinderen: Sima, Sobab, Natan en Salomo, de vier zonen van Batsua, de dochter van Ammiël; 6-9verder nog negen zonen: Jibchar, Elisama en Elifelet, Noga, Nefeg en Jafia, Elisama, Eljada en Elifelet, en dan nog de zonen van zijn bijvrouwen; hun zuster was Tamar.

10Salomo was de vader van Rechabeam, die de vader was van Abia, de vader van Asa, de vader van Josafat, 11de vader van Joram, de vader van Achazja, de vader van Joas, 12de vader van Amasja, de vader van Azarja, de vader van Jotam, 13de vader van Achaz, de vader van Hizkia, de vader van Manasse, 14de vader van Amon, de vader van Josia.

15Zonen van Josia: Jochanan, de oudste, Jojakim, de tweede, Sedekia, de derde, en Sallum, de vierde. 16Zonen van Jojakim: Jechonja en Sidkia. 17De zoon van Jechonja was Assir; diens zonen waren Sealtiël, 18Malkiram, Pedaja en Senassar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19Zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simi. Zonen van Zerubbabel: Mesullam en Chananja; hun zuster was Selomit. 20Chasuba, Ohel, Berechja, Chasadja en Jusab-Chesed waren vijf andere zonen van Zerubbabel. 21Zonen van Chananja: Pelatja en Jesaja. Diens zoon was Refaja, diens zoon was Arnan, diens zoon was Obadja, diens zoon was Sechanja.3:21 Diens zoon was Refaja, diens zoon was Arnan, diens zoon was Obadja, diens zoon was Sechanja – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. MT: ‘De zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sechanja’. 22

3:22
Ezra 8:3
Sechanja had zes nakomelingen: zijn zoon Semaja en diens zonen Chattus, Jigal, Bariach, Nearja en Safat. 23Nearja had drie zonen: Eljoënai, Chizkia en Azrikam. 24Eljoënai had zeven zonen: Hodawja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Jochanan, Delaja en Anani.