Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

De ark opgehaald uit Kirjat-Jearim

131

13:1-14
2 Sam. 6:1-11
Nadat David met al zijn legeraanvoerders had beraadslaagd, met de bevelhebbers over duizend man en die over honderd, 2zei hij tegen de gemeenschap van Israël: ‘Als u het ermee eens bent, en als de HEER, onze God, ons vrij baan geeft, laten we dan boden sturen naar onze verwanten die in de verschillende gebieden van Israël zijn achtergebleven, ook naar de priesters en de Levieten in hun steden met de omliggende weidegronden, en hun vragen zich bij ons te voegen. 3Ik stel voor dat wij de ark van onze God, waar we ons in de tijd van Saul niet om hebben bekommerd, hierheen halen.’ 4De hele vergadering stemde ermee in, want het volk achtte het juist.

5

13:5
1 Sam. 7:1-2
David riep heel Israël bijeen, vanaf de grensrivier van Egypte tot aan Lebo-Hamat, om de ark van God uit Kirjat-Jearim op te halen. 6
13:6
Ex. 25:22
Samen met de Israëlieten ging hij naar Baäla, naar Kirjat-Jearim in Juda, om de ark van God op te halen, de ark van de HEER, waaraan een bijzondere naam verbonden is, namelijk van hem die op de cherubs troont. 7Op een nieuwe wagen reden ze de ark weg uit het huis van Abinadab. De wagen werd geleid door Uzza en Achio. 8David en de Israëlieten dansten vol overgave voor God, begeleid door zang en muziek van lieren, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten. 9Toen ze langs de plek kwamen waar Kidon zijn graan dorste, gingen de ossen daar op af. Uzza stak zijn hand uit om de ark vast te grijpen. 10De HEER ontstak in woede tegen Uzza en strafte hem omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestoken, zodat hij daar, in de nabijheid van God, stierf. 11David werd kwaad omdat de HEER Uzza had doorkliefd. Hij noemde die plaats Peres-Uzza,13:11 Peres-Uzza – Peres-Uzza kan worden vertaald als ‘de kloof van Uzza’. en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 12Toen werd David bang voor God en hij vroeg zich af: Hoe kan ik de ark van God ooit bij mij in Jeruzalem brengen? 13Hij leidde de ark niet meer terug op de weg naar de Davidsburcht, maar liet de wagen afslaan naar het huis van Obed-Edom, een Gatiet. 14
13:14
1 Kron. 26:4-5
De ark van God bleef drie maanden bij de familie van Obed-Edom, in zijn huis, en de HEER zegende de familie van Obed-Edom en alles wat hij bezat.

14

David vestigt zich in Jeruzalem

141

14:1-17
2 Sam. 5:11-25
14:1-7
1 Kron. 3:5-9
Koning Churam van Tyrus stuurde afgezanten naar David en leverde hem cederhout en metselaars en timmerlieden voor de bouw van een paleis. 2David besefte dat de HEER hem had aangesteld als vorst over Israël, want hij had hem ten behoeve van Israël, zijn volk, tot een machtig koning gemaakt.

3In Jeruzalem nam David nog meer vrouwen en verwekte hij nog meer zonen en dochters. 4Dit zijn de namen van de zonen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Natan en Salomo, 5Jibchar, Elisua en Elpelet, 6Noga, Nefeg en Jafia, 7en Elisama, Beëljada en Elifelet.

Twee aanvallen van de Filistijnen afgeslagen

8Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van heel Israël was gezalfd, rukten ze met al hun troepen uit omdat ze hem wilden overmeesteren. Zodra David dit vernam, trok hij hun tegemoet. 9De hele vallei van Refaïm stond al vol Filistijnen. 10David wendde zich tot God en vroeg: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij uitleveren?’ De HEER antwoordde: ‘Ga op hen af! Ik zal de Filistijnen aan je uitleveren.’ 11

14:11
Jes. 28:21
Ze trokken op naar Baäl-Perasim.14:11 Baäl-Perasim – Baäl-Perasim kan worden vertaald als ‘de Heer van de doorbraak’. Daar versloeg David hen, en hij sprak de woorden: ‘God is door mijn toedoen door de vijandelijke linies gebroken zoals plotseling opkomend water zich een baan breekt.’ Daarom wordt die plaats Baäl-Perasim genoemd. 12De godenbeelden die door de Filistijnen waren achtergelaten, werden op bevel van David verbrand.

13De Filistijnen waagden een tweede poging. Opnieuw stond de hele vallei vol. 14Opnieuw wendde David zich tot God, en God zei: ‘Ga niet op hen af. Maak een omtrekkende beweging tot bij de moerbeibomen en val hen in de rug aan. 15Zodra je in de boomkruinen het geluid van een aanstormend leger hoort, moet je aanvallen, want dan gaat God voor je uit om het leger van de Filistijnen te verslaan.’ 16David deed wat God hem had bevolen, en het Filistijnse leger werd van Gibeon tot Gezer teruggeslagen. 17Zo verwierf David roem in alle landen en maakte de HEER alle volken beducht voor hem.

15

De ark feestelijk ingehaald in Jeruzalem

151David liet voor zichzelf een paleis bouwen in de Davidsburcht en maakte voor de ark van God een plaats gereed door er een tent voor te laten oprichten. 2

15:2
Num. 1:50
3:5
Deut. 10:8
31:25
Daarna verklaarde hij dat alleen de Levieten de ark van God mochten dragen, want hen had de HEER aangewezen om zijn ark te dragen en hem voor altijd te dienen. 3Vervolgens liet hij heel Israël in Jeruzalem bijeenkomen om de ark van de HEER over te brengen naar de plaats die hij in gereedheid had gebracht. 4Hij riep de nakomelingen van Aäron en de Levieten bijeen: 5uit de familie van Kehat: honderdtwintig man onder leiding van Uriël; 6uit de familie van Merari: tweehonderdtwintig man onder leiding van Asaja; 7uit de familie van Gerson: honderddertig man onder leiding van Joël; 8uit de familie van Elisafan: tweehonderd man onder leiding van Semaja; 9uit de familie van Chebron: tachtig man onder leiding van Eliël; 10uit de familie van Uzziël: honderdtwaalf man onder leiding van Amminadab.

11David ontbood de priesters Sadok en Abjatar en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab 12en zei tegen hen: ‘U bent de hoofden van de Levitische families. U en uw verwanten moeten zich heiligen en de ark van de HEER, de God van Israël, overbrengen naar de plaats die ik in gereedheid heb gebracht. 13Want omdat u er de vorige keer niet bij was, is de HEER, onze God, tegen ons uitgebarsten. Wij hadden toen zijn aanwijzingen niet nauwkeurig opgevolgd.’ 14De priesters en de Levieten heiligden zich om de ark van de HEER, de God van Israël, over te brengen. 15

15:15
Ex. 25:14
De Levieten droegen de ark van God, zoals Mozes het in opdracht van de HEER heeft voorgeschreven, met draagbomen op hun schouders. 16Verder beval David de hoofden van de Levitische families diegenen van hun verwanten te laten aantreden die met luide stem, onder begeleiding van muziekinstrumenten, van harpen, lieren en cimbalen, vreugdeliederen konden zingen. 17De Levieten lieten Heman, de zoon van Joël, aantreden, en zijn verwanten Asaf, de zoon van Berechja, en Etan, de zoon van Kusajahu uit de familie van Merari. 18Zij werden bijgestaan door hun verwanten Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, en Obed-Edom en Jeïël, de poortwachters. 19De zangers Heman, Asaf en Etan lieten de koperen cimbalen klinken, 20Zecharja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja bespeelden de harpen, die in een hoge toonsoort waren gestemd, 21en Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom, Jeïël en Azazjahu de lager gestemde lieren. 22Kenanja, een van de Levitische familiehoofden, had de leiding van de stoet. Hij was vanwege zijn deskundigheid met de leiding van de stoet belast. 23Berechja en Elkana bewaakten de ark. 24De priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer liepen voor de ark van God uit en bliezen op de trompetten, en Obed-Edom en Jechia bewaakten de ark.

25

15:25-16:3
2 Sam. 6:12-19
Zo gingen David en de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend man op weg om de ark van het verbond met de HEER feestelijk op te halen uit het huis van Obed-Edom. 26En terwijl de Levieten met de hulp van God de ark van het verbond met de HEER droegen, offerden zij zeven stieren en zeven rammen. 27David was gekleed in een linnen mantel, evenals de Levieten die de ark droegen en de zangers en Kenanja, die de stoet leidde, dus ook de zangers. David droeg bovendien een linnen priesterhemd.

28Onder gejuich en hoorngeschal haalde heel Israël de ark van het verbond met de HEER in, terwijl de trompetten en cimbalen klonken en er gespeeld werd op harpen en lieren. 29Toen de ark de Davidsburcht binnenkwam, stond Michal, de dochter van Saul, al op de uitkijk bij haar venster. Ze zag koning David dansen en springen, en haar hart vulde zich met minachting.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]