Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

91Zo is heel Israël ingeschreven in de registers die zijn opgenomen in de kroniek van de koningen van Israël.

De inwoners van Jeruzalem na de terugkeer uit Babylonië

De Judeeërs waren vanwege hun ontrouw als ballingen naar Babylonië gevoerd. 2

9:2-17
Neh. 11:3-20
9:2
Ezra 2:70
Neh. 7:72
Nu keerden de rechtmatige eigenaars weer terug naar hun bezittingen in de verschillende steden: gewone Israëlieten, priesters, Levieten en tempelknechten.

3In Jeruzalem vestigden zich families uit de stammen Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse: 4Utai, de zoon van Ammihud, die de zoon was van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, uit de familie van Juda’s zoon Peres. 5Van de Silonieten: Asaja, de oudste, en zijn zonen. 6Uit de familie van Zerach: Jeüel. In totaal zeshonderdnegentig Judeeërs. 7Uit de stam Benjamin: Sallu, die de zoon was van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenua; 8Jibneja, de zoon van Jerocham; Ela, die de zoon was van Uzzi, de zoon van Michri; en Mesullam, die de zoon was van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnia. 9De geslachtslijst van de Benjaminieten vermeldt negenhonderdzesenvijftig namen in totaal. Bovengenoemde personen waren allen familiehoofden.

10Verder woonden er de priesters Jedaja, Jojarib, Jachin, 11Azarja, die in de tempel van God de leiding had en de zoon was van Chilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Sadok, de zoon van Merajot, de zoon van Achitub, 12Adaja, die de zoon was van Jerocham, de zoon van Paschur, de zoon van Malkia, en Masai, die de zoon was van Adiël, de zoon van Jachzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemit, de zoon van Immer. 13Zij waren de hoofden van de priesterfamilies, die in totaal zeventienhonderdzestig leden telden, allemaal aanzienlijke personen die betrokken waren bij de eredienst in de tempel van God.

14Ook woonden er de volgende Levieten: uit de familie van Merari: Semaja, die de zoon was van Chassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Chasabja, 15en verder Bakbakkar, Cheres, Galal, Mattanja, die de zoon was van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf, 16Obadja, die de zoon was van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun, en Berechja, die de zoon was van Asa, de zoon van Elkana uit een van de dorpen bij Netofa.

17De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon en Achiman. (Sallum, die familie was van de drie anderen, was de belangrijkste. 18De oostelijke poort, de Koningspoort, wordt tot op de dag van vandaag bewaakt door zijn rechtstreekse afstammelingen.) Zij behoorden tot de poortwachters uit het kamp van de Levieten. 19Sallum, die een nakomeling was van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, was samen met zijn verwanten uit de familie van Korach belast met de bewaking van de ingang van de tent, zoals hun voorouders vroeger de toegang tot het kamp van de HEER hadden bewaakt. 20Pinechas, de zoon van Eleazar, had over hen de leiding gehad en de HEER had hem terzijde gestaan. 21Zecharja, de zoon van Meselemja, bewaakte de ingang van de ontmoetingstent. 22In totaal waren tweehonderdtwaalf mannen, die in verschillende dorpen stonden ingeschreven, als poortwachters aangesteld. De instelling van hun ambt gaat terug op David en de ziener Samuel. 23Zij en hun nakomelingen bewaakten de ingangen van de tent van de HEER en de poorten van de tempel volgens een strikt wachtrooster. 24Naar elk van de vier windstreken hielden poortwachters de wacht: aan de oostkant, aan de westkant, aan de noordkant en aan de zuidkant. 25De wachtploegen werden gevormd door hun verwanten, die op geregelde tijden uit hun woonplaatsen kwamen om zeven dagen wacht te lopen. 26Omdat de vier leiders van de poortwachters – alle vier Levieten – ambtshalve steeds ter plaatse waren, werden zij tevens belast met het toezicht op de voorraadkamers en de schatkamers van de tempel van God. 27Wanneer ze wachtdienst hadden, bleven ze ook ’s nachts bij het heiligdom, en elke morgen ontsloten ze de poorten.

28Andere Levieten waren verantwoordelijk voor de voorwerpen die nodig waren bij de eredienst en die voor en na gebruik werden geteld, 29of voor de andere gewijde voorwerpen en benodigdheden, de tarwebloem, de wijn, de olijfolie, de wierook en het reukwerk. 30Het samenstellen van de welriekende mengsels was echter voorbehouden aan de leden van bepaalde priesterfamilies. 31De Leviet Mattitja, de oudste zoon van Sallum uit de familie van Korach, was ambtshalve belast met het toezicht op de bakkerij. 32Weer andere Levieten, uit de familie van Kehat, moesten voor het toonbrood zorgen en het elke sabbat vervangen. 33

9:33
Neh. 11:22-23
De zangers, Levitische familiehoofden, waren vrijgesteld van het werk in de voorraadkamers, omdat zij dag en nacht beschikbaar moesten zijn voor de eredienst.

34

9:34-43
1 Kron. 8:28-38
Bovengenoemde Levieten staan in de geslachtslijsten als familiehoofden. Ze woonden met hun families in Jeruzalem.

Stamboom van Saul

35In Gibeon woonde de stichter van Gibeon, Jeïël, met zijn vrouw, die Maächa heette, 36en zijn zonen: Abdon, de oudste, en Sur, Kis, Baäl, Ner en Nadab, 37Gedor, Achio, Zecharja en Miklot. 38Miklot verwekte Simam. Zij volgden het voorbeeld van hun verwanten en vestigden zich bij hen in Jeruzalem.

39Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. 40De zoon van Jonatan was Meribbaäl. Meribbaäl verwekte Micha. 41Zonen van Micha: Piton, Melech en Tachrea. 42Achaz verwekte Jara, Jara verwekte Alemet, Azmawet en Zimri. Zimri verwekte Mosa 43en Mosa verwekte Bina. Bina was de vader van Refaja, de vader van Elasa, de vader van Asel. 44Asel had zes zonen. Zij heetten Azrikam, Bocheru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; allemaal zonen van Asel.

10

Sauls dood

101

10:1-14
1 Sam. 31:1-13
De Filistijnen leverden slag met Israël. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. 2De Filistijnen drongen tot dicht bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. 3Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang 4dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. 5Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in het zwaard en vond de dood. 6Zo sneuvelden Saul en zijn drie zonen op een en dezelfde dag en kwam er in één keer een eind aan het koningshuis van Saul. 7Toen het tot de Israëlieten in de vlakte doordrong dat het leger was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit.

8De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn zonen. 9Ze ontdeden Saul van zijn kleding en gaven zijn hoofd en zijn wapens mee aan boden die het Filistijnse land moesten rondgaan om het nieuws van de overwinning aan hun goden en aan het hele volk bekend te maken. 10Sauls wapenrusting kreeg een plaats in een van hun tempels en zijn hoofd werd aan de tempel van Dagon genageld. 11Toen men in Jabes in Gilead hoorde wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan, 12

10:12
2 Sam. 2:4-7
21:11-14
gingen de weerbare mannen van Jabes de lichamen van Saul en zijn zonen ophalen. Ze begroeven hun gebeente aan de voet van de terebint in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen.

13

10:13
Lev. 19:31
20:6
1 Sam. 13:8-14
15:1-24
28:7-8
Saul vond de dood omdat hij de HEER ontrouw was geweest door niet uit te voeren wat de HEER hem had opgedragen. Ook had hij de geest van een dode geraadpleegd 14in plaats van de HEER om raad te vragen. Daarom had de HEER hem gedood en het koningschap laten overgaan op David, de zoon van Isaï.

11

David wordt tot koning van Israël gezalfd en verovert Jeruzalem

111

11:1-9
2 Sam. 5:1-10
De Israëlieten kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: ‘Hier zijn we, uw eigen vlees en bloed. 2Ook vroeger al, toen Saul nog koning was, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. De HEER, uw God, heeft u beloofd: “Jij zult mijn volk Israël weiden; jij zult vorst over mijn volk Israël zijn.”’ 3
11:3
1 Sam. 16:1-13
De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot David ten overstaan van de HEER een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël, zoals de HEER bij monde van Samuel had voorzegd.

4

11:4
Joz. 15:63
Recht. 1:21
David en het leger van Israël trokken op naar Jeruzalem, het toenmalige Jebus, waar de Jebusieten woonden. 5De Jebusieten zeiden tegen David: ‘U komt er niet in!’ Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht. 6
11:6
1 Kron. 2:16
Hij had aangekondigd: ‘Wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, benoem ik tot opperbevelhebber.’ Joab, de zoon van Seruja, opende de aanval en werd tot opperbevelhebber benoemd. 7David ging in de bergvesting wonen, die daarom de Davidsburcht wordt genoemd. 8David breidde de stad rondom uit, vanaf het Millobolwerk naar buiten, en Joab herstelde de oude stad. 9In de loop der tijd werd David steeds machtiger, want de HEER van de hemelse machten stond hem terzijde.

Davids helden

10

11:10-41
2 Sam. 23:8-39
Hieronder volgen de belangrijkste helden van David. Zij, en trouwens heel Israël, maakten zich sterk voor zijn aanspraken op de troon en riepen hem tot koning uit, zoals de HEER met betrekking tot Israël had gezegd, en ze bleven hem ook daarna steunen.

11Dit is de lijst van Davids helden:

Jasobam uit Chachmon was de belangrijkste van het beroemde drietal. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen in één gevecht. 12De tweede van de drie helden was Elazar, een zoon van Dodo uit Achoach. 13Hij was met David in Pas-Dammim toen de Filistijnen hun troepen daar voor de strijd hadden samengetrokken bij een akker met gerst. Het leger van Israël was op de vlucht geslagen, 14maar zij stelden zich op de akker op en wisten die te behouden; ze versloegen de Filistijnen, en de HEER schonk Israël een grote overwinning.

15Drie van de dertig hoofdmannen kwamen eens bij David, in de grot in de rotsen bij Adullam. In de vallei van Refaïm waren toen Filistijnse troepen gelegerd. 16David hield zich in die tijd verschanst in de bergen, terwijl in Betlehem een Filistijnse wachtpost was uitgezet. 17Op een keer, toen hij smachtte van dorst, verzuchtte David: ‘Wie geeft me wat te drinken uit de waterput in de poort van Betlehem?’ 18De drie baanden zich een weg door het Filistijnse kamp en haalden water uit de put in de poort van Betlehem. Maar toen ze ermee bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het uit voor de HEER 19en zei: ‘God verhoede dat ik hiervan drink. Dat zou zijn alsof ik het bloed van deze mannen dronk. Zij hebben immers hun leven gewaagd om het te halen.’ Hij weigerde dus te drinken. Zulke heldendaden verrichtte dit drietal. 20Absai, een broer van Joab, was de belangrijkste van deze drie. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen. Zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. 21Hij was de aanvoerder van de twee anderen en stond meer dan zij in aanzien, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. 22Ook Benaja, de zoon van Jojada uit Kabseël, was een dapper en krijgshaftig man. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Een andere keer, toen het sneeuwde, liet hij zich in een put zakken en doodde daar een leeuw. 23Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een reus van wel vijf el lang. De Egyptenaar was gewapend met een speer zo dik als de boom van een weefgetouw, maar Benaja ging op hem af met een stok, sloeg hem de speer uit handen en doodde hem ermee. 24Zulke heldendaden verrichtte Benaja, de zoon van Jojada, en zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. 25Hij was een van de aanzienlijksten van de dertig helden, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. David benoemde hem tot commandant van zijn lijfwacht.

26Tot de helden van het leger behoorden verder: Asaël, een broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem; 27Sammot uit Haror; Cheles uit Pelon; 28Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; Abiëzer uit Anatot; 29Sibbechai uit Chusa; Ilai uit Achoach; 30Maharai en Cheled, de zoon van Baäna, beiden uit Netofa; 31Itai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; Benaja uit Piraton; 32Churai uit de wadi’s van Gaäs; Abiël uit de wadi Araba; 33Azmawet uit Bacharum; Eljachba uit Saälbon; 34-35Hasem11:34-35 Hasem – Voorgestelde lezing. MT: ‘zonen van Hasem’. uit Gizon; Jonatan, de zoon van Sage, en Achiam, de zoon van Sachar, beiden uit Harar; Elifal, de zoon van Ur; 36Chefer uit Mechera; Achia uit Pelon; 37Chesro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai; 38Joël, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri; 39Selek uit Ammon; Nachrai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja; 40Ira en Gareb uit Jeter; 41de Hethiet Uria; Zabad, de zoon van Achlai; 42Adina, de zoon van Siza uit de stam Ruben, hij was het hoofd van zijn stam en bracht dertig man mee; 43Chanan, de zoon van Maächa; Josafat uit Meten; 44Uzzia uit Astarot; Sama en Jeïël, de zonen van Chotam uit Aroër; 45Jediaël, de zoon van Simri, en zijn broer Jocha, uit Tis; 46Eliël uit Machanaïm;11:46 uit Machanaïm – Voorgestelde lezing. MT: ‘de Machawim’. Jeribai en Josawja, de zonen van Elnaäm; Jitma uit Moab; 47Eliël; Obed; en Jaäsiël uit Soba.