Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Bergrede

51Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. 2Hij nam het woord en onderrichtte hen:

3

5:3-12
Luc. 6:20-23
5:3
Jes. 61:1-3
Jak. 2:5
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,

want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

4Gelukkig de treurenden,

want zij zullen getroost worden.

5

5:5
Ps. 37:11
Gelukkig de zachtmoedigen,

want zij zullen het land bezitten.

6

5:6
Jes. 49:10
55:1-2
Amos 8:11
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,

want zij zullen verzadigd worden.

7

5:7
Spr. 14:21
Gelukkig de barmhartigen,

want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

8

5:8
Ps. 24:3-4
73:1
Gelukkig wie zuiver van hart zijn,

want zij zullen God zien.

9

5:9
Hebr. 12:14
Gelukkig de vredestichters,

want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

10

5:10
1 Petr. 3:14
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,

want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

11
5:11
Jes. 51:7
1 Petr. 4:14
Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12
5:12
2 Kron. 36:16
Mat. 23:29-37
Hand. 7:52
Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

13

5:13
Marc. 9:50
Luc. 14:34-35
Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

14Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15

5:15
Marc. 4:21
Luc. 8:16
11:33
Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. 16
5:16
1 Petr. 2:12
Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

17

5:17
Rom. 3:31
13:8-10
Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18
5:18
Luc. 16:17
Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19
5:19
Jak. 2:10
Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. 20Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.

21

5:21
Ex. 20:13
Lev. 24:17
Deut. 5:17
Mat. 19:18
Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22
5:22
1 Joh. 3:15
En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23
5:23
Marc. 11:25
Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25
5:25-26
Luc. 12:58-59
Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26
5:26
Mat. 18:34
Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.

27

5:27
Ex. 20:14
Lev. 18:20
Deut. 5:18
Mat. 19:18
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29
5:29-30
Mat. 18:8-9
Marc. 9:43-48
Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.

31

5:31-32
Mat. 19:9
5:31
Deut. 24:1-4
Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.” 32
5:32
Marc. 10:11-12
Luc. 16:18
1 Kor. 7:10-11
En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.

33

5:33
Lev. 19:12
Num. 30:3
Deut. 23:22
Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” 34
5:34-36
Mat. 23:16-22
Jak. 5:12
5:34-35
Jes. 66:1
En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, 35
5:35
Ps. 48:3
noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; 36zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. 37Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.

38

5:38
Ex. 21:24
Lev. 24:19-20
Deut. 19:21
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39
5:39-48
Luc. 6:27-36
5:39
Klaagl. 3:30
Rom. 12:19-21
En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. 40Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42
5:42
Deut. 15:7-8
Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.

43

5:43
Lev. 19:18
Mat. 19:19
22:39
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44
5:44
Rom. 12:14
En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 45alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48
5:48
Lev. 19:2
Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.

Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De zaligsprekingen

51Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem.

2En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei:

3

5:3
Luk. 6:20
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

4

5:4
Luk. 6:21
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.

5

5:5
Ps. 37:11
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

6

5:6
Jes. 55:1
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

7Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.

8

5:8
Ps. 15:2
24:4
Hebr. 12:14
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.

9Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.

10

5:10
2 Kor. 4:10
2 Tim. 2:12
1 Petr. 3:14
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

11Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt,

5:11
1 Petr. 4:14
omwille van Mij.

12

5:12
Luk. 6:23
Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.

Het zout van de aarde en het licht op de kandelaar

13

5:13
Mark. 9:50
Luk. 14:34
U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.

14U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.

15

5:15
Mark. 4:21
Luk. 8:16
11:33
En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn.

16

5:16
1 Petr. 2:12
Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Jezus en de Wet

17Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.

18Want, voorwaar, Ik zeg u:

5:18
Luk. 16:17
Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.

19

5:19
Jak. 2:10
Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.

Jezus en de traditie

21U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht5:21 het voorgeslacht - Letterlijk: de ouden; zie ook de verzen 27 en 33. gezegd is:

5:21
Ex. 20:13
Deut. 5:17
U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.

22Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur.5:22 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur.

23Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,

24laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.

25

5:25
Luk. 12:58
Efez. 4:26
Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt.

26Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste quadrans5:26 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk. betaald hebt.

27U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is:

5:27
Ex. 20:14
Deut. 5:18
U zult geen overspel plegen.

28Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw

5:28
Job 31:1
Ps. 119:37
kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft.

29

5:29
Matt. 18:8
Mark. 9:43
Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

30En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

31Er is ook gezegd:

5:31
Deut. 24:1
Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een echtscheidingsbrief geven.

32

5:32
Matt. 19:7
Mark. 10:4,11
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, maakt dat zij overspel pleegt; en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

33Verder hebt u gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is:

5:33
Ex. 20:7
Lev. 19:12
Deut. 5:11
U zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heere uw eden houden.

34Maar Ik zeg u:

5:34
Jak. 5:12
Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God;

35niet bij de aarde,

5:35
Jes. 66:1
want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem,
5:35
Ps. 48:3
want dat is de stad van de grote Koning.

36Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken;

37maar laat uw woord ja ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze.

38U

5:38
Ex. 21:24
Lev. 24:20
Deut. 19:21
hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand.

39Ik zeg u echter

5:39
Spr. 24:29
Luk. 6:29
Rom. 12:17
1 Kor. 6:7
1 Thess. 5:15
1 Petr. 3:9
dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;

40en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed;

41en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem.

42

5:42
Deut. 15:8
Luk. 6:35
Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil.

43U hebt gehoord dat er gezegd is:

5:43
Lev. 19:18
U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten.

44Maar Ik zeg u:

5:44
Luk. 6:27
Rom. 12:20
Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en
5:44
Luk. 23:34
Hand. 7:60
1 Kor. 4:13
1 Petr. 2:23
bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;

45zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

46

5:46
Luk. 6:32
Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo?

48Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.