Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Bedreigingen tegen verschillende volken

21Onderzoek uzelf nauwkeurig, ja onderzoek uzelf,

volk zonder verlangen,

2voordat het besluit het licht ziet

– een dag gaat als kaf voorbij –

voordat over u komt

de brandende toorn van de HEERE,

voordat over u komt

de dag van de toorn van de HEERE.

3Zoek de HEERE, alle zachtmoedigen van het land,

die Zijn recht uitvoeren.

Zoek gerechtigheid, zoek zachtmoedigheid,

misschien

2:3
Ps. 27:5
32:6,7
zult u dan verborgen worden

op de dag van de toorn van de HEERE.

4Want Gaza zal verlaten worden

en Askelon tot woestenij zijn;

Asdod, midden op de dag zal men het verdrijven,

en Ekron zal ontworteld worden.

5Wee u, bewoners van het gebied aan de zee,

volk van Kretenzers!

Het woord van de HEERE is tegen u,

Kanaän, land van de Filistijnen!

Ik zal u verdelgen, zodat er geen inwoner meer is.

6Het gebied aan de zee zal worden

tot weiden met putten voor herders

en kooien voor kleinvee.

7En het gebied zal zijn

voor het overblijfsel van het huis van Juda,

zodat zij daarin zullen weiden.

's Avonds zullen zij in de huizen van Askelon neerliggen,

want de HEERE, hun God, zal naar hen omzien

en een omkeer in hun gevangenschap brengen.

8Ik heb de smadelijke woorden van Moab gehoord

en de beschimping door de Ammonieten,

waarmee zij Mijn volk gesmaad hebben,

zich verheven hebben tegen hun gebied.

9Daarom, zo waar Ik leef, spreekt de HEERE van de legermachten,

de God van Israël:

Voorzeker, Moab zal als Sodom worden

en de Ammonieten als Gomorra:

een distelveld, een zoutgroeve

en een woestenij tot in eeuwigheid!

De rest van Mijn volk zal hen plunderen,

het overblijfsel van Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.

10Dit overkomt hun vanwege hun trots,

omdat zij zich al honend verheven hebben

tegen het volk van de HEERE van de legermachten.

11Ontzagwekkend zal de HEERE voor hen zijn,

want Hij zal alle goden van de aarde doen verschrompelen.

Alle kustlanden van de heidenvolken zullen zich voor Hem neerbuigen,

ieder vanuit zijn eigen woonplaats.

12Ook u, Cusjieten!

Gevallen door Mijn zwaard zijn zij!

13Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het noorden

en Assyrië doen ondergaan.

Hij zal Ninevé tot een woestenij maken,

dor als een woestijn.

14In het midden ervan zullen kudden neerliggen,

allerlei in groepen levende dieren.

Zowel kauw als nachtuil

zal op zijn kapitelen overnachten.

Een stem zal door het venster zingen,

puin zal op de drempel liggen,

want het cederwerk is blootgelegd.

15Dit is de uitgelaten stad, die zo onbezorgd woonde,

die in haar hart zei:

Ik en verder niemand.

Hoe is zij tot een woestenij geworden,

een rustplaats voor de wilde dieren!

Ieder die erdoorheen trekt,

sist van afschuw en gebaart met zijn hand.

3

Het oordeel over Jeruzalem

31Wee de rebelse, de besmette,

de stad die onderdrukt!

2Zij luistert niet naar de roepstem,

geen vermaning aanvaardt zij.

Op de HEERE vertrouwt zij niet,

tot haar God nadert zij niet.

3

3:3
Spr. 28:15
Ezech. 22:27
Haar vorsten zijn in haar midden

brullende leeuwen.

Haar rechters zijn avondwolven,

die tegen de morgen niets meer te knagen hebben.

4

3:4
Jer. 23:11,32
Hos. 9:7
Haar profeten zijn lichtzinnig,

mannen vol trouweloosheid.

Haar priesters ontheiligen het heilige,

zij doen de wet geweld aan.

5De rechtvaardige HEERE is in haar midden,

Hij

3:5
Deut. 32:4
doet geen onrecht.

Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht,

er ontbreekt niets aan.

Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte.

6Ik heb heidenvolken uitgeroeid,

hun hoektorens zijn verwoest.

Ik heb hun straten leeggemaakt,

niemand trekt er nog doorheen.

Hun steden liggen in puin;

er is niemand meer,

geen enkele inwoner.

7Ik zei: Nu zult u Mij zeker vrezen,

u zult de vermaning aanvaarden,

opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden,

hoe Ik haar ook gestraft zou hebben.

Toch waren zij er vroeg bij,

zij hebben totaal verderfelijk gehandeld.3:7 zij … gehandeld - Letterlijk: zij hebben al hun daden verdorven.

8Daarom, verwacht Mij, spreekt de HEERE,

op de dag dat Ik opsta om buit te halen,

want Mijn oordeel is de heidenvolken te verzamelen,

de koninkrijken bijeen te brengen,

om over hen Mijn gramschap uit te storten,

heel Mijn brandende toorn.

Want door het vuur van Mijn na-ijver

zal heel dit land verteerd worden.

Heil na het oordeel

9Voorzeker, dan zal Ik bij de volken

de lippen veranderen in reine lippen,

zodat zij allen de Naam van de HEERE zullen aanroepen,

om Hem schouder aan schouder3:9 schouder aan schouder - Letterlijk: met een eenparige schouder. te dienen.

10Van over de rivieren van Cusj

zullen zij die vurig tot Mij bidden,

het volk, overal door Mij verspreid,3:10 het volk … verspreid - Letterlijk: de dochter van Mijn verspreiden.

Mijn offer brengen.

11Op die dag zult u niet beschaamd zijn over al uw daden

waarmee u tegen Mij in opstand kwam,

want dan zal Ik hen uit uw midden wegdoen

die uitgelaten zijn over uw hoogmoed.

Voortaan zult u zich niet meer verheffen

omwille van Mijn heilige berg.

12Maar Ik zal in uw midden doen overblijven

een ellendig en arm volk.

Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.

13Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen

en geen leugen spreken,

en in hun mond zal niet gevonden worden

een tong die bedriegt.

Ja, zij zullen weiden en neerliggen,

en niemand zal hun schrik aanjagen.

14Zing vrolijk,

3:14
Zach. 9:9
dochter van Sion!

Juich, Israël!

Wees blij en spring op van vreugde met heel uw hart,

3:14
Zach. 9:9
dochter van Jeruzalem!

15De HEERE heeft uw oordelen weggenomen,

Hij heeft uw vijand weggevaagd.

De Koning van Israël, de HEERE, is in uw midden:

u zult geen kwaad meer zien.

16Op die dag zal tegen Jeruzalem gezegd worden:

Wees niet bevreesd;

Sion, verlies de moed niet!3:16 verlies de moed niet - Letterlijk: laat uw handen niet slap worden.

17De HEERE, uw God, is in uw midden,

een Held, Die verlossen zal.

Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.

Hij zal zwijgen in Zijn liefde.

Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.

18Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst

zal Ik verzamelen, zij zijn uit u;

de smaad drukt als een last op hen.

19Zie, in die tijd ga Ik optreden

tegen al uw verdrukkers.

Ik zal verlossen wie mank gaat,

bijeenbrengen wie verdreven is.

Ik zal hen maken tot lof en tot een naam

in heel het land waar zij beschaamd waren.

20In die tijd zal Ik u hierheen brengen,

namelijk in de tijd dat Ik u zal bijeenbrengen.

Voorzeker, Ik zal u maken tot een naam en tot lof

onder alle volken van de aarde,

wanneer Ik voor uw ogen een omkeer in uw gevangenschap breng,

zegt de HEERE.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]