Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Opschrift

11Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Zefanja, de zoon van Cusji, de zoon van Gedalia, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.

Bedreigingen tegen Jeruzalem en Juda

2Ik zal alles volkomen wegvagen

van de aardbodem, spreekt de HEERE.

3Ik zal mens en dier wegvagen,

Ik zal de vogels in de lucht en de vissen in de zee wegvagen

en de struikelblokken, samen met de goddelozen;

ja, Ik zal de mensen uitroeien

van de aardbodem, spreekt de HEERE.

4Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda

en tegen alle inwoners van Jeruzalem.

Ik zal van deze plaats uitroeien het overblijfsel van de Baäl,

de naam van de afgodspriesters, met de priesters,

5en hen die zich neerbuigen op de daken

voor het leger aan de hemel,

en hen die zich neerbuigen en zweren bij de HEERE

én zweren bij Malcam,1:5 Malcam - Of: hun koning.

6en

1:6
Jes. 1:4
59:13
Jer. 15:6
die zich van de HEERE afkeren, bij Hem vandaan,

en die de HEERE niet hebben gezocht

en niet naar Hem hebben gevraagd.

7Wees stil voor het aangezicht van de Heere HEERE.

Want nabij is de dag van de HEERE,

ja, de HEERE heeft een offer bereid,

Zijn genodigden geheiligd.

8Het zal gebeuren op de dag van het offer van de HEERE

dat Ik de vorsten zal straffen, en de koningskinderen,

en allen die gekleed gaan in uitheemse kleding.

9Ook zal Ik op die dag straffen allen die over de drempel springen,

die het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.

10En op die dag, spreekt de HEERE,

zal er hulpgeroep klinken vanuit de Vispoort,

gejammer vanuit het nieuwe gedeelte van de stad,

en groot noodgeschrei vanuit de heuvels.

11Weeklaag, inwoners van de Vijzelwijk,

want heel het volk van kooplieden is omgebracht,

allen die geld afwegen zijn uitgeroeid.

12En in die tijd zal het gebeuren

dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken.

Ik zal de mannen straffen

die dik worden op hun droesem,

die in hun hart zeggen:

De HEERE doet geen goed

en Hij doet geen kwaad.

13Daarom zal hun vermogen tot buit worden,

hun huizen tot een woestenij.

Zij zullen huizen bouwen, maar die niet bewonen;

zij zullen wijngaarden planten, maar daarvan de wijn niet drinken.

De dag van de HEERE

14De grote dag van de HEERE is nabij;

hij is nabij en nadert zeer snel.

Hoor, de dag van de HEERE!

De held zal daar bitter schreeuwen!

15Een dag van verbolgenheid is die dag,

een dag van benauwdheid en angst,

een dag van verwoesting en vernietiging,

1:15
Joël 2:1,2
een dag van wolken en donkerheid,

een dag van donkere wolken,

16een dag van bazuingeschal en krijgsgeschreeuw

tegen de versterkte steden

en tegen de hoge hoektorens.

17Ik zal de mensen benauwen,

zodat zij zullen gaan als de blinden,

want zij hebben tegen de HEERE gezondigd.

Hun bloed zal uitgegoten worden als stof

en hun lichaam als uitwerpselen.

18Ook

1:18
Spr. 11:4
Ezech. 7:19
hun zilver, ook hun goud zal hen niet kunnen redden

1:18
Vers 14,15,16
op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.

Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden,

want Hij zal zeker en spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.

2

Bedreigingen tegen verschillende volken

21Onderzoek uzelf nauwkeurig, ja onderzoek uzelf,

volk zonder verlangen,

2voordat het besluit het licht ziet

– een dag gaat als kaf voorbij –

voordat over u komt

de brandende toorn van de HEERE,

voordat over u komt

de dag van de toorn van de HEERE.

3Zoek de HEERE, alle zachtmoedigen van het land,

die Zijn recht uitvoeren.

Zoek gerechtigheid, zoek zachtmoedigheid,

misschien

2:3
Ps. 27:5
32:6,7
zult u dan verborgen worden

op de dag van de toorn van de HEERE.

4Want Gaza zal verlaten worden

en Askelon tot woestenij zijn;

Asdod, midden op de dag zal men het verdrijven,

en Ekron zal ontworteld worden.

5Wee u, bewoners van het gebied aan de zee,

volk van Kretenzers!

Het woord van de HEERE is tegen u,

Kanaän, land van de Filistijnen!

Ik zal u verdelgen, zodat er geen inwoner meer is.

6Het gebied aan de zee zal worden

tot weiden met putten voor herders

en kooien voor kleinvee.

7En het gebied zal zijn

voor het overblijfsel van het huis van Juda,

zodat zij daarin zullen weiden.

's Avonds zullen zij in de huizen van Askelon neerliggen,

want de HEERE, hun God, zal naar hen omzien

en een omkeer in hun gevangenschap brengen.

8Ik heb de smadelijke woorden van Moab gehoord

en de beschimping door de Ammonieten,

waarmee zij Mijn volk gesmaad hebben,

zich verheven hebben tegen hun gebied.

9Daarom, zo waar Ik leef, spreekt de HEERE van de legermachten,

de God van Israël:

Voorzeker, Moab zal als Sodom worden

en de Ammonieten als Gomorra:

een distelveld, een zoutgroeve

en een woestenij tot in eeuwigheid!

De rest van Mijn volk zal hen plunderen,

het overblijfsel van Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.

10Dit overkomt hun vanwege hun trots,

omdat zij zich al honend verheven hebben

tegen het volk van de HEERE van de legermachten.

11Ontzagwekkend zal de HEERE voor hen zijn,

want Hij zal alle goden van de aarde doen verschrompelen.

Alle kustlanden van de heidenvolken zullen zich voor Hem neerbuigen,

ieder vanuit zijn eigen woonplaats.

12Ook u, Cusjieten!

Gevallen door Mijn zwaard zijn zij!

13Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het noorden

en Assyrië doen ondergaan.

Hij zal Ninevé tot een woestenij maken,

dor als een woestijn.

14In het midden ervan zullen kudden neerliggen,

allerlei in groepen levende dieren.

Zowel kauw als nachtuil

zal op zijn kapitelen overnachten.

Een stem zal door het venster zingen,

puin zal op de drempel liggen,

want het cederwerk is blootgelegd.

15Dit is de uitgelaten stad, die zo onbezorgd woonde,

die in haar hart zei:

Ik en verder niemand.

Hoe is zij tot een woestenij geworden,

een rustplaats voor de wilde dieren!

Ieder die erdoorheen trekt,

sist van afschuw en gebaart met zijn hand.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]