Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Oproep tot bekering

11In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:

2De HEERE is zeer toornig geweest op uw vaderen.

3Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Keer terug naar Mij,

spreekt de HEERE van de legermachten,

dan zal Ik naar u terugkeren,

zegt de HEERE van de legermachten.

4Wees niet als uw vaderen, tot wie

1:4
Jes. 31:6
Jer. 3:12
18:11
Ezech. 18:30
Hos. 14:2
de vroegere profeten gepredikt hebben: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Bekeer u toch van uw slechte wegen en van uw slechte daden. Maar zij luisterden niet en sloegen geen acht op Mij, spreekt de HEERE.

5Uw vaderen, waar zijn zij?

En de profeten, leven zij voor eeuwig?

6Maar Mijn woorden en Mijn verordeningen,

die Ik Mijn dienaren, de profeten, geboden had,

hebben die uw vaderen niet getroffen, zodat zij zich bekeerden?

Zij zeiden:

1:6
Klaagl. 1:18
Zoals de HEERE van de legermachten Zich voorgenomen had met ons te doen, overeenkomstig onze wegen en onze daden, zo heeft Hij met ons gedaan.

Het eerste visioen: de Man op het rode paard

7Op de vierentwintigste dag van de elfde maand – dat is de maand Sjebat – in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:

8Ik zag 's nachts, en zie, een Man Die op een rood paard reed en Hij stond tussen de mirten die zich in de diepte bevonden, en achter Hem waren er rode, bruine en witte paarden.

9Ik zei: Mijn Heere, wat betekenen deze dingen? Toen zei de Engel Die met mij sprak tegen mij: Ík zal u laten zien wat deze dingen betekenen.

10Toen antwoordde de Man Die tussen de mirten stond: Dit zijn degenen die de HEERE uitgezonden heeft om het land1:10 het land - Of: de aarde; zie ook vers 11. door te gaan.

11En zij antwoordden de Engel van de HEERE, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij zijn het land doorgegaan, en zie, heel het land zit neer en is stil.

12Toen antwoordde de Engel van de HEERE en zei: HEERE van de legermachten, hoelang is het nog dat U Zich niet ontfermt over Jeruzalem en over de steden van Juda, waarop U deze zeventig jaar toornig bent geweest?

13De HEERE antwoordde de Engel Die met mij sprak met goede woorden, troostrijke woorden.

14De Engel Die met mij sprak, zei tegen mij: Predik:

Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Met grote na-ijver zet Ik Mij in voor Jeruzalem en voor Sion.

15Maar Ik ben zeer toornig1:15 zeer toornig - Letterlijk: toornig met grote verbolgenheid.

op die zorgeloze heidenvolken.

Ík was een weinig toornig,

maar zíj hebben geholpen het erger te maken.1:15 het erger te maken - Letterlijk: ten kwade.

16Daarom, zo zegt de HEERE:

Ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met barmhartigheid;

Mijn huis zal erin herbouwd worden,

spreekt de HEERE van de legermachten,

en het meetlint zal over Jeruzalem uitgespannen worden.

17Predik verder:

Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Mijn steden zullen nog uitbreiden vanwege het goede,

de HEERE zal Sion nog troosten

en Jeruzalem nog verkiezen.

Het tweede visioen: de hoorns en de smeden

18Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: vier hoorns.

19En ik zei tegen de Engel Die met mij sprak: Wat betekenen deze hoorns? En Hij zei tegen mij: Dat zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.

20Vervolgens liet de HEERE mij vier smeden zien.

21Toen zei ik: Wat komen die doen? Hij zei: Dat waren de hoorns die Juda verstrooid hebben, zozeer dat niemand zijn hoofd kon opheffen. Maar dezen zijn gekomen om hun schrik aan te jagen en om de hoorns van de heidenvolken neer te werpen, die de hoorn opgeheven hebben tegen het land Juda om het te verstrooien.

2

Het derde visioen: de Man met het meetsnoer

21Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.

2Toen zei ik: Waar gaat U heen? Hij zei tegen mij: Ik ga Jeruzalem opmeten om te zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn.

3En zie, de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en een andere engel trad Hem tegemoet.

4En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman en zeg:

Jeruzalem zal niet ommuurd blijven,

vanwege de veelheid aan mensen en dieren in haar midden.

5En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,

een muur van vuur rondom,

en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.

6O, o, vlucht dan uit het land van het noorden!

spreekt de HEERE,

want Ik heb u verspreid

over de vier windstreken van de hemel,

spreekt de HEERE.

7O, Sion! Zie te ontkomen,

u die woont bij de dochter van Babel!

8Want zo zegt de HEERE van de legermachten:

Nadat Hij heerlijkheid heeft beloofd,

heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,

want wie u aanraakt,

raakt Zijn oogappel aan.

9Want, zie, Ik beweeg Mijn hand over hen

en zij zullen hun dienaren tot buit worden.

Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij gezonden heeft.

10Juich en verblijd u, dochter van Sion,

want, zie, Ik kom,

en

2:10
Lev. 26:12
Ezech. 37:27
2 Kor. 6:16
zal in uw midden wonen, spreekt de HEERE.

11Veel heidenvolken zullen op die dag bij de HEERE gevoegd worden

en zij zullen Mij tot een volk zijn,

en Ik zal in uw midden wonen.

Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.

12De HEERE zal Juda in eigendom nemen

als Zijn deel in het heilige land.

Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.

13Wees stil voor het aangezicht van de HEERE, alle vlees,

want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.

3

Het vierde visioen: de hogepriester Jozua. Profetie over Gods Knecht, de Spruit

31Daarna liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen.

2De HEERE zei echter tegen de satan:

3:2
Judas vs.
De HEERE zal u bestraffen, satan! De HEERE, Die Jeruzalem verkiest, zal u bestraffen. Is deze Jozua niet een stuk brandhout dat aan het vuur ontrukt is?

3Nu was Jozua in vuile kleren gekleed, terwijl hij voor het aangezicht van de Engel stond.

4Toen nam Hij het woord en zei tegen hen die voor Zijn aangezicht stonden: Trek hem de vuile kleren uit! Daarop zei Hij tegen hem:

3:4
Micha 7:18
Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken.

5Vervolgens zei Ik: Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten. Daarop zetten zij de reine tulband op zijn hoofd en trokken hem feestkleren aan, terwijl de Engel van de HEERE erbij stond.

6Toen verzekerde de Engel van de HEERE Jozua:

7Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Als u in Mijn wegen gaat

en als u uw taak ten behoeve van Mij vervult,

dan zult ú ook Mijn huis besturen,

en ook Mijn voorhoven bewaken,

en zal Ik u omgang geven

met hen die hier staan.

8Luister toch, hogepriester Jozua,

u en uw vrienden die vóór u zitten

– zij zijn immers een wonderteken –

want zie, Ik ga Mijn Knecht, de

3:8
Jes. 4:2
11:1
Jer. 23:5
33:15
Zach. 6:12
SPRUIT, doen komen.

9Want zie, wat betreft de steen die Ik voor Jozua neergelegd heb,

op die ene steen zullen zeven ogen zijn.

Zie, Ik zal er Zijn gravering in aanbrengen,

spreekt de HEERE van de legermachten.

Ik zal de ongerechtigheid van dit land

op één dag wegnemen.

10Op die dag, spreekt de HEERE van de legermachten,

zal ieder zijn naaste uitnodigen

onder de wijnstok en onder de vijgenboom.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]