Herziene Statenvertaling (HSV)
3

De bruid zoekt en vindt

zij:

31Op mijn bed zocht ik in de nachten

Hem Die ik innig liefheb.3:1 Die ik innig liefheb - Letterlijk: Die mijn ziel liefheeft; zie ook vers 2, 3 en 4.

Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.

2Ik dacht: Laat ik toch opstaan en in de stad rondtrekken,

door de straten en over de pleinen,

Hem zoeken, Die ik innig liefheb.

Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.

3De wachters,

die in de stad de ronde deden, vonden mij.

Ik zei: Hebt u Hem gezien Die ik innig liefheb?

4Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan

of ik vond Hem Die ik innig liefheb.

Ik greep Hem vast, liet Hem niet meer los,

tot ik Hem gebracht had in het huis van mijn moeder,

in de binnenkamer van haar die mij gebaard heeft.

5Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,

als bij de gazellen of bij de hinden op het veld,

dat u de liefde niet opwekt of aanwakkert,

voordat het haar behaagt.

De bruiloftsstoet

de dochters van Jeruzalem:

6

3:6
Hoogl. 8:5
Wie is zij die daar uit de woestijn komt,

als zuilen van rook,

in een wolk van mirre en wierook,

van allerlei geurige kruiden van de koopman?

zij:3:6 zij - Of: de dochters van Jeruzalem.

7Zie, de draagstoel voor Salomo.

Daaromheen zestig helden,

uit de helden van Israël.

8Allen hanteren het zwaard,

geoefend als ze zijn voor de oorlog.

Ieder draagt zijn zwaard aan zijn heup

tegen de verschrikking in de nachten.

9Koning Salomo heeft voor zichzelf

3:9
Hoogl. 6:12
een draagkoets gemaakt

van hout uit de Libanon.

10De stijlen ervan maakte hij van zilver,

zijn leuning van goud

en zijn zitting van roodpurper.

Het binnenwerk ervan werd met liefde bekleed

door de dochters van Jeruzalem.

11Ga naar buiten en zie, dochters van Sion,

koning Salomo met de kroon

waarmee zijn moeder hem kroonde

op de dag van zijn bruiloft,

ja, op de dag van de blijdschap van zijn hart!

4

De schoonheid van de bruid

Hij:

41Zie, u bent mooi, Mijn vriendin, zie, u bent mooi.

Uw ogen zijn als duiven

4:1
Hoogl. 4:3
6:7
van achter uw sluier.

4:1
Hoogl. 6:5
Uw haar is als een kudde geiten

die neergolft van het gebergte van Gilead.

2Uw tanden zijn als een kudde pasgeschoren schapen

die zijn opgekomen uit de wasplaats.

Alle werpen zij tweelingen,

geen van hen is zonder jongen.

3Als een scharlakenrode draad zijn uw lippen

en uw spreken

4:3
Ps. 147:1
Kol. 4:6
is bekoorlijk.

Als een opengesprongen granaatappel zijn uw slapen

door uw sluier heen.

4

4:4
Hoogl. 7:4
Uw hals is als de toren van David,

in lagen gebouwd.

Er hangen duizend schilden aan,

allemaal schilden van helden.

5

4:5
Hoogl. 7:3
Uw beide borsten zijn als twee kalfjes,

de tweeling van een gazelle,

die tussen de lelies weiden.

6Tot de wind van de dag opsteekt

en de schaduwen vluchten,

zal Ik naar de mirreberg gaan,

naar de wierookheuvel.

7Alles aan u is mooi, Mijn vriendin,

er is geen enkel gebrek aan u.

8Kom met Mij van de Libanon af, bruid,

met Mij van de Libanon af, kom!

Daal af van de top van de Amana,

weg van de top van de Senir en de Hermon,

van de holen van de leeuwen,

van de bergen met de luipaarden.

9U hebt Mijn hart veroverd, Mijn zuster, Mijn bruid,

u hebt Mijn hart veroverd met één blik van uw ogen,

met één schakel van uw halsketting.

10Hoe mooi is uw liefde, Mijn zuster, Mijn bruid,

hoeveel beter is uw liefde dan wijn

en de geur van uw zalfoliën dan allerlei specerijen!

11Uw lippen druipen van honingzeem, Mijn bruid,

honing en melk zijn onder uw tong

en de geur van uw kleding is

als de geur van de Libanon.

12Een gesloten tuin bent u, Mijn zuster, Mijn bruid,

een gesloten bron, een verzegelde fontein.

13Uw scheuten vormen een paradijs

van granaatappelbomen met de beste vruchten,

hennastruiken en nardusplanten,

14nardus en saffraan,

kalmoes en kaneel,

met allerlei wierookbomen,

mirre en aloë,

met een keur van allerlei specerijen.

zij:

15O, bron van de tuinen,

put van levend water

dat van de Libanon stroomt!

16Ontwaak, noordenwind, en kom, zuidenwind,

waai door mijn tuin, zodat de geur van zijn specerijen zich verspreidt.4:16 zich verspreidt - Letterlijk: stroomt.

Laat mijn Liefste in Zijn tuin komen

en eten van zijn beste vruchten!

5

Het berouw van de bruid

Hij:

51Ik ben in Mijn tuin gekomen, Mijn zuster, Mijn bruid,

Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerijen,

Ik heb Mijn honingraat met Mijn honing gegeten,

Ik heb Mijn wijn met Mijn melk gedronken.

Eet,

5:1
Jes. 41:8
Jak. 2:23
vrienden,

drink en word dronken, geliefden.

zij:

2Ik sliep, maar mijn hart waakte.

De stem van mijn Liefste, Die aanklopte:

Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin,

Mijn duif, Mijn volmaakte,

want Mijn hoofd is vol dauw,

Mijn haarlokken vol druppels van de nacht.

3Ik heb mijn onderkleed uitgetrokken.

Waarom zou ik dat weer aantrekken?

Ik heb mijn voeten gewassen.

Waarom zou ik ze weer vuilmaken?

4Mijn Liefste trok Zijn hand uit de opening van de deur

en mijn binnenste werd onrustig om Hem.

5Ik stond op om mijn Liefste open te doen,

en mijn handen dropen van mirre

en mijn vingers van vloeiende mirre

over de handgreep van de grendel.

6Ik deed mijn Liefste open,

maar mijn Liefste was weg, Hij was weggegaan.

Ik was buiten mijzelf,5:6 Ik was buiten mijzelf - Letterlijk: Mijn ziel was buiten zichzelf. toen Hij sprak!

5:6
Hoogl. 3:1
Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet,

Ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet.

7De wachters die in de stad de ronde deden, vonden mij.

Zij sloegen mij, verwondden mij,

zij namen mijn sluier van mij af,

de wachters op de muren.

8

5:8
Hoogl. 3:5
Ik bezweer u,

dochters van Jeruzalem,

als u mijn Liefste vindt,

wat zult u Hem vertellen?

Dat ik ziek ben van liefde!

De schoonheid van de Bruidegom

de dochters van Jeruzalem:

9Wat heeft uw Liefste vóór boven een ander,5:9 boven een ander - Letterlijk: meer dan een liefste; zie ook het vervolg van dit vers.

o, allermooiste onder de vrouwen?

Wat heeft uw Liefste vóór boven een ander,

dat u ons dit zo bezweert?

zij:

10Mijn Liefste is blank en rood,

Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.

11Zijn hoofd is van fijn goud, van zuiver goud,

Zijn haarlokken zijn krullend, zwart als een raaf.

12

5:12
Hoogl. 1:15
4:1
Zijn ogen zijn als duiven

bij waterstromen,

badend in melk,

zittend bij een volle bron.

13Zijn wangen zijn als een bed met specerijen,

als torentjes met kruiden.

Zijn lippen zijn als lelies

druipend van vloeiende mirre.

14Zijn handen zijn als gouden ringen,

ingezet met turkoois.

Zijn buik5:14 Zijn buik - Letterlijk: Zijn ingewanden. is als blinkend ivoor,

bedekt met saffieren.

15Zijn benen zijn als witmarmeren pilaren,

gegrondvest op voetstukken van zuiver goud.

Zijn gedaante is als de Libanon,

uitgelezen als de ceders.

16Zijn gehemelte is een en al zoetheid,

alles aan Hem is geheel en al begeerlijk.

Zo is mijn Liefste, ja, zo is mijn Vriend,

dochters van Jeruzalem!