Herziene Statenvertaling (HSV)
2

De stem van mijn Liefste

zij:2:1 zij - Of: Hij.

21Ik ben een roos van Saron,

een lelie uit de dalen.

Hij:

2Als een lelie tussen de distels,

zo is Mijn vriendin tussen de meisjes.

zij:

3Als een appelboom tussen de bomen van het woud,

zo is mijn Liefste tussen de jongemannen.

Ik verlang er sterk naar in Zijn schaduw te zitten,

en Zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte.

4Hij brengt mij in het wijnhuis,

en de liefde is Zijn banier over mij.

5Sterk mij met rozijnenkoeken,

verkwik mij met appels,

want ik ben ziek van liefde.

6

2:6
Hoogl. 8:3
Laat Zijn linkerarm onder mijn hoofd zijn

en Zijn rechter mij omhelzen.

7Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,

als bij de gazellen of bij de hinden op het veld,

dat u de liefde niet opwekt of aanwakkert,

voordat het haar behaagt.

8De stem van mijn Liefste!

Zie, daar komt Hij,

springend over de bergen,

huppelend over de heuvels.

9Mijn Liefste lijkt op een gazelle

of het jong van een hert.

Zie, Hij staat achter onze muur,

kijkend door de vensters,

speurend door de spijlen.

10Mijn Liefste antwoordt en zegt tegen mij:

Sta op, Mijn vriendin,

Mijn allermooiste, en kom!

11Want zie, de winter is voorbij.

De regentijd is over, helemaal voorbijgegaan.

12De bloemen laten zich zien op het land,

de zangtijd is aangebroken,

het koeren van de tortelduif wordt in ons land gehoord.

13De vijgenboom brengt zijn jonge vruchten voort,

de bloeiende wijnstokken geuren.

Sta op, Mijn vriendin,

en kom, Mijn allermooiste!

14Mijn duif in de kloven van de rots,

in de schuilplaats van de bergwand,

laat Mij uw gedaante zien,

laat Mij uw stem horen.

2:14
Hoogl. 5:13,16
Want uw stem is zoet

en uw gedaante is bekoorlijk.

Hij:

15Vang voor ons de

2:15
Ezech. 13:4
Luk. 13:32
vossen,

de kleine vossen

die de wijngaarden te gronde richten,

nu onze wijngaarden bloeien.

zij:

16Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem,

Die de kudde weidt tussen de lelies,

17

2:17
Hoogl. 4:6
tot de wind van de dag opsteekt

en de schaduwen vluchten.

Keer om, mijn Liefste,

en wees als een gazelle of het jong van een hert

op de bergen van Bether.

3

De bruid zoekt en vindt

zij:

31Op mijn bed zocht ik in de nachten

Hem Die ik innig liefheb.3:1 Die ik innig liefheb - Letterlijk: Die mijn ziel liefheeft; zie ook vers 2, 3 en 4.

Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.

2Ik dacht: Laat ik toch opstaan en in de stad rondtrekken,

door de straten en over de pleinen,

Hem zoeken, Die ik innig liefheb.

Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.

3De wachters,

die in de stad de ronde deden, vonden mij.

Ik zei: Hebt u Hem gezien Die ik innig liefheb?

4Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan

of ik vond Hem Die ik innig liefheb.

Ik greep Hem vast, liet Hem niet meer los,

tot ik Hem gebracht had in het huis van mijn moeder,

in de binnenkamer van haar die mij gebaard heeft.

5Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,

als bij de gazellen of bij de hinden op het veld,

dat u de liefde niet opwekt of aanwakkert,

voordat het haar behaagt.

De bruiloftsstoet

de dochters van Jeruzalem:

6

3:6
Hoogl. 8:5
Wie is zij die daar uit de woestijn komt,

als zuilen van rook,

in een wolk van mirre en wierook,

van allerlei geurige kruiden van de koopman?

zij:3:6 zij - Of: de dochters van Jeruzalem.

7Zie, de draagstoel voor Salomo.

Daaromheen zestig helden,

uit de helden van Israël.

8Allen hanteren het zwaard,

geoefend als ze zijn voor de oorlog.

Ieder draagt zijn zwaard aan zijn heup

tegen de verschrikking in de nachten.

9Koning Salomo heeft voor zichzelf

3:9
Hoogl. 6:12
een draagkoets gemaakt

van hout uit de Libanon.

10De stijlen ervan maakte hij van zilver,

zijn leuning van goud

en zijn zitting van roodpurper.

Het binnenwerk ervan werd met liefde bekleed

door de dochters van Jeruzalem.

11Ga naar buiten en zie, dochters van Sion,

koning Salomo met de kroon

waarmee zijn moeder hem kroonde

op de dag van zijn bruiloft,

ja, op de dag van de blijdschap van zijn hart!

4

De schoonheid van de bruid

Hij:

41Zie, u bent mooi, Mijn vriendin, zie, u bent mooi.

Uw ogen zijn als duiven

4:1
Hoogl. 4:3
6:7
van achter uw sluier.

4:1
Hoogl. 6:5
Uw haar is als een kudde geiten

die neergolft van het gebergte van Gilead.

2Uw tanden zijn als een kudde pasgeschoren schapen

die zijn opgekomen uit de wasplaats.

Alle werpen zij tweelingen,

geen van hen is zonder jongen.

3Als een scharlakenrode draad zijn uw lippen

en uw spreken

4:3
Ps. 147:1
Kol. 4:6
is bekoorlijk.

Als een opengesprongen granaatappel zijn uw slapen

door uw sluier heen.

4

4:4
Hoogl. 7:4
Uw hals is als de toren van David,

in lagen gebouwd.

Er hangen duizend schilden aan,

allemaal schilden van helden.

5

4:5
Hoogl. 7:3
Uw beide borsten zijn als twee kalfjes,

de tweeling van een gazelle,

die tussen de lelies weiden.

6Tot de wind van de dag opsteekt

en de schaduwen vluchten,

zal Ik naar de mirreberg gaan,

naar de wierookheuvel.

7Alles aan u is mooi, Mijn vriendin,

er is geen enkel gebrek aan u.

8Kom met Mij van de Libanon af, bruid,

met Mij van de Libanon af, kom!

Daal af van de top van de Amana,

weg van de top van de Senir en de Hermon,

van de holen van de leeuwen,

van de bergen met de luipaarden.

9U hebt Mijn hart veroverd, Mijn zuster, Mijn bruid,

u hebt Mijn hart veroverd met één blik van uw ogen,

met één schakel van uw halsketting.

10Hoe mooi is uw liefde, Mijn zuster, Mijn bruid,

hoeveel beter is uw liefde dan wijn

en de geur van uw zalfoliën dan allerlei specerijen!

11Uw lippen druipen van honingzeem, Mijn bruid,

honing en melk zijn onder uw tong

en de geur van uw kleding is

als de geur van de Libanon.

12Een gesloten tuin bent u, Mijn zuster, Mijn bruid,

een gesloten bron, een verzegelde fontein.

13Uw scheuten vormen een paradijs

van granaatappelbomen met de beste vruchten,

hennastruiken en nardusplanten,

14nardus en saffraan,

kalmoes en kaneel,

met allerlei wierookbomen,

mirre en aloë,

met een keur van allerlei specerijen.

zij:

15O, bron van de tuinen,

put van levend water

dat van de Libanon stroomt!

16Ontwaak, noordenwind, en kom, zuidenwind,

waai door mijn tuin, zodat de geur van zijn specerijen zich verspreidt.4:16 zich verspreidt - Letterlijk: stroomt.

Laat mijn Liefste in Zijn tuin komen

en eten van zijn beste vruchten!