Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De vrucht van de rechtvaardiging

51Wij

5:1
Jes. 32:17
Joh. 16:33
Efez. 2:13
dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.

2

5:2
Joh. 10:9
14:6
Efez. 2:18
3:12
Hebr. 10:19
Door Hem hebben wij ook de toegang verkregen door het geloof tot deze genade waarin wij
5:2
1 Kor. 15:1
staan, en wij
5:2
Hebr. 3:6
roemen in de hoop op de heerlijkheid van God.

3En dit niet alleen,

5:3
Jak. 1:3
maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt,

4en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop.

5En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.

6

5:6
Efez. 2:1
Kol. 2:13
Hebr. 9:15
1 Petr. 3:18
Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus op de bestemde tijd voor goddelozen gestorven.

7Want bij hoge uitzondering zal iemand voor een rechtvaardige sterven; hoogstens immers heeft iemand de moed om voor de goede mens te sterven.

8God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus

5:8
Hebr. 9:15
1 Petr. 3:18
voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.

9Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn.

10Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven.

11En dit niet alleen, maar wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

Adam en Christus

12Daarom, zoals

5:12
Gen. 3:6
1 Kor. 15:21
door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde
5:12
Gen. 2:17
Rom. 6:23
de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben.

13Want totdat de wet er kwam, was er wel zonde in de wereld. Zonde wordt echter niet toegerekend als er geen wet is.

14Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam,5:14 met eenzelfde overtreding als Adam - Letterlijk: in de gelijkheid van de overtreding van Adam. die een voorbeeld is van Hem Die komen zou.

15Maar het is met de genadegave niet zoals met de overtreding. Want als door de overtreding van de ene velen gestorven zijn, veel meer is de genade van God en de gave door de genade die er is door de ene mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.

16En het is met de gave niet zoals het was door de ene die zondigde. Want de veroordeling leidde ten gevolge van één overtreding wel tot verdoemenis, maar de genadegave bij vele overtredingen tot rechtvaardiging.

17Want als door de overtreding van de ene de dood geregeerd heeft door de ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid ontvangen, in het leven regeren door de Ene, namelijk Jezus Christus.

18Zoals dus door één overtreding de veroordeling gekomen is over alle mensen tot verdoemenis, zo komt ook door één rechtvaardigheid de genade over alle mensen tot rechtvaardiging van het leven.

19Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens velen als zondaars aangemerkt worden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene velen als rechtvaardigen aangemerkt worden.

20

5:20
Joh. 15:22
Rom. 4:15
7:8
Gal. 3:19
De wet echter kwam er nog bij opdat de overtreding zou toenemen,
5:20
Luk. 7:47
maar waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest,

21opdat, evenals de zonde geregeerd heeft tot de dood, zo ook de genade zou regeren door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.

6

Gestorven aan de zonde

61Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

2Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die met betrekking tot de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?

3Of weet u niet

6:3
Gal. 3:27
dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?

4

6:4
Kol. 2:12
Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is
6:4
Rom. 8:11
Filipp. 3:10,11
opgewekt tot6:4 tot - Aldus SV; of: door. de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij
6:4
Efez. 4:23
Kol. 3:10
Hebr. 12:1
1 Petr. 2:2
in een nieuw leven zouden wandelen.

5

6:5
Rom. 8:11
Kol. 3:1
Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood,6:5 gelijkgemaakt … in Zijn dood - Letterlijk: in de gelijkmaking van Zijn dood. dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding.

6Dit weten wij toch, dat onze oude mens

6:6
Gal. 2:20
5:24
Filipp. 3:10
1 Petr. 4:1,2
met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen.

7

6:7
1 Petr. 4:1
Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

8

6:8
2 Tim. 2:11
Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven.

9

6:9
Openb. 1:18
Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem.

10

6:10
1 Petr. 2:24
Want wat Zijn sterven betreft, is Hij eens en voor altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God.

11Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere.

12Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen.

13En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid,

6:13
Luk. 1:74
Rom. 12:1
Gal. 2:20
Hebr. 9:14
1 Petr. 4:2
maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God.

14Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.

Dienstbaar aan de gerechtigheid

15Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!

16Weet u niet

6:16
Joh. 8:34
2 Petr. 2:19
dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid?

17Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.

18

6:18
Joh. 8:32
Gal. 5:1
1 Petr. 2:16
En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.

19Ik spreek op menselijke wijze vanwege de zwakheid van uw vlees. Want zoals u uw leden beschikbaar gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de ene wetteloosheid tot de andere wetteloosheid, stel zo nu uw leden beschikbaar ten dienste van de gerechtigheid, tot heiliging.

20

6:20
Joh. 8:34
Want toen u slaaf van de zonde was, was u vrij ten aanzien van de gerechtigheid.

21Wat voor vrucht dan had u toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is de dood.

22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt u uw vrucht, die tot heiliging leidt, met als einde eeuwig leven.

23

6:23
Gen. 2:17
Rom. 5:12
1 Kor. 15:21
Jak. 1:15
Want het loon van de zonde is de dood,
6:23
1 Petr. 1:3
maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.

7

Vrij van de wet

71Of, broeders, weet u niet – ik spreek immers tot mensen die de wet kennen – dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?

2

7:2
1 Kor. 7:39
Want de gehuwde vrouw is door de wet
7:2
1 Kor. 7:2,10
gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.

3

7:3
Matt. 5:32
Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.

4Zo, mijn broeders,

7:4
Gal. 2:19
1 Petr. 4:1
bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

5Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.

6Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij

7:6
Rom. 2:29
2 Kor. 3:6
in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

De wet leert de zonde kennen

7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja,

7:7
Rom. 3:20
Hebr. 7:18
ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei:
7:7
Ex. 20:17
Deut. 5:21
U zult niet begeren.

8

7:8
Joh. 15:22
Rom. 4:15
5:20
Gal. 3:19
Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.

9Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

10En het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek voor mij de dood te betekenen.

11Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

12

7:12
1 Tim. 1:8
Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

13Is dan het goede de oorzaak van mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft – opdat zij als zonde zichtbaar zou worden – door het goede voor mij de dood teweeggebracht, opdat door het gebod de zonde uitermate zondig zou blijken te zijn.

Inwendige strijd

14Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk,

7:14
Jes. 52:3
verkocht onder de zonde.

15Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet,

7:15
Gal. 5:17
want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.

16En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is.

17Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont.

18

7:18
Gen. 6:5
8:21
Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet.

19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

20Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont.

21Ik ontdek dus deze wet in mij: dat, als ik het goede wil doen, het kwade dicht bij mij ligt.

22

7:22
Efez. 3:16
Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God.

23

7:23
Gal. 5:17
Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.

24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?

25Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

26Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.