Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Afzender, groet en geadresseerden

11Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel,

1:1
Hand. 9:15
13:2
Gal. 1:15
afgezonderd tot het Evangelie van God,

2dat Hij tevoren beloofd

1:2
Gen. 3:15
22:18
26:4
49:10
Deut. 18:15
2 Sam. 7:12
Ps. 132:11
Jes. 4:2
7:14
9:5
40:10
Jer. 23:5
33:14
Ezech. 34:23
37:24
Dan. 9:24
Micha 7:20
had door Zijn profeten, in de heilige Schriften,

3ten aanzien van Zijn Zoon, Die wat het vlees betreft geboren is

1:3
Matt. 1:1
Luk. 1:32
Hand. 2:30
13:23
2 Tim. 2:8
uit het geslacht van David.

4Wat de Geest van heiliging betreft, is met kracht bewezen dat Hij

1:4
Jes. 9:5
44:6
54:5
Joh. 2:19
Rom. 9:5
1 Joh. 5:20
de Zoon van God is, door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heere.

5Door Hem hebben wij genade en het apostelschap ontvangen tot geloofsgehoorzaamheid onder alle heidenen, ter wille van Zijn Naam,

6waartoe ook u behoort, geroepenen van Jezus Christus.

7Aan allen die in Rome zijn, geliefden van God en

1:7
1 Kor. 1:2
Efez. 1:1
geroepen heiligen: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus.

Het verlangen van Paulus naar Rome

8Allereerst nu dank ik mijn God door Jezus Christus voor u allen, omdat uw geloof in de hele wereld wordt verkondigd.

9Want

1:9
Rom. 9:1
2 Kor. 1:23
11:31
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Thess. 2:5
God,
1:9
2 Tim. 1:3
Die ik in mijn geest dien in het Evangelie van Zijn Zoon, is mijn Getuige, hoe ik zonder ophouden aan u denk.

10

1:10
Rom. 15:23,32
Steeds weer vraag ik in mijn gebeden of mij, zo mogelijk, door de wil van God eens een goede gelegenheid geboden zal worden om naar u toe te komen.

11

1:11
1 Thess. 3:10
Want ik verlang er vurig naar u te zien,
1:11
Rom. 15:29
om u in enige geestelijke genadegave te laten delen, waardoor u versterkt zou worden,

12dat is te zeggen, om in uw midden samen bemoedigd te worden door het onderlinge geloof, zowel dat van u als dat van mij.

13Maar ik wil niet dat u er geen weet van hebt, broeders,

1:13
1 Thess. 2:18
dat ik dikwijls het voornemen had naar u toe te komen om ook onder u enige vrucht te hebben, zoals ook onder de andere heidenen. Tot nu toe was ik echter verhinderd.

14

1:14
1 Kor. 9:16
Ik sta in de schuld bij Grieken en niet-Grieken, bij wijzen en onverstandigen.

15Zo is wat in mij is, gewillig om ook u die in Rome bent, het Evangelie te verkondigen.

De kern van de brief

16

1:16
Ps. 40:10
2 Tim. 1:8
Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus,
1:16
1 Kor. 1:18
15:2
want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.

17

1:17
Rom. 3:21
Filipp. 3:9
Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is:
1:17
Hab. 2:4
Joh. 3:36
Gal. 3:11
Hebr. 10:38
Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

De toorn van God over de heidenen

18Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken,

19

1:19
Hand. 14:17
omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard.

20

1:20
Ps. 19:2
Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.

21Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt,

1:21
Deut. 28:28
maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.

22Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden,

23

1:23
2 Kon. 17:29
en hebben zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens,1:23 een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens - Letterlijk: de gelijkenis van een beeld van een vergankelijk mens. op vogels en op viervoetige en kruipende dieren.

24Daarom ook heeft God hen in de begeerten van hun hart overgegeven aan de onreinheid om hun lichamen onder elkaar te onteren.

25Zij hebben de waarheid van God vervangen door de leugen, en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.

26Daarom heeft God hen overgegeven

1:26
Lev. 18:22,23
aan schandelijke hartstochten,1:26 schandelijke hartstochten - Letterlijk: gevoelens van oneer. want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke.

27En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkaar ontbrand: mannen doen schandelijke dingen met mannen en ontvangen het gepaste loon voor hun dwaling in zichzelf.

28En omdat het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen.

29Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid.

30Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders,

31onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig.

32Zij kennen het recht van God, namelijk dat zij die zulke dingen doen de dood verdienen, en toch doen zij niet alleen zelf deze dingen,

1:32
Hos. 7:3
maar stemmen ook van harte in met hen die ze doen.

2

Niemand te verontschuldigen

21Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent die anderen oordeelt,

2:1
2 Sam. 12:5
Matt. 7:1
1 Kor. 4:5
want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u uzelf. U immers die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.

2En wij weten dat het oordeel van God in overeenstemming met de waarheid is over hen die zulke dingen doen.

3En u, o mens, die hen oordeelt die zulke dingen doen, en ze zelf ook doet, denkt u dat u aan het oordeel van God zult ontkomen?

4Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en

2:4
2 Petr. 3:15
geduld,
2:4
Jes. 30:18
zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?

5Maar in overeenstemming met uw hardheid en uw onbekeerlijke hart

2:5
Rom. 9:22
hoopt u voor uzelf toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God,

6

2:6
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 14:12
1 Kor. 3:8
2 Kor. 5:10
Gal. 6:5
Openb. 2:23
22:12
Die ieder vergelden zal naar zijn werken,

7namelijk hun die met volharding het goede doen en heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken: het eeuwige leven.

8

2:8
2 Thess. 1:8
Hun echter die twistziek zijn en ongehoorzaam aan de waarheid, maar gehoorzaam aan de ongerechtigheid, zal gramschap en toorn vergolden worden.

9Verdrukking en benauwdheid zullen komen over de ziel van ieder mens die het kwade teweegbrengt, eerst over de Jood, en ook over de Griek,

10maar heerlijkheid en eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek.

11

2:11
Deut. 10:17
2 Kron. 19:7
Job 34:19
Hand. 10:34
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
Want er is geen aanzien des persoons bij God.

De Joden en de wet

12Want zij die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zij die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden.

13

2:13
Matt. 7:21
Jak. 1:22
1 Joh. 3:7
Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden.

14Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet.

15Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van, en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar.

16

2:16
Matt. 25:31
Zo zal het gaan op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, overeenkomstig mijn Evangelie.

17Zie, u wordt Jood genoemd.

2:17
Rom. 9:4
U steunt op de wet en roemt in God,

18en kent Zijn wil en onderscheidt wat wezenlijk is, omdat u uit de wet bent onderwezen.

19En u bent van uzelf overtuigd dat u een gids voor de blinden bent, een licht voor hen die in duisternis zijn,

20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van jonge kinderen, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en van de waarheid hebt.

21U dan die een ander onderwijst, onderwijst u uzelf niet? U die predikt dat men niet stelen mag, steelt u zelf?

22U die zegt dat men geen overspel mag plegen, pleegt u zelf overspel? U die de afgoden verfoeit, pleegt u zelf tempelroof?

23U die in de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet?

24Want de Naam van God wordt,

2:24
Jes. 52:5
Ezech. 36:23
zoals geschreven is, door uw toedoen gelasterd onder de heidenen.

De Joden en de besnijdenis

25Want de besnijdenis heeft wel nut als u de wet houdt, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besneden zijn tot onbesneden zijn2:25 onbesneden zijn - Letterlijk: voorhuid; zie ook volgende verzen. geworden.

26Als dan een onbesnedene de verordeningen van de wet in acht neemt, zal zijn onbesneden zijn dan niet tot besnijdenis gerekend worden?

27En zal hij die overeenkomstig de natuur onbesneden is, maar die de wet volbrengt, u dan niet oordelen, die mét de letter van de wet en de besnijdenis een overtreder van de wet bent?

28

2:28
Joh. 8:39
Rom. 9:7
Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt,

29maar híj is Jood die het in het verborgene is,

2:29
Deut. 10:16
Jer. 4:4
Filipp. 3:2,3
Kol. 2:11
en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.

3

Het voorrecht van de Joden

31Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Of wat is het voordeel van het besneden zijn?

2Veel, in alle opzichten.

3:2
Ps. 147:19
Rom. 9:4
Want in de eerste plaats zijn hun de woorden van God toevertrouwd.

3Want wat is het geval? Als sommigen ontrouw zijn geweest, zal

3:3
Num. 23:19
Rom. 9:6
2 Tim. 2:13
hun ontrouw de trouw van God toch niet tenietdoen?

4Volstrekt niet! Zo echter moet het zijn:

3:4
Joh. 3:33
God is waarachtig
3:4
Ps. 116:11
maar ieder mens een leugenaar, zoals geschreven staat:
3:4
Ps. 51:6
Opdat U gerechtvaardigd wordt wanneer U rechtspreekt,3:4 wanneer U rechtspreekt - Letterlijk: in Uw woorden. en overwint wanneer U oordeelt.

5Als nu onze ongerechtigheid de gerechtigheid van God bevestigt, wat zullen wij dan zeggen? Is God onrechtvaardig als Hij toorn over ons brengt? Ik spreek op menselijke wijze.

6Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?

7Want als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger is geworden tot Zijn heerlijkheid, waarom word ik dan toch nog als zondaar geoordeeld?

8En het is toch niet, zoals wij belasterd worden en zoals sommigen zeggen dat wij zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkomt? De verdoemenis van hen is rechtvaardig.

Alle mensen zijn zondaars

9Wat dan wel? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd

3:9
Gal. 3:22
dat zij allen onder de zonde zijn,

10zoals geschreven staat:

3:10
Ps. 14:3
53:4
Er is niemand rechtvaardig, ook niet één,

11er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt.

12Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één.

13

3:13
Ps. 5:10
Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog,
3:13
Ps. 140:4
addergif is onder hun lippen.

14

3:14
Ps. 10:7
Hun mond is vol vervloeking en bitterheid,

15

3:15
Spr. 1:16
Jes. 59:7
hun voeten zijn snel om bloed te vergieten.

16Vernieling en ellende is op hun wegen,

17en de weg van de vrede hebben zij niet gekend.

18

3:18
Ps. 36:2
De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

19Wij weten nu dat alles wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld doemwaardig wordt voor God.

20

3:20
Gal. 2:16
Daarom zal uit werken van de wet geen vlees3:20 vlees - d.i. een zondig mens. voor Hem gerechtvaardigd worden.
3:20
Rom. 7:7
Hebr. 7:18
Door de wet is immers kennis van zonde.

Rechtvaardiging door het geloof

21Maar nu is zonder de wet

3:21
Rom. 1:17
Filipp. 3:9
gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd:

22namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid.

23Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God,

24

3:24
Jes. 53:5
en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

25

3:25
2 Kor. 5:19
Kol. 1:20
Hebr. 4:16
1 Joh. 4:10
Hem heeft God openlijk aangewezen
3:25
Ex. 25:17
als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan aan de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.

26Hij deed dit om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen nu in deze tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is én rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is.

27Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.

28

3:28
Hand. 13:38
Rom. 8:3
Gal. 2:16
Hebr. 7:25
Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.

29Of is God alleen de God van Joden? En niet ook van heidenen? Ja, ook van heidenen.

30Het is toch immers één en dezelfde God, Die besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en onbesnedenen3:30 onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid. door het geloof.

31Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet.