Herziene Statenvertaling (HSV)
13

De overheid als dienares van God

131Ieder

13:1
Tit. 3:1
1 Petr. 2:13
mens13:1 ieder mens - Letterlijk: elke ziel. moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn,
13:1
Spr. 8:15
Dan. 4:32
want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld,

2zodat hij die zich verzet tegen het gezag, tegen de instelling van God ingaat, en wie daartegen ingaan, zullen over zichzelf een oordeel halen.

3Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen, wanneer men goede werken doet, maar wel als men kwade werken doet. Wilt u nu van het gezag niets te vrezen hebben, doe het goede en u zult er lof van ontvangen.

4Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.

5Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen omwille van de straf, maar ook omwille van het geweten.

6Om die reden immers betaalt u ook belastingen. Het zijn namelijk dienaars van God, die juist daarmee voortdurend bezig zijn.

7

13:7
Matt. 22:21
Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt.

Liefde tot de naaste

8Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben;

13:8
Gal. 5:14
1 Tim. 1:5
want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.

9Want dit:

13:9
Ex. 20:13
Deut. 5:17
Matt. 19:18
U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin:
13:9
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Mark. 12:31
Gal. 5:14
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

10De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet.

11En dit te meer,

13:11
Efez. 5:14
1 Thess. 5:6
omdat wij het beslissende tijdstip kennen, namelijk dat de tijd reeds is aangebroken dat wij uit de slaap ontwaken. Want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen.

12

13:12
1 Thess. 5:5
De nacht is ver gevorderd en de dag is nabijgekomen.
13:12
Kol. 3:8
Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen.

13Laten wij, als op klaarlichte dag,

13:13
Filipp. 4:8
1 Thess. 4:12
op een gepaste wijze wandelen,
13:13
Luk. 21:34
1 Thess. 5:6
niet in zwelgpartijen en dronkenschappen,
13:13
1 Kor. 6:10
Efez. 5:5
niet in slaapkamers en losbandigheden,
13:13
Jak. 3:14
niet in ruzie en afgunst.

14

13:14
Gal. 3:27
Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus,
13:14
1 Petr. 2:11
en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken.

14

Verdraagzaamheid

141Aanvaard dan wie zwak is in het geloof, maar niet om over meningsverschillen te strijden.

2De een gelooft wel dat hij alles eten mag, maar wie zwak is, eet plantaardig voedsel.

3

14:3
Kol. 2:16
Wie wel alles eet, moet hem niet minachten die niet alles eet. En wie niet alles eet, moet hem niet veroordelen die alles eet. God immers heeft hem aanvaard.

4

14:4
Jak. 4:12
Wie bent u, dat u de huisslaaf van een ander oordeelt? Of hij staat of valt, gaat alleen zijn eigen heer aan. Hij zal echter staande gehouden worden, want God is bij machte hem staande te houden.

5

14:5
Gal. 4:10
Kol. 2:16
De een acht de ene dag boven de andere dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Laat ieder in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn.

6Wie de dag in ere houdt, houdt hem in ere voor de Heere, en wie de dag niet in ere houdt, houdt hem niet in ere voor de Heere. Wie eet, eet voor de Heere,

14:6
1 Kor. 10:31
1 Tim. 4:3
want hij dankt God. En wie niet eet, eet niet voor de Heere, en ook hij dankt God.

7

14:7
2 Kor. 5:15
Gal. 2:20
1 Thess. 5:10
1 Petr. 4:2
Niemand van ons leeft immers voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf.

8Want als wij leven, leven wij voor de Heere en als wij sterven, sterven wij voor de Heere. Of wij dan leven of sterven, wij zijn van de Heere.

9Want met dit doel is Christus ook gestorven en opgestaan en weer levend geworden, dat Hij zowel over doden als levenden zou heersen.

10U echter, wat oordeelt u uw broeder? Of ook u, wat minacht u uw broeder?

14:10
Matt. 25:31
2 Kor. 5:10
Wij zullen immers allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden.

11Want er staat geschreven:

14:11
Jes. 45:23
Filipp. 2:10
Zo waar als Ik leef, zegt de Heere: Voor Mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God belijden.

12

14:12
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 2:6
1 Kor. 3:8
2 Kor. 5:10
Gal. 6:5
Openb. 2:23
22:12
Zo zal dan nu ieder van ons voor zichzelf rekenschap geven aan God.

13Laten wij dan niet langer elkaar oordelen, maar oordeel liever dit:

14:13
1 Kor. 10:32
2 Kor. 6:3
de broeder geen aanstoot of oorzaak tot struikelen te geven.

14

14:14
Matt. 15:11
Hand. 10:15
1 Kor. 8:4
1 Tim. 4:4
Ik weet en ben ervan overtuigd in de Heere Jezus dat niets in zichzelf onrein is. Alleen voor hem die van mening is dat iets onrein is, voor die is het onrein.

15Maar als uw broeder om wat u eet bedroefd wordt, dan wandelt u niet meer naar de liefde.

14:15
1 Kor. 8:11
Richt door uw eten niet hem te gronde voor wie Christus gestorven is.

16Laat dan het goede dat u bezit niet gelasterd worden.

17

14:17
1 Kor. 8:8
Want het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest.

18Want wie Christus in deze dingen dient, is welbehaaglijk voor God en in achting bij de mensen.

19Laten wij dus najagen wat de vrede en de onderlinge opbouw bevordert.

20Breek niet om wat u eet het werk van God af.

14:20
Tit. 1:15
Alle dingen zijn wel rein, maar het is zondig voor hem die door wat hij eet aanstoot geeft.

21

14:21
1 Kor. 8:13
Het is goed geen vlees te eten, geen wijn te drinken en niets te doen waaraan uw broeder aanstoot neemt, waarover hij struikelt of waarin hij zwak is.

22Hebt u geloof? Heb dat bij uzelf voor God. Zalig die zichzelf niet oordeelt in wat hem goeddunkt.

23Wie echter twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet.

14:23
Tit. 1:15
En alles wat niet uit geloof is, is zonde.

15

Zwakken en sterken

151Maar

15:1
1 Kor. 9:22
Gal. 6:1
wij die sterk zijn, zijn verplicht de zwakheden van hen die niet sterk zijn te dragen, en niet onszelf te behagen.

2Laat daarom ieder van ons zijn naaste behagen ten goede, tot opbouw.

3Want ook Christus heeft niet Zichzelf behaagd, maar zoals geschreven staat:

15:3
Ps. 69:10
Jes. 53:4,5
Al de smaad van hen die U smaden, is op Mij gevallen.

4

15:4
Rom. 4:23,24
Want alles wat eertijds geschreven is, is tot onze onderwijzing eerder geschreven, opdat wij in de weg van volharding en vertroosting door de Schriften de hoop zouden behouden.

5En de God van de volharding en van de vertroosting moge u geven

15:5
Rom. 12:16
1 Kor. 1:10
Filipp. 2:2
3:16
1 Petr. 3:8
onderling eensgezind te zijn in overeenstemming met Christus Jezus,

6opdat u eensgezind, met één mond, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verheerlijkt.

7Daarom, aanvaard elkaar zoals ook Christus ons aanvaard heeft, tot heerlijkheid van God.

8En ik zeg dat Jezus Christus een Dienaar van de besnijdenis is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen,

9en opdat de heidenen God zouden verheerlijken vanwege de barmhartigheid, zoals geschreven staat:

15:9
2 Sam. 22:50
Ps. 18:50
Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.

10En verder zegt Hij:

15:10
Deut. 32:43
Wees vrolijk, heidenen, met Zijn volk!

11En verder:

15:11
Ps. 117:1
Loof de Heere, alle heidenvolken, en prijs Hem, alle volken!

12En verder zegt Jesaja:

15:12
Jes. 11:10
Openb. 5:5
22:16
De wortel van Isaï zal er zijn en Hij Die opstaat om heerschappij te voeren over de heidenen, op Hem zullen de heidenen hopen.

13De God nu van de hoop moge u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.

De plannen van Paulus

14Nu ben ik ervan overtuigd, mijn broeders – ook ikzelf met het oog op u – dat u zelf ook vol bent van goedheid, vervuld met alle kennis, in staat ook elkaar terecht te wijzen.

15Maar ik heb u ten dele op nogal gedurfde toon geschreven, broeders, als om u hieraan te herinneren, vanwege de genade die mij door God gegeven is,

16om een dienaar van Jezus Christus te zijn voor de heidenen, door het Evangelie van God als een priester te dienen, opdat het offer van de heidenen welgevallig zou zijn aan God, geheiligd door de Heilige Geest.

17Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in de dingen die God aangaan.

18Want ik durf het niet aan iets te zeggen wat Christus niet door mij teweeggebracht heeft, om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen, in woord en daad,

19door de kracht van tekenen en wonderen en door de kracht van de Geest van God. Zo heb ik dan van Jeruzalem af en rondom, tot Illyricum toe, het Evangelie van Christus vervuld.

20En evenzo stelde ik er een eer in om het Evangelie daar te verkondigen waar Christus nog niet genoemd was, om niet op het fundament van een ander te bouwen.

21Maar zoals geschreven staat:

15:21
Jes. 52:15
Zij aan wie niets over Hem verkondigd was, zullen het zien, en zij die het niet gehoord hebben, zullen het begrijpen.

22Daarom was ik ook vaak

15:22
Rom. 1:13
1 Thess. 2:18
verhinderd om naar u toe te komen.

23Nu ik echter in deze streken geen arbeidsveld meer heb, en ik sinds vele jaren een

15:23
Vers 32;
groot verlangen heb naar u toe te komen,

24zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, naar u toe komen. Ik hoop u namelijk op doorreis te zien en door u op weg daarheen verder geholpen te worden, als ik eerst wat van de ontmoeting met u genoten zal hebben.

25

15:25
Hand. 19:21
24:17
Maar nu reis ik naar Jeruzalem om de heiligen te dienen,

26want de gemeenten van Macedonië en Achaje hebben het goedgevonden enige handreiking te doen aan de armen onder de heiligen in Jeruzalem.

27Zij hebben het namelijk goedgevonden, en zij zijn het ook aan hen verplicht.

15:27
1 Kor. 9:11
Gal. 6:6
Immers, als de heidenen aan hun geestelijke weldaden deel gekregen hebben, zijn zij ook verplicht hen met stoffelijke te dienen.

28Als ik deze zaak dan volbracht zal hebben en hun deze vrucht officieel afgedragen zal hebben, zal ik via u naar Spanje reizen.

29

15:29
Rom. 1:11
En ik weet dat ik, als ik naar u toe kom, met de volle zegen van het Evangelie van Christus zal komen.

Mede strijden in het geloof

30En ik roep u ertoe op, broeders, door onze Heere Jezus Christus en door de liefde van de Geest,

15:30
2 Kor. 1:11
om samen met mij te strijden in de gebeden tot God voor mij,

31

15:31
2 Thess. 3:2
dat ik verlost mag worden van de ongehoorzamen in Judea en dat mijn dienstbetoon, namelijk dat aan Jeruzalem, de heiligen welgevallig is,

32

15:32
Vers 23;
zodat ik met blijdschap naar u toe kom door de wil van God en bij u tot rust zal mogen komen.

33En de God van de vrede zij met u allen. Amen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]