Herziene Statenvertaling (HSV)
10

101Broeders, de oprechte wens van mijn hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op hun zaligheid.

2Want ik getuig van hen dat

10:2
Hand. 22:3
Rom. 9:31
Gal. 4:17
zij ijver voor God hebben, maar niet met het juiste inzicht.

3Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen.

De gerechtigheid uit het geloof

4

10:4
Matt. 5:17
Hand. 13:38
2 Kor. 3:13
Gal. 3:24
Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

5Want Mozes schrijft over de gerechtigheid die uit de wet is:

10:5
Lev. 18:5
Ezech. 20:11
Gal. 3:12
De mens die deze dingen gedaan heeft, zal daardoor leven.

6De gerechtigheid echter die uit het geloof is, spreekt aldus:

10:6
Deut. 30:12
Zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen? Dat is Christus naar beneden brengen.

7Of: Wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden naar boven brengen.

8Maar wat zegt zij? Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken:

9Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.

10Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid.

11Want de Schrift zegt: Ieder die

10:11
Jes. 28:16
Rom. 9:33
in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

12

10:12
Hand. 15:9
Rom. 3:22
Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen.

13

10:13
Joël 2:32
Hand. 2:21
Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.

14Hoe zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloven? En hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?

15En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Zoals geschreven staat:

10:15
Jes. 52:7
Nahum 1:15
Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die vrede verkondigen, van hen die het goede verkondigen!

16Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest. Jesaja zegt namelijk:

10:16
Jes. 53:1
Joh. 12:38
Heere, wie heeft onze prediking10:16 prediking - Letterlijk: gehoor; zie ook vers 17. geloofd?

17Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.

18Maar ik zeg: Hebben zij het dan echt niet gehoord? Zeker wel:

10:18
Ps. 19:5
Hun geluid is over heel de aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.

19Maar ik zeg: Heeft Israël het dan niet begrepen? Ten eerste is het Mozes die zegt:

10:19
Deut. 32:21
Ik zal u jaloers maken door wat geen volk is; door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken.

20En Jesaja durft het aan te zeggen:

10:20
Jes. 65:1
Ik ben gevonden door hen die Mij niet zochten, Ik heb Mij geopenbaard aan hen die naar Mij niet vroegen.

21Met het oog op Israël zegt Hij echter:

10:21
Jes. 65:2
Heel de dag heb Ik Mijn handen uitgebreid naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

11

Beloften voor Israël

111Ik zeg dan:

11:1
Jer. 31:37
Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!
11:1
2 Kor. 11:22
Filipp. 3:5
Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

2God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:

3

11:3
1 Kon. 19:10
Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.11:3 staan zij mij naar het leven - Letterlijk: zoeken zij mijn ziel.

4Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem?

11:4
1 Kon. 19:18
Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.

5

11:5
Rom. 9:27
Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.

6

11:6
Deut. 9:4
Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.

7Wat dan?

11:7
Rom. 9:31
Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,

8zoals geschreven staat:

11:8
Jes. 29:10
God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven,
11:8
Jes. 6:9
Ezech. 12:2
Matt. 13:14
Mark. 4:12
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.

9En David zegt:

11:9
Ps. 69:23
Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.

10Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.

11Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.

12Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

Wortel en takken

13Want tegen u, de heidenen, zeg ik:

11:13
Hand. 9:15
13:2
22:21
Gal. 1:16
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,

14om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.

15Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?

16En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.

17Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats11:17 in hun plaats- Letterlijk: in hen; of: tussen hen. bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid

11:17
Jer. 11:16
van de olijfboom,

18beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.

19U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.

20Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.

21Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.

22Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.

23

11:23
2 Kor. 3:16
En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.

24Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.

25Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen,

11:25
Luk. 21:24
totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

26En zo zal heel Israël zalig worden,

11:26
Ps. 14:7
Jes. 27:9
59:20
Jer. 31:31,32,33,34
2 Kor. 3:16
Hebr. 8:8
10:16
zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

27En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.

28Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.

29Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.

30Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,

31zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.

32

11:32
Gal. 3:22
Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.

Aanbidding

33O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God,

11:33
Ps. 36:7
hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!

34

11:34
Jes. 40:13
1 Kor. 2:16
Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

35

11:35
Job 41:2
Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?

36

11:36
Spr. 16:4
1 Kor. 8:6
Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

12

Leven voor God

121Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God,

12:1
1 Petr. 2:5
om uw lichamen aan God te wijden
12:1
Rom. 6:13,16
als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst.

2

12:2
1 Joh. 2:15
En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid
12:2
Efez. 5:17
1 Thess. 4:3
om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

3Want door de genade

12:3
Rom. 1:5
die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u
12:3
Efez. 4:7
niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof
12:3
1 Kor. 12:11
Efez. 4:7
zoals God die aan ieder heeft toebedeeld.

4Want

12:4
1 Kor. 12:27
Efez. 1:23
4:16
5:23
Kol. 1:24
zoals wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben,

5

12:5
1 Kor. 12:4
2 Kor. 10:13
1 Petr. 4:10
zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar.

6En nu hebben wij

12:6
1 Kor. 12:4
genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven:

7hetzij

12:7
1 Kor. 12:10
profetie, naar de mate van het geloof; hetzij
12:7
1 Petr. 4:10,11
dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen;

8hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt,

12:8
Matt. 6:1,2,3
in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt,
12:8
Deut. 15:7
2 Kor. 9:7
met blijmoedigheid.

Onderlinge liefde

9Laat de liefde ongeveinsd zijn.

12:9
Ps. 97:10
Amos 5:15
Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede.

10

12:10
Efez. 4:2
Hebr. 13:1
1 Petr. 1:22
2:17
Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde.
12:10
Filipp. 2:3
1 Petr. 5:5
Ga elkaar voor in eerbetoon.

11Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.

12

12:12
Rom. 15:13
1 Thess. 5:16
Verblijd u in de hoop.
12:12
Hebr. 10:36
12:1
Jak. 5:7
Wees geduldig in de verdrukking.
12:12
Luk. 18:1
Efez. 6:18
Kol. 4:2
1 Thess. 5:17
Volhard in het gebed.

13

12:13
1 Kor. 16:1
Wees deelgenoot in de noden van de heiligen.
12:13
Hebr. 13:2
1 Petr. 4:9
Leg u toe op de gastvrijheid.

14

12:14
Matt. 5:44
1 Kor. 4:12
Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

15Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen.

16

12:16
Rom. 15:5
1 Kor. 1:10
Filipp. 2:2
3:16
1 Petr. 3:8
Wees eensgezind onder elkaar.
12:16
Spr. 3:7
Jes. 5:21
Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog.

17

12:17
Spr. 20:22
Matt. 5:39
1 Kor. 6:7
1 Thess. 5:15
Vergeld niemand kwaad met kwaad.
12:17
2 Kor. 8:21
1 Petr. 2:12
Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

18

12:18
Mark. 9:50
Hebr. 12:14
Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

19

12:19
Matt. 5:39
Luk. 6:29
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven:
12:19
Deut. 32:35
Hebr. 10:30
Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

20

12:20
Spr. 25:21
Matt. 5:44
Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.

21Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.