Herziene Statenvertaling (HSV)
9

Droefheid over het ongeloof van Israël

91Ik

9:1
Rom. 1:9
2 Kor. 1:23
11:31
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Thess. 2:5
5:27
spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest,

2dat het een grote bron van droefheid voor mij is, en een voortdurende smart voor mijn hart.

3

9:3
Ex. 32:32
Rom. 10:1
Want ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten wat het vlees betreft.

4

9:4
Deut. 7:6
Rom. 2:17
3:2
Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid
9:4
Efez. 2:12
en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften.

5Tot hen behoren de vaderen, en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus voortgekomen,

9:5
Jer. 23:6
Joh. 1:1
Hand. 20:28
Rom. 1:4
Hebr. 1:8,9,10
Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen!

De vrijmacht van de verkiezing

6Ik zeg dit niet

9:6
Num. 23:19
Rom. 3:3
2 Tim. 2:13
alsof het Woord van God vervallen is,
9:6
Joh. 8:39
Rom. 2:28
want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël.

7

9:7
Gal. 4:23
Ook niet omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen.
9:7
Gen. 21:12
Gal. 3:29
Hebr. 11:18
Maar: Alleen dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden.

8Dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God,

9:8
Gal. 4:28
maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend.

9Want dit is het woord van de belofte:

9:9
Gen. 18:10
Rond deze tijd zal Ik komen, en dan zal Sara een zoon hebben.

10En dit niet alleen,

9:10
Gen. 25:21
maar zo was het ook met Rebekka, die zwanger was van één man, namelijk Izak, onze vader.

11Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden – opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept –

12werd tot haar gezegd:

9:12
Gen. 25:23
De meerdere zal de mindere dienen.

13Zoals geschreven staat:

9:13
Mal. 1:2
Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.

14Wat zullen wij dan zeggen?

9:14
Deut. 32:4
2 Kron. 19:7
Job 34:10
Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet!

15Want Hij zegt tegen Mozes:

9:15
Ex. 33:19
Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm en zal barmhartig zijn voor wie Ik barmhartig ben.

16Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt.

17Want de Schrift zegt tegen de farao:

9:17
Ex. 9:16
Juist hiertoe heb Ik u verwekt: dat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en dat Mijn Naam verkondigd zou worden op de hele aarde.

18Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil.

19U zult dan tegen mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?

20Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt?

9:20
Jes. 45:9
Jer. 18:6
Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?

21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp klei

9:21
2 Tim. 2:20
het ene voorwerp tot een eervol, het andere tot een oneervol voorwerp te maken?

22En is het niet zo dat God, omdat Hij Zijn toorn wilde bewijzen en Zijn macht bekendmaken, met veel geduld de voorwerpen van Zijn toorn, voor het verderf gereedgemaakt, verdragen heeft?

23En dat met het doel om de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van Zijn ontferming, die Hij van tevoren bereid heeft tot heerlijkheid?

24Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

25Zoals Hij ook in Hosea zegt:

9:25
Hos. 2:22
Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde.

26En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was:

9:26
Hos. 1:10
1 Petr. 2:10
U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.

27En Jesaja roept over Israël uit:

9:27
Jes. 10:22
Al zou het getal van de Israëlieten zijn als het zand van de zee, slechts het overblijfsel zal behouden worden.

28Want Hij voltooit een zaak en handelt die af in gerechtigheid. De Heere immers zal metterdaad Zijn zaak snel afhandelen9:28 zal … snel afhandelen - Letterlijk: zal een afgesneden zaak doen. op de aarde.

29En zoals Jesaja van tevoren gezegd heeft:

9:29
Jes. 1:9
Als de Heere van de legermachten9:29 de Heere van de legermachten - Letterlijk: de Heere Zebaoth. ons geen nageslacht had overgelaten, zouden wij
9:29
Gen. 19:24
Jes. 13:19
Jer. 50:40
Ezech. 16:46
als Sodom zijn geworden en aan Gomorra gelijkgemaakt zijn geweest.

Het behoud van de heiden en de dwaling van Israël

30Wat zullen wij dan zeggen? Dit: dat de heidenen, die geen gerechtigheid hebben nagejaagd, gerechtigheid verkregen hebben, gerechtigheid echter die uit het geloof is.

31Maar Israël,

9:31
Rom. 10:2
11:7
dat de wet van de gerechtigheid najaagde, is aan de wet van de gerechtigheid niet toegekomen.

32Waarom niet? Omdat zij die niet uit geloof zochten, maar als uit werken van de wet. Want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,

33zoals geschreven staat:

9:33
Ps. 118:22
Jes. 8:14
28:16
Matt. 21:42
1 Petr. 2:6
Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een struikelblok.
9:33
Ps. 2:12
Spr. 16:20
Jes. 28:16
Jer. 17:7
En: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

10

101Broeders, de oprechte wens van mijn hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op hun zaligheid.

2Want ik getuig van hen dat

10:2
Hand. 22:3
Rom. 9:31
Gal. 4:17
zij ijver voor God hebben, maar niet met het juiste inzicht.

3Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen.

De gerechtigheid uit het geloof

4

10:4
Matt. 5:17
Hand. 13:38
2 Kor. 3:13
Gal. 3:24
Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

5Want Mozes schrijft over de gerechtigheid die uit de wet is:

10:5
Lev. 18:5
Ezech. 20:11
Gal. 3:12
De mens die deze dingen gedaan heeft, zal daardoor leven.

6De gerechtigheid echter die uit het geloof is, spreekt aldus:

10:6
Deut. 30:12
Zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen? Dat is Christus naar beneden brengen.

7Of: Wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden naar boven brengen.

8Maar wat zegt zij? Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken:

9Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.

10Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid.

11Want de Schrift zegt: Ieder die

10:11
Jes. 28:16
Rom. 9:33
in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

12

10:12
Hand. 15:9
Rom. 3:22
Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen.

13

10:13
Joël 2:32
Hand. 2:21
Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.

14Hoe zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloven? En hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?

15En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Zoals geschreven staat:

10:15
Jes. 52:7
Nahum 1:15
Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die vrede verkondigen, van hen die het goede verkondigen!

16Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest. Jesaja zegt namelijk:

10:16
Jes. 53:1
Joh. 12:38
Heere, wie heeft onze prediking10:16 prediking - Letterlijk: gehoor; zie ook vers 17. geloofd?

17Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.

18Maar ik zeg: Hebben zij het dan echt niet gehoord? Zeker wel:

10:18
Ps. 19:5
Hun geluid is over heel de aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.

19Maar ik zeg: Heeft Israël het dan niet begrepen? Ten eerste is het Mozes die zegt:

10:19
Deut. 32:21
Ik zal u jaloers maken door wat geen volk is; door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken.

20En Jesaja durft het aan te zeggen:

10:20
Jes. 65:1
Ik ben gevonden door hen die Mij niet zochten, Ik heb Mij geopenbaard aan hen die naar Mij niet vroegen.

21Met het oog op Israël zegt Hij echter:

10:21
Jes. 65:2
Heel de dag heb Ik Mijn handen uitgebreid naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

11

Beloften voor Israël

111Ik zeg dan:

11:1
Jer. 31:37
Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!
11:1
2 Kor. 11:22
Filipp. 3:5
Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

2God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:

3

11:3
1 Kon. 19:10
Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.11:3 staan zij mij naar het leven - Letterlijk: zoeken zij mijn ziel.

4Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem?

11:4
1 Kon. 19:18
Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.

5

11:5
Rom. 9:27
Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.

6

11:6
Deut. 9:4
Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.

7Wat dan?

11:7
Rom. 9:31
Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,

8zoals geschreven staat:

11:8
Jes. 29:10
God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven,
11:8
Jes. 6:9
Ezech. 12:2
Matt. 13:14
Mark. 4:12
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.

9En David zegt:

11:9
Ps. 69:23
Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.

10Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.

11Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.

12Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

Wortel en takken

13Want tegen u, de heidenen, zeg ik:

11:13
Hand. 9:15
13:2
22:21
Gal. 1:16
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,

14om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.

15Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?

16En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.

17Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats11:17 in hun plaats- Letterlijk: in hen; of: tussen hen. bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid

11:17
Jer. 11:16
van de olijfboom,

18beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.

19U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.

20Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.

21Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.

22Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.

23

11:23
2 Kor. 3:16
En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.

24Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.

25Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen,

11:25
Luk. 21:24
totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

26En zo zal heel Israël zalig worden,

11:26
Ps. 14:7
Jes. 27:9
59:20
Jer. 31:31,32,33,34
2 Kor. 3:16
Hebr. 8:8
10:16
zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

27En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.

28Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.

29Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.

30Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,

31zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.

32

11:32
Gal. 3:22
Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.

Aanbidding

33O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God,

11:33
Ps. 36:7
hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!

34

11:34
Jes. 40:13
1 Kor. 2:16
Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

35

11:35
Job 41:2
Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?

36

11:36
Spr. 16:4
1 Kor. 8:6
Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]