Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De boekrol met de zeven zegels

51En ik zag in de rechterhand van Hem Die op de troon zat,

5:1
Ezech. 2:10
een boekrol, vanbinnen en vanbuiten beschreven, verzegeld met zeven zegels.

2En ik zag een sterke engel, die met luide stem uitriep: Wie is het waard de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?

3Maar er was niemand

5:3
Vers
in de hemel en ook niet op de aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen of hem inzien.

4En ik huilde erg, omdat er niemand werd gevonden die het waard was die boekrol te openen, te lezen of in te zien.

5En een van de ouderlingen zei tegen mij: Huil niet. Zie,

5:5
Gen. 49:9,10
de Leeuw Die uit de stam van Juda is,
5:5
Jes. 11:10
Rom. 15:12
Openb. 22:16
de Wortel van David, heeft overwonnen om de boekrol te openen en zijn zeven zegels te verbreken.

Het Lam opent de boekrol

6En ik zag, en zie: te midden van de troon en van de vier dieren en te midden van de ouderlingen stond een Lam als geslacht, met zeven hoorns en

5:6
Zach. 3:9
4:10
zeven ogen. Dat zijn de
5:6
Openb. 4:5
zeven Geesten van God, die uitgezonden zijn over heel de aarde.

7En Het kwam, en heeft de boekrol genomen uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.

8En toen Het de boekrol genomen had, wierpen de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen zich vóór het Lam neer. Zij hadden elk een

5:8
Openb. 14:2
citer en gouden schalen vol reukwerk. Dit zijn
5:8
Ps. 141:2
de gebeden van de heiligen.

9En zij zongen

5:9
Openb. 14:3
een nieuw lied en zeiden:
5:9
Openb. 4:11
U bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God
5:9
Hand. 20:28
Efez. 1:7
Kol. 1:14
Hebr. 9:12
10:10
1 Petr. 1:19
1 Joh. 1:7
gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie.

10

5:10
Ex. 19:6
1 Petr. 2:5,9
Openb. 1:6
En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde.

11En ik zag, en hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon, van de dieren en van de ouderlingen. En

5:11
Dan. 7:10
Hebr. 12:22
hun aantal bedroeg tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.

12En zij zeiden met luide stem:

5:12
Openb. 4:11
Het Lam Dat geslacht is, is het waard om de kracht te ontvangen, en rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en dankzegging.

13En elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.

14En de vier dieren zeiden: Amen. En de vierentwintig ouderlingen wierpen zich neer en aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid.

6

Opening van de eerste zes zegels

61En ik zag hoe het Lam het eerste van de zegels opende en ik hoorde een van de vier dieren met een stem als van een donderslag zeggen: Kom en zie!

2En ik zag en zie,

6:2
Openb. 19:11
een wit paard, en Hij Die erop zat, had een boog. En Hem was een kroon gegeven en Hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen.

3En toen het Lam het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!

4En een ander paard, dat rood was, trok uit, en aan hem die erop zat, werd macht gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en te maken dat men elkaar zou afslachten. En hem werd een groot zwaard gegeven.

5En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand.

6En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning6:6 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. en drie maten gerst voor een penning.

6:6
Openb. 9:4
En breng de olie en de wijn geen schade toe.

7En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie!

8En ik zag, en zie: een grauw paard en die erop zat, zijn naam was de dood, en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde.

9En toen het Lam het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar

6:9
Openb. 20:4
de zielen van hen die geslacht waren omwille van het Woord van God, en
6:9
Openb. 19:10
omwille van het getuigenis dat zij hadden.

10En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?

11En aan ieder van hen werd een lang wit gewaad gegeven. En tegen hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het aantal van hun mededienstknechten en hun broeders, die evenals zij gedood zouden worden, volledig zou zijn geworden.

12En ik zag toen het Lam het zesde zegel geopend had, en zie, er kwam een grote aardbeving,

6:12
Hand. 2:20
en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed,

13en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind wordt geschud.

14En de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold. En alle bergen en alle eilanden werden van hun plaats gerukt.

15En de koningen van de aarde, de groten, de rijken, de oversten over duizend, de machtigen en alle slaven en vrije mensen verborgen zich in de grotten en tussen de rotsen in de bergen.

16En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen:

6:16
Jes. 2:19
Hos. 10:8
Luk. 23:30
Openb. 9:6
Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam.

17Want de grote dag van Zijn toorn is aangebroken en wie kan dan staande blijven?

7

De verzegelden uit de twaalf stammen

71Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde. Zij hielden de vier winden van de aarde tegen, opdat er geen wind zou waaien op de aarde, of op de zee of tegen enige boom.

2En ik zag een andere engel opkomen van waar de zon opgaat, met het zegel van de levende God. En hij riep met luide stem tegen de vier engelen aan wie het gegeven was de aarde en de zee schade toe te brengen,

3en zei:

7:3
Openb. 9:4
Breng geen schade toe aan de aarde, en ook niet aan de zee en de bomen, totdat wij de dienaren van onze God
7:3
Ezech. 9:4
aan hun voorhoofd verzegeld hebben.

4En ik hoorde het aantal van hen die verzegeld waren:

7:4
Openb. 14:1
honderdvierenveertigduizend waren er verzegeld uit alle stammen van de Israëlieten.

5Uit de stam Juda waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Ruben waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Gad waren er twaalfduizend verzegeld,

6uit de stam Aser waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Naftali waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Manasse waren er twaalfduizend verzegeld,

7uit de stam Simeon waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Levi waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Issaschar waren er twaalfduizend verzegeld,

8uit de stam Zebulon waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Jozef waren er twaalfduizend verzegeld, en uit de stam Benjamin waren er twaalfduizend verzegeld.

De heerlijkheid van hen die verdrukt werden

9Hierna zag ik en zie, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen, volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun hand.

10En zij riepen met een luide stem: De zaligheid is van onze God, Die op de troon zit, en van het Lam!

11En alle engelen stonden rondom de troon, de ouderlingen en de vier dieren. Zij wierpen zich vóór de troon neer met hun gezicht ter aarde en aanbaden God,

12en zeiden: Amen. De lofprijzing, de heerlijkheid, de wijsheid, de dankzegging, de eer, de kracht en de sterkte is aan onze God tot in alle eeuwigheid. Amen.

13En een van de ouderlingen antwoordde en zei tegen mij: Dezen, die bekleed zijn met witte gewaden, wie zijn zij en waar zijn zij vandaan gekomen?

14En ik zei tegen hem: U weet het, mijn heer. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun gewaden gewassen en ze hebben hun gewaden wit gemaakt in het bloed van het Lam.

15Daarom zijn zij vóór de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel. En Hij Die op de troon zit, zal Zijn tent over hen uitspreiden.

16Zij zullen geen

7:16
Jes. 49:10
honger of dorst meer hebben, en
7:16
Ps. 121:6
geen zonnesteek of enige hitte zal hen treffen.

17Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen

7:17
Ps. 23:1
weiden en zal hen geleiden naar de levende waterbronnen. En God zal alle tranen van hun ogen
7:17
Jes. 25:8
Openb. 21:4
afwissen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]