Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Vijfde brief: aan Sardis

31En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij Die

3:1
Openb. 1:4
de zeven Geesten van God heeft en
3:1
Openb. 1:16
de zeven sterren: Ik ken uw werken, en weet dat u de naam hebt dat u leeft, maar u bent dood.

2Wees waakzaam en versterk het overige dat dreigt te sterven, want Ik heb uw werken niet vol bevonden voor God.

3Bedenk dan hoe u het hebt ontvangen en gehoord, en houd het vast en

3:3
Vers
bekeer u. Als u dan niet waakzaam bent, zal Ik bij u komen
3:3
Matt. 24:43
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 16:15
als een dief en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen.

4Maar u hebt ook in Sardis enkele personen3:4 personen - Letterlijk: namen. die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn.

5Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen

3:5
Ex. 32:32
Ps. 69:29
Filipp. 4:3
Openb. 20:12
21:27
uit het boek des levens, maar
3:5
Matt. 10:32
Luk. 12:8
Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

6Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Zesde brief: aan Filadelfia

7En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige,

3:7
Vers
de Waarachtige,
3:7
Job 12:14
Jes. 22:22
Openb. 1:18
Die de sleutel van David heeft, Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent:

8Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend.

9Zie, Ik geef u enigen

3:9
Openb. 2:9
uit de synagoge van de satan, van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen. Zie, Ik zal maken dat zij komen en aan uw voeten aanbidden en erkennen dat Ik u liefheb.

10Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken.

11Zie, Ik kom spoedig.

3:11
Openb. 2:25
Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen.

12Wie overwint, hem zal Ik

3:12
1 Kon. 7:21
tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan. En Ik zal
3:12
Openb. 22:4
de Naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God,
3:12
Openb. 21:2,10
het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel, bij Mijn God vandaan, en Mijn nieuwe Naam.

13Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

Zevende brief: aan Laodicea

14En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: Dit zegt

3:14
Openb. 1:5,6
de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige,
3:14
Kol. 1:15
het begin van Gods schepping:

15Ik ken uw werken, en weet dat u niet koud en niet heet bent. Was u maar koud of heet!

16Maar omdat u lauw bent en niet koud en ook niet heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.

17Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.

18Ik raad u aan dat u van Mij goud koopt, gelouterd door het vuur, opdat u rijk wordt, en

3:18
2 Kor. 5:3
Openb. 7:13
16:15
19:8
witte kleren, opdat u bekleed bent en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt. En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zult kunnen zien.

19

3:19
Job 5:17
Spr. 3:12
Hebr. 12:5
Ieder die Ik liefheb, wijs Ik terecht en bestraf Ik. Wees dan ijverig en bekeer u.

20Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij.

21Wie overwint,

3:21
Matt. 19:28
1 Kor. 6:2
zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb.

22Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.

4

Lof van de vierentwintig ouderlingen en de vier dieren

41Hierna zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel. En de eerste stem die ik als van een bazuin met mij had horen spreken, zei: Kom hier, omhoog, en Ik zal u laten zien wat hierna moet geschieden.

2En meteen raakte ik in geestvervoering. En zie, er stond een troon in de hemel, en op de troon zat Iemand.

3En Hij Die daar zat, zag eruit als4:3 zag eruit als - Letterlijk: was in uiterlijk gelijk aan; zie ook het tweede deel van dit vers. de stenen jaspis en sardius. En er was een regenboog rondom de troon, die eruitzag als een smaragd.

4En rondom de troon stonden vierentwintig tronen. En op de tronen zag ik de vierentwintig ouderlingen zitten, bekleed met witte kleren, en met gouden kronen op hun hoofd.

5En uit de troon kwamen bliksemstralen, donderslagen en stemmen. En er stonden zeven vurige fakkels te branden vóór de troon. Dit zijn de zeven Geesten van God.

6En vóór de troon was

4:6
Openb. 15:2
een glazen zee, als kristal. En in het midden van de troon en om de troon heen waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.

7En het eerste dier leek op een leeuw, het tweede dier leek op een kalf, het derde dier had het gezicht als van een mens, en het vierde dier leek op een vliegende arend.

8En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels rondom, en vanbinnen waren die vol ogen. Ze hadden geen rust en zeiden dag en nacht:

4:8
Jes. 6:3
Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige,
4:8
Openb. 1:4,8
11:17
16:5
Die was, Die is, en Die komt!

9En telkens wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dank brachten aan Hem Die op de troon zat en Die leeft in alle eeuwigheid,

10wierpen de vierentwintig ouderlingen zich neer voor Hem Die op de troon zat, aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen neer vóór de troon en zeiden:

11

4:11
Openb. 5:12
U bent het waard, Heere, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen.

5

De boekrol met de zeven zegels

51En ik zag in de rechterhand van Hem Die op de troon zat,

5:1
Ezech. 2:10
een boekrol, vanbinnen en vanbuiten beschreven, verzegeld met zeven zegels.

2En ik zag een sterke engel, die met luide stem uitriep: Wie is het waard de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?

3Maar er was niemand

5:3
Vers
in de hemel en ook niet op de aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen of hem inzien.

4En ik huilde erg, omdat er niemand werd gevonden die het waard was die boekrol te openen, te lezen of in te zien.

5En een van de ouderlingen zei tegen mij: Huil niet. Zie,

5:5
Gen. 49:9,10
de Leeuw Die uit de stam van Juda is,
5:5
Jes. 11:10
Rom. 15:12
Openb. 22:16
de Wortel van David, heeft overwonnen om de boekrol te openen en zijn zeven zegels te verbreken.

Het Lam opent de boekrol

6En ik zag, en zie: te midden van de troon en van de vier dieren en te midden van de ouderlingen stond een Lam als geslacht, met zeven hoorns en

5:6
Zach. 3:9
4:10
zeven ogen. Dat zijn de
5:6
Openb. 4:5
zeven Geesten van God, die uitgezonden zijn over heel de aarde.

7En Het kwam, en heeft de boekrol genomen uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.

8En toen Het de boekrol genomen had, wierpen de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen zich vóór het Lam neer. Zij hadden elk een

5:8
Openb. 14:2
citer en gouden schalen vol reukwerk. Dit zijn
5:8
Ps. 141:2
de gebeden van de heiligen.

9En zij zongen

5:9
Openb. 14:3
een nieuw lied en zeiden:
5:9
Openb. 4:11
U bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God
5:9
Hand. 20:28
Efez. 1:7
Kol. 1:14
Hebr. 9:12
10:10
1 Petr. 1:19
1 Joh. 1:7
gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie.

10

5:10
Ex. 19:6
1 Petr. 2:5,9
Openb. 1:6
En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde.

11En ik zag, en hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon, van de dieren en van de ouderlingen. En

5:11
Dan. 7:10
Hebr. 12:22
hun aantal bedroeg tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.

12En zij zeiden met luide stem:

5:12
Openb. 4:11
Het Lam Dat geslacht is, is het waard om de kracht te ontvangen, en rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en dankzegging.

13En elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.

14En de vier dieren zeiden: Amen. En de vierentwintig ouderlingen wierpen zich neer en aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]