Herziene Statenvertaling (HSV)
18

Val van Babylon

181Hierna zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel. Hij had grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.

2En hij riep uit met krachtige stem:

18:2
Jes. 21:9
Jer. 51:8
Openb. 14:8
Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en een woonplaats van demonen geworden,
18:2
Jes. 13:21
34:14
Jer. 50:39
een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende
18:2
Jes. 34:11
vogels.

3Want van

18:3
Openb. 14:8
de wijn van de toorn van haar hoererij hebben alle volken gedronken,
18:3
Openb. 17:2
en de koningen van de aarde hebben hoererij met haar bedreven, en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de kracht van haar losbandig leven.

4En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen:

18:4
Gen. 19:12
Jes. 48:20
52:11
Jer. 51:6,45
2 Kor. 6:17
Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen.

5Want haar zonden hebben

18:5
Openb. 16:19
zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden.

6Vergeld haar zoals zij ook u vergolden heeft, en vergeld haar dubbel18:6 vergeld haar dubbel - Letterlijk: verdubbel haar dubbel. naar haar werken. Schenk in de drinkbeker

18:6
Openb. 14:10
waarin zij voor anderen ingeschonken heeft, voor haar het dubbele in.

7Overeenkomstig de maat waarin zij zichzelf heeft verheerlijkt en losbandig heeft geleefd, geef haar naar die maat pijniging en rouw. Want in haar hart zegt zij:

18:7
Jes. 47:8
Ik zit als een koningin en ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien.

8

18:8
2 Thess. 2:8
Daarom zullen op één dag haar plagen komen: dood, rouw en honger, en
18:8
Openb. 17:16
met vuur zal zij verbrand worden, want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.

9

18:9
Vers
En de koningen van de aarde die hoererij met haar bedreven hebben en losbandig geleefd hebben, zullen huilen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij
18:9
Vers
de rook van haar verbranding zullen zien.

10Zij blijven van verre staan uit vrees voor haar pijniging en zeggen:

18:10
Jes. 21:9
Jer. 51:1
Openb. 14:8
Wee, wee de grote stad Babylon, de sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen.

11En de kooplieden van de aarde zullen over haar huilen en treuren, omdat niemand hun waren meer koopt:

12koopwaar van goud, zilver, edelgesteente, parels, fijn linnen, purper, zijde en scharlaken, allerlei geurig hout, allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout, koper, ijzer en marmer,

13en kaneel, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, meelbloem en tarwe, lastdieren en schapen, paarden en wagens, en lichamen

18:13
Ezech. 27:13
en zielen van mensen.

14En de rijpe vrucht waarnaar uw ziel verlangde,18:14 En de rijpe vrucht … verlangde - Letterlijk: En de rijpe vrucht van de begeerte van uw ziel. is van u geweken. Al wat glansrijk en sierlijk was, is van u weggegaan en u zult dat beslist niet meer terugvinden.

15De kooplieden van deze waren, die door haar rijk zijn geworden, zullen huilend en treurend op grote afstand blijven staan uit vrees voor haar pijniging,

16en zeggen: Wee, wee de grote stad, die

18:16
Openb. 17:4
bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken, en getooid met goud, edelgesteente en parels. Want in één uur is die grote rijkdom verwoest.

17En elke stuurman, al het volk op de schepen, zeelieden en allen die op zee hun werk doen, bleven van verre staan,

18en zij riepen toen zij

18:18
Vers
de rook van haar verbranding zagen:
18:18
Openb. 13:4
Welke stad was aan deze grote stad gelijk?

19En zij wierpen stof op hun hoofd en riepen huilend en treurend: Wee, wee de grote stad, waarin allen die schepen op zee hadden, rijk zijn geworden door haar weelde. Want in één uur is zij verwoest.

20Verblijd u over haar, hemel, heilige apostelen en profeten, want God heeft uw vonnis

18:20
Openb. 19:2
aan haar voltrokken.

21En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, en zei:

18:21
Jer. 51:64
Zó zal Babylon, de grote stad, met geweld neergeworpen worden, en het zal nooit meer gevonden worden.

22

18:22
Jer. 25:10
Ezech. 26:13
En het geluid van citerspelers, zangers, fluitspelers en bazuinblazers zal beslist niet meer in u gehoord worden. En er zal geen enkele beoefenaar van welke kunst dan ook meer in u gevonden worden, en
18:22
Jer. 25:10
het geluid van de molen zal zeker niet meer in u gehoord worden.

23En het lamplicht zal nooit meer in u schijnen

18:23
Jer. 7:34
16:9
25:10
en de stem van een bruidegom of van een bruid zal nooit meer in u gehoord worden. Want uw kooplieden waren de groten van de aarde. Door uw tovenarij immers werden alle naties misleid.

24En

18:24
Openb. 17:6
het bloed van profeten en heiligen en van allen die geslacht zijn op de aarde, is in deze stad gevonden.

19

Lied van overwinning

191En hierna hoorde ik een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja, de zaligheid, de heerlijkheid, de eer en de kracht zij aan de Heere, onze God.

2Want

19:2
Openb. 15:3
16:7
Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig, omdat Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde te gronde gericht heeft met haar hoererij, en omdat Hij
19:2
Deut. 32:43
Openb. 18:20
het bloed van Zijn dienstknechten aan haar19:2 aan haar - Letterlijk: uit haar hand. gewroken heeft.

3En zij zeiden voor de tweede keer: Halleluja!

19:3
Jes. 34:10
Openb. 14:11
18:18
En haar rook stijgt op in alle eeuwigheid.

4En de vierentwintig ouderlingen en de vier dieren wierpen zich neer, aanbaden God, Die op de troon zit, en zeiden: Amen, Halleluja!

5En er kwam een stem uit de troon, die zei: Loof onze God, al Zijn dienstknechten, en die Hem vrezen, kleinen en groten!

De bruiloft van het Lam

6En ik hoorde zoiets als een geluid van een grote menigte en als een gedruis van vele wateren en een geluid als van zware donderslagen: Halleluja, want de Heere, de almachtige God,

19:6
Openb. 11:17
is Koning geworden.

7Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven,

19:7
Matt. 22:2
Luk. 14:16
want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt.

8En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.

9En hij zei tegen mij: Schrijf: Zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tegen mij:

19:9
Openb. 21:5
Dit zijn de waarachtige woorden van God.

10

19:10
Openb. 22:8
En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden, maar hij zei tegen mij:
19:10
Hand. 10:26
14:14
Openb. 22:9
Pas op dat u dat niet doet! Ik ben een mededienstknecht van u en van uw broeders, die het getuigenis van Jezus hebben. Aanbid God. Het getuigenis van Jezus is namelijk de geest van de profetie.

Overwinning van Christus op de valse profeet

11En ik zag de hemel geopend, en zie,

19:11
Openb. 6:2
een wit paard, en Hij Die daarop zat, werd getrouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.

12En Zijn ogen waren

19:12
Openb. 1:14
als een vuurvlam en op Zijn hoofd waren vele diademen. Hij had een Naam, die opgeschreven was, en die niemand kent dan Hijzelf.

13En Hij was bekleed met een

19:13
Jes. 63:1
in bloed gedoopt bovenkleed, en Zijn Naam luidt:
19:13
Joh. 1:1
1 Joh. 1:1
Het Woord van God.

14En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in

19:14
Matt. 28:3
Openb. 4:4
7:9
fijn linnen, wit en smetteloos.

15

19:15
Vers
En uit Zijn mond kwam een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden
19:15
Ps. 2:9
Openb. 2:27
met een ijzeren staf.
19:15
Jes. 63:3
Openb. 14:19,20
En Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmige toorn19:15 van de grimmige toorn - Letterlijk: van de toorn en van de gramschap. van de almachtige God.

16Er stond op Zijn bovenkleed en op Zijn dij deze Naam geschreven:

19:16
1 Tim. 6:15
Openb. 17:14
Koning der koningen en Heere der heren.

17En ik zag één engel dicht bij de zon staan, en hij riep met luide stem naar alle vogels die hoog aan de hemel vlogen:

19:17
Jer. 12:9
Ezech. 39:17
Kom en verzamel u voor het avondmaal van de grote God,

18om te eten vlees van koningen, en vlees van oversten over duizend, en vlees van machtigen, en vlees van paarden en van hen die daarop zitten, en vlees van alle vrijen en van slaven, kleinen en groten.

19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers bijeenverzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat, en tegen Zijn leger.

20En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet, die in zijn tegenwoordigheid

19:20
Deut. 13:1
Matt. 24:24
Openb. 13:12,13
16:14
de tekenen gedaan had, waardoor hij hen misleid had die het merkteken van het beest
19:20
Openb. 13:16
ontvangen hadden en die
19:20
Openb. 13:15
zijn beeld aanbeden hadden. Deze twee werden
19:20
Dan. 7:11
Openb. 20:10
levend geworpen in de poel van vuur, die
19:20
Openb. 14:10
van zwavel brandt.

21En de overigen werden gedood met het zwaard van Hem Die op het paard zat, namelijk het zwaard dat uit Zijn mond kwam. En alle vogels werden verzadigd met hun vlees.

20

De satan gebonden

201En ik zag een engel neerdalen uit de hemel

20:1
Openb. 1:18
met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand.

2

20:2
2 Petr. 2:4
Openb. 12:9
En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en bond hem voor duizend jaar,

3en wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin op en verzegelde die boven hem,

20:3
Vers
opdat hij de volken niet meer zou misleiden, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen zouden zijn. En daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.

De eerste opstanding

4En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten,

20:4
Openb. 6:10
en het oordeel werd hun gegeven. En ik zag
20:4
Openb. 6:9
de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die
20:4
Openb. 13:12
het beest en
20:4
Openb. 13:15
zijn beeld niet hadden aanbeden, en die
20:4
Openb. 13:16
het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand.
20:4
Openb. 6:11
En zij leefden en gingen als koningen regeren met Christus, duizend jaar lang.

5Maar de overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen waren. Dit is de eerste opstanding.

6Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen

20:6
Jes. 61:6
1 Petr. 2:9
Openb. 1:6
5:10
priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.

De satan geheel overwonnen

7En wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten.

8En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden,

20:8
Ezech. 38:2
39:1
Gog en Magog, om hen
20:8
Openb. 16:14
te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand van de zee.

9En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen.

10En de duivel, die hen misleidde,

20:10
Dan. 7:11
Openb. 19:20
werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook
20:10
Openb. 19:20
het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht
20:10
Openb. 14:10
gepijnigd worden in alle eeuwigheid.

Het laatste oordeel

11En ik zag een grote witte troon, en Hem Die daarop zat. Voor Zijn aangezicht vluchtten de aarde en de hemel weg, zodat er geen plaats meer voor hen te vinden was.

12En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het boek

20:12
Ex. 32:32
Ps. 69:29
Filipp. 4:3
Openb. 3:5
21:27
des levens. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond,
20:12
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 2:6
14:12
2 Kor. 5:10
Gal. 6:5
Openb. 2:23
overeenkomstig hun werken.

13En de zee gaf de doden die in haar waren. Ook de dood en het rijk van de dood gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder overeenkomstig zijn werken.

14En de dood en het rijk van de dood werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood.

15En als iemand niet bleek ingeschreven te zijn in het boek des levens, werd hij in de poel van vuur geworpen.