Herziene Statenvertaling (HSV)
64

Gebed om verlossing

641Een psalm van David, voor de koorleider.

2Hoor, o God, mijn stem wanneer ik klaag;

bescherm mijn leven tegen bedreiging door de vijand.

3Verberg mij voor de heimelijke plannen van de kwaaddoeners,

voor de oproerige menigte van wie onrecht bedrijven.

4Zij die hun tong scherpen als een zwaard,

een bitter woord aanleggen als hun pijl,

5om in verborgen plaatsen de oprechte te

64:5
Ps. 11:2
beschieten;

plotseling schieten zij op hem en zij zijn niet bevreesd.

6Zij maken zich sterk voor een slechte zaak;

zij spreken af om valstrikken te verbergen,

en zeggen: Wie zal ze zien?

7Zij zijn op zoek naar allerlei onrecht,

uiterst grondig zijn zij overal naar op zoek,64:7 uiterst … op zoek - Letterlijk: zij voltrekken een onderzoek dat te onderzoeken is.

zelfs naar iemands binnenste en het diepe hart.

8Maar God zal plotseling met een pijl op hen schieten;

hun wonden zijn er al.

9Hun eigen tong zal hen laten struikelen;

al wie hen ziet, zal wegvluchten.

10Alle mensen zullen vrezen,

Gods werk verkondigen

en wat Hij gedaan heeft, opmerken.

11De rechtvaardige zal zich verblijden in de HEERE

en tot Hem de toevlucht nemen;

alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

65

Loflied op Gods goedheid

651Een psalm van David, een lied, voor de koorleider.

2De lofzang is in stilte tot U, o God, in Sion;

aan U zal de gelofte nagekomen worden.

3U hoort het gebed;

tot U zal alle vlees komen.

4Ongerechtigheden hadden de overhand over mij,

maar onze overtredingen, die verzoent Ú.

5Welzalig is hij die U verkiest en doet naderen,

die mag wonen in Uw voorhoven;

wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,

met het heilige van Uw paleis.

6Met ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid,

o God van ons heil,

o vertrouwen van alle einden der aarde

en van de verre zeeën,

7Die de bergen vast doet staan door Zijn kracht,

Die omgord is met macht;

8Die het bruisen van de zeeën stilt,

het bruisen van hun golven

en het rumoer van de volken.

9Daarom vrezen de bewoners van de einden der aarde voor Uw tekenen;

waar de morgen gloort en de avond daalt, doet U juichen.

10U zag om naar het land en gaf het overvloed,

U maakt het zeer rijk;

de beek van God is vol water;

U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:

11U doordrenkt zijn omgeploegde aarde,

U doet water in zijn voren dalen,

U doorweekt het met regendruppels,

U zegent zijn gewas.

12U kroont het jaar van Uw goedheid,

Uw voetstappen druipen van overvloed,

13zij bedruipen de weiden van de woestijn.

De heuvels omgorden zich met vreugde.

14De velden zijn bekleed met kudden,

de dalen zijn bedekt met koren;

zij juichen, ook zingen zij.

66

Loflied op de grote daden van God

661Een lied, een psalm, voor de koorleider.

Juich voor God, heel de aarde!

2Zing psalmen voor Zijn heerlijke Naam,

geef Hem lof en eer.66:2 geef Hem lof en eer - Letterlijk: stel eer Zijn lof.

3Zeg tegen God: Hoe ontzagwekkend bent U in Uw werken!

Om de grootheid van Uw macht veinzen Uw vijanden dat zij zich aan U onderwerpen.

4Laat heel de aarde zich voor U neerbuigen en voor U psalmen zingen,

laat zij voor Uw Naam psalmen zingen. Sela

5Kom en zie Gods daden;

ontzagwekkend is Zijn doen voor de mensenkinderen.

6

66:6
Ex. 14:21
Hij heeft de zee veranderd in het droge;

zij zijn te voet door de

66:6
Joz. 3:14
rivier gegaan;

daar hebben wij ons in Hem verblijd.

7Hij heerst eeuwig met Zijn macht,

66:7
2 Kron. 16:9
Job 28:24
Ps. 33:13
Zijn ogen houden de wacht over de heidenvolken.

Laten de opstandigen zich niet verheffen. Sela

8Loof, volken, onze God;

laat het geluid van Zijn roem horen,

9Die onze ziel weer het leven geeft,

en niet toelaat dat onze voet wankelt.

10Want U hebt ons beproefd, o God,

U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.

11U had ons in het net gebracht,

U had een knellende band om ons middel gelegd,

12U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.

Wij waren in het vuur en in het water gekomen,

maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.

13Ik zal met brandoffers Uw huis binnengaan;

ik zal aan U mijn geloften nakomen,

14die mijn lippen hebben geuit

en mijn mond heeft uitgesproken in mijn nood.

15Brandoffers van mestvee zal ik U brengen,

samen met de offergeur van rammen;

ik zal runderen met bokken als offer bereiden. Sela

16Kom, luister, allen die God vrezen,

en ik zal vertellen

wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

17Ik riep tot Hem met mijn mond,

en Hij werd geroemd door mijn tong.

18Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad,

de Heere zou mij niet hebben gehoord.

19Voorwaar, God heeft naar mij geluisterd,

Hij heeft acht geslagen op mijn luide gebed.

20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewezen,

en Zijn goedertierenheid mij niet heeft onthouden.