Herziene Statenvertaling (HSV)
57

Gebed om genade

571Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’;

57:1
1 Sam. 22:1
24:4
toen hij voor Saul vluchtte in de grot.

2Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,

want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen;

ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels,

totdat de rampen voorbij zijn gegaan.

3Ik roep tot God, de Allerhoogste,

tot God, Die Zijn werk aan mij voltooien zal.

4Hij zal hulp zenden uit de hemel en mij verlossen,

Hij zal te schande maken wie mij wil opslokken. Sela

God zal Zijn goedertierenheid en Zijn trouw zenden.

5Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen,

ik lig tussen mensen die verzengen als vuur,

mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn,

en hun tong een scherp zwaard.

6

57:6
Ps. 108:6
Verhef U boven de hemel, o God;

Uw eer zij over de hele aarde.

7Zij hebben een net gereedgemaakt voor mijn voeten,

mijn ziel werd neergebogen;

57:7
Ps. 7:16
9:16
zij hebben een kuil voor mij gegraven,

maar zij zijn er zelf middenin gevallen. Sela

8

57:8
Ps. 108:2
Mijn hart is bereid, o God,

mijn hart is bereid;

ik zal zingen, ik zal psalmen zingen.

9Ontwaak, mijn eer,

ontwaak, luit en harp;

ik zal de dageraad doen ontwaken.

10

57:10
Ps. 108:4
Ik zal U loven onder de volken, Heere;

ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.

11

57:11
Ps. 36:6
108:5
Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel,

Uw trouw tot de wolken.

12Verhef U boven de hemel, o God;

Uw eer zij over de hele aarde.

58

Straf voor onrechtvaardige rechters

581Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’.

2Spreekt u werkelijk recht, raad van rechters?

Oordeelt u billijk, mensenkinderen?

3Veeleer bedrijft u onrecht in uw hart;

uw handen wegen geweld af op de aarde.

4De goddelozen zijn van God vervreemd vanaf de baarmoeder;

de leugenaars dwalen vanaf de moederschoot.

5Zij hebben

58:5
Ps. 140:4
vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif;

zij zijn als een dove adder, die zijn oren dichtstopt,

6die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder,

van hem die kundig bezweringen doet.

7O God, breek hun tanden in hun mond;

breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, HEERE.

8Laat hen smelten als water, laat hen wegdrijven;

legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgebroken zijn.

9Laten zij vergaan als een smeltende slak;

laat hen, als de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.

10Voordat uw kookpotten de doornstruik voelen,

zal Hij hen als in brandende toorn levend wegvagen.

11De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet;

hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.

12De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige!

Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!

59

Gebed van een onschuldig vervolgde

591Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’;

59:1
1 Sam. 19:11
toen Saul dienaren gezonden had om het huis van David te bewaken en hem te doden.

2Red mij van mijn vijanden, mijn God,

zet mij in een veilige vesting voor wie tegen mij opstaan.

3Red mij van wie onrecht bedrijven,

verlos mij van de mannen van bloed.

4Want zie, zij leggen een hinderlaag voor mijn ziel,

sterke mannen scholen tegen mij samen, HEERE,

zonder overtreding of zonde van mijn kant;59:4 zonder … kant - Letterlijk: zonder mijn misdaad en zonder mijn zonde.

5zij komen aansnellen en maken zich gereed,

zonder misdaad van mijn kant.

Word wakker, kom mij tegemoet, en zie.

6Ja U, HEERE, God van de legermachten, God van Israël,

ontwaak om al deze heidenvolken te straffen;

wees niemand genadig van wie trouweloos onrecht bedrijven. Sela

7Tegen de avond keren zij terug,

zij grommen als honden

en trekken de stad rond.

8Zie, hun mond vloeit over;

59:8
Ps. 55:22
57:5
zwaarden komen van hun lippen.

59:8
Ps. 10:11
94:7
Want, denken zij, wie hoort het?

9Maar U, HEERE, U

59:9
Ps. 2:4
lacht om hen,

U bespot alle heidenvolken.

10Tegenover zijn macht wacht ik op U,

want God is mijn veilige vesting.

11Mijn goedertieren God zal mij te hulp komen,

God zal mij op mijn belagers doen neerzien.

12Dood hen niet, anders vergeet mijn volk het;

doe hen rondzwerven door Uw kracht,

werp hen neer, Heere, ons schild,

13om de zonde van hun mond, om het woord van hun lippen.

Laat hen gevangen worden in hun trots,

om de vervloeking en om de leugen die zij vertellen.

14Vernietig hen in Uw grimmigheid,

vernietig hen, zodat zij er niet meer zijn;

laat hun weten dat God Heerser is in Jakob,

ja, tot aan de einden der aarde. Sela

15Laat hen dan tegen de avond terugkeren,

laat hen grommen als honden

en de stad rondtrekken.

16Laat hen zelf rondzwerven op zoek naar voedsel,

laat hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd.

17Ik echter zal van Uw macht zingen

en 's morgens vrolijk zingen van Uw goedertierenheid.

Want U bent voor mij een veilige vesting geweest,

een toevlucht in de dagen dat angst mij benauwde.

18Voor U, mijn kracht, zal ik psalmen zingen,

want God is mijn veilige vesting,

mijn goedertieren God.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]