Herziene Statenvertaling (HSV)
49

Vergankelijkheid van aardse rijkdom

491Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

2Hoor dit, alle volken,

neem het ter ore, alle bewoners van de wereld,

3zowel eenvoudigen als aanzienlijken,49:3 zowel eenvoudigen als aanzienlijken - Letterlijk: zowel kinderen van de mens als kinderen van de man.

rijk en arm samen.

4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken,

en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.

5

49:5
Ps. 78:2
Matt. 13:35
Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk,

ik zal mijn verborgenheden onthullen bij harpspel.

6Waarom zou ik bevreesd zijn in dagen van onheil,

wanneer de onrechtvaardigen mij op de hielen zitten en mij omringen?

7Zij vertrouwen op hun vermogen

en beroemen zich op hun grote rijkdom.

8Niemand van hen kan zijn broeder metterdaad verlossen,

hij kan God zijn losgeld niet geven.

9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar

en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.

10Hij zou dan voor altijd verder leven,

en het verderf niet zien.

11Want hij ziet dat wijzen sterven,

dat een dwaas en een onverstandige samen omkomen

en hun vermogen aan anderen nalaten.

12Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,

hun woningen van generatie op generatie;

zij noemen de landen naar hun naam.

13Toch blijft de mens, in al zijn aanzien, niet bestaan;

hij wordt gelijk aan de dieren, die vergaan.

14Deze weg die zij gaan, is hun dwaasheid;

toch scheppen hun nakomelingen behagen in hun woorden. Sela

15Als schapen zet men hen in het graf,

de dood zal hen weiden.

De oprechten zullen in de morgen over hen heersen,

het graf zal hun gestalte doen wegteren, ver van hun woning.

16Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf,

want Hij zal mij opnemen. Sela

17Wees niet bevreesd, wanneer een man rijk wordt,

wanneer de eer van zijn huis groot wordt,

18want bij zijn sterven zal hij niets van dat alles meenemen,

zijn eer zal hem in het graf niet nadalen.

19Al prijst hij zich49:19 zich - Letterlijk: zijn ziel. in zijn leven gelukkig,

al looft men u, omdat u zichzelf te goed doet,

20toch zal hij komen tot het geslacht van zijn vaderen;

voor altijd zullen zij het licht niet zien.

21De mens, die wel in aanzien is, maar geen inzicht heeft,

wordt gelijk aan de dieren, die vergaan.

50

Dien de HEERE oprecht

501Een psalm van Asaf.

De God der goden, de HEERE, spreekt,

en roept de aarde,

vanwaar de zon opkomt

tot waar hij ondergaat.

2Uit Sion, de volmaakte schoonheid,

verschijnt God blinkend.

3Onze God komt en zal niet zwijgen;

voor Zijn aangezicht verteert een vuur,

rondom Hem stormt het geweldig.

4Hij roept tot de hemel daarboven

en tot de aarde, om over Zijn volk recht te spreken:

5Verzamel Mij Mijn gunstelingen,

die een verbond met Mij sluiten door offers.

6De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid;

want God Zelf is Rechter. Sela

7Luister, Mijn volk, en Ik zal spreken,

Israël, Ik zal onder u getuigen:

Ik, God, ben uw God.

8Niet om uw offers zal Ik u straffen,

want uw brandoffers houd Ik voortdurend voor ogen.

9Toch hoef Ik uit uw huis geen jonge stier te nemen

of bokken uit uw kooien,

10want al de wilde dieren in het woud zijn van Mij,

de dieren op duizend bergen.

11Ik ken alle vogels van de bergen,

het wild van het veld is bij Mij.

12Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;

want

50:12
Ex. 19:5
Deut. 10:14
Job 41:2
Ps. 24:1
1 Kor. 10:26,28
van Mij is de wereld en al wat zij bevat.

13Zou Ik stierenvlees eten

of bokkenbloed drinken?

14Offer dank aan God

en

50:14
Deut. 23:23
Job 22:27
Ps. 76:12
Pred. 5:3,4,5
kom aan de Allerhoogste uw geloften na.

15Roep Mij aan in de dag van benauwdheid;

Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.

16Maar tegen de goddeloze zegt God:

Hoe durft u over Mijn verordeningen te vertellen

en Mijn verbond in uw mond te nemen?

17Want ú haat de vermaning

en werpt Mijn woorden achter u weg.

18Ziet u een dief, dan loopt u met hem mee;

en uw deel is met overspelers.

19Uw mond gebruikt u voor het kwaad,

uw tong smeedt bedrog aan bedrog.50:19 smeedt bedrog aan bedrog - Letterlijk: koppelt bedrog.

20U zit daar en spreekt kwaad tegen uw broeder,

u werpt een smet op de zoon van uw moeder.

21Zulke dingen doet u en Ik zwijg;

u denkt dat Ik net zo ben als u.

Ik zal u straffen en uw zonden

voor uw ogen uitstallen.

22Begrijp dit toch, u die God vergeet;

anders verscheur Ik, en er is niemand die redt.

23Wie dank offert, zal Mij eren;

wie de rechte weg gaat, zal Ik Gods heil doen zien.

51

Vierde boetpsalm

511Een psalm van David, voor de koorleider; 2toen de

51:2
2 Sam. 12:1
profeet Nathan bij hem was gekomen, nadat hij bij
51:2
2 Sam. 11:4
Bathseba was gekomen.

3Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid,

delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid.

4Was mij schoon van mijn ongerechtigheid,

reinig mij van mijn zonde.

5Want ík ken mijn overtredingen,

mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.

6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,

ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,

51:6
Rom. 3:4
zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt

en rein bent wanneer U oordeelt.

7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,

in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.

8Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,

in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.

9Ontzondig mij met

51:9
Lev. 14:4,6
Num. 19:6,18
hysop, dan zal ik rein zijn,

was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.

10Doe mij vreugde en blijdschap horen;

laat de beenderen zich verheugen die U verbrijzeld hebt.

11Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden;

delg al mijn ongerechtigheden uit.

12Schep mij een rein hart, o God,

en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.

13Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht

en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.

14Geef mij de vreugde over Uw heil terug,

ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.

15Dan zal ik overtreders Uw wegen leren

en zondaars zullen zich tot U bekeren.

16Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil,

dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid.

17Heere, open mijn lippen;

dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.

18Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen;

in brandoffers schept U geen behagen.

19De offers voor God zijn een gebroken geest;

een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.

20Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen;

bouw de muren van Jeruzalem op.

21Dan zult U vreugde vinden in offers van gerechtigheid,

in een brandoffer en een offer dat geheel verteerd wordt;

dan zal men jonge stieren offeren op Uw altaar.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]