Herziene Statenvertaling (HSV)
47

God triomfeert

471Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

2Alle volken, klap in de handen;

juich voor God met luide vreugdezang.

3Want de HEERE, de Allerhoogste, is ontzagwekkend,

een groot Koning over de hele aarde.

4Hij onderwerpt volken aan ons,

Hij brengt natiën onder onze voeten.

5Hij kiest voor ons ons erfelijk bezit uit:

de glorie van Jakob, die Hij heeft liefgehad. Sela

6God vaart op onder gejuich,

de HEERE vaart op onder bazuingeschal.

7Zing psalmen voor God, zing psalmen,

zing psalmen voor onze Koning, zing psalmen,

8want God is Koning over heel de aarde;

zing psalmen met een onderwijzing.

9God regeert over de heidenvolken;

God zit op Zijn heilige troon.

10De edelen van de volken voegen zich

bij het volk van de God van Abraham;

want de schilden van de aarde zijn van God.

Hij is zeer hoog verheven!

48

De heerlijkheid van Sion

481Een lied, een psalm, van de zonen van Korach.

2De HEERE is groot en zeer te prijzen,

in de stad van onze God, op Zijn heilige berg.

3Mooi van ligging,

een vreugde voor heel de aarde,

is de berg Sion aan de noordzijde,

48:3
Matt. 5:35
de stad van de grote Koning!

4God is in haar paleizen;

Hij is er bekend als een veilige vesting.

5Want zie, koningen hadden zich verzameld,

zij waren samen opgetrokken.

6Zodra zij de stad zagen, waren zij verbijsterd,

zij werden door schrik overmand, zij haastten zich weg.

7Huiver greep hen daar aan,

smart als van een barende vrouw.

8Met een oostenwind breekt U

de schepen van Tarsis stuk.

9Zoals wij het gehoord hadden,

zo hebben wij het gezien

in de stad van de HEERE van de legermachten,

in de stad van onze God:

God zal haar stand doen houden tot in eeuwigheid. Sela

10O God, wij gedenken Uw goedertierenheid

in het midden van Uw tempel.

11Zoals Uw Naam is, o God,

zo is Uw roem,

tot aan de einden der aarde;

Uw rechterhand is vol gerechtigheid.

12Laat de berg Sion zich verblijden;

laat de dochters van Juda zich verheugen omwille van Uw oordelen.

13Ga rondom Sion en loop eromheen,

tel haar torens,

14richt uw hart op haar vestingwal,

kijk nauwkeurig naar haar paleizen

om het aan de volgende generatie te vertellen.

15Want deze God is onze God,

eeuwig en altijd;

Híj zal ons leiden tot de dood toe.

49

Vergankelijkheid van aardse rijkdom

491Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

2Hoor dit, alle volken,

neem het ter ore, alle bewoners van de wereld,

3zowel eenvoudigen als aanzienlijken,49:3 zowel eenvoudigen als aanzienlijken - Letterlijk: zowel kinderen van de mens als kinderen van de man.

rijk en arm samen.

4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken,

en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.

5

49:5
Ps. 78:2
Matt. 13:35
Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk,

ik zal mijn verborgenheden onthullen bij harpspel.

6Waarom zou ik bevreesd zijn in dagen van onheil,

wanneer de onrechtvaardigen mij op de hielen zitten en mij omringen?

7Zij vertrouwen op hun vermogen

en beroemen zich op hun grote rijkdom.

8Niemand van hen kan zijn broeder metterdaad verlossen,

hij kan God zijn losgeld niet geven.

9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar

en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.

10Hij zou dan voor altijd verder leven,

en het verderf niet zien.

11Want hij ziet dat wijzen sterven,

dat een dwaas en een onverstandige samen omkomen

en hun vermogen aan anderen nalaten.

12Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,

hun woningen van generatie op generatie;

zij noemen de landen naar hun naam.

13Toch blijft de mens, in al zijn aanzien, niet bestaan;

hij wordt gelijk aan de dieren, die vergaan.

14Deze weg die zij gaan, is hun dwaasheid;

toch scheppen hun nakomelingen behagen in hun woorden. Sela

15Als schapen zet men hen in het graf,

de dood zal hen weiden.

De oprechten zullen in de morgen over hen heersen,

het graf zal hun gestalte doen wegteren, ver van hun woning.

16Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf,

want Hij zal mij opnemen. Sela

17Wees niet bevreesd, wanneer een man rijk wordt,

wanneer de eer van zijn huis groot wordt,

18want bij zijn sterven zal hij niets van dat alles meenemen,

zijn eer zal hem in het graf niet nadalen.

19Al prijst hij zich49:19 zich - Letterlijk: zijn ziel. in zijn leven gelukkig,

al looft men u, omdat u zichzelf te goed doet,

20toch zal hij komen tot het geslacht van zijn vaderen;

voor altijd zullen zij het licht niet zien.

21De mens, die wel in aanzien is, maar geen inzicht heeft,

wordt gelijk aan de dieren, die vergaan.