Herziene Statenvertaling (HSV)
39

Het leven is kort

391Een psalm van David, voor de koorleider, van Jeduthun.

2Ik zal mijn wegen bewaren, zei ik,

zodat ik niet zondig met mijn tong;

ik zal mijn mond met een muilkorf bewaren,

zolang de goddeloze tegenover mij staat.

3Ik was verstomd en hield mij stil,

ik zweeg van het goede.

Maar mijn lijden werd heviger,

4mijn hart werd heet in mijn binnenste.

Een vuur ontbrandde bij mijn zuchten;

toen sprak ik met mijn tong:

5HEERE, maak mij mijn einde bekend

en wat de maat van mijn dagen is,

zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben.

6Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt

en mijn levensduur is voor U als niets.

Ja, ieder mens

39:6
Ps. 62:10
144:4
is niet meer dan een zucht,

hoe vast hij ook staat. Sela

7Ja, de mens loopt rond in een schijnbeeld.

Ja, tevergeefs is men onrustig.

Men brengt van alles bijeen

en weet niet wie het binnenhalen zal.

8En nu, wat verwacht ik, Heere?

Mijn hoop, die is op U!

9Red mij van al mijn overtredingen,

maak mij niet tot een smaad voor de dwaas.

10Ik ben verstomd,

ik zal mijn mond niet opendoen,

want Ú hebt het gedaan.

11Neem Uw plaag van mij weg;

ik ben bezweken door de bestrijding van Uw hand.

12Bestraft U iemand met straffen om zijn ongerechtigheid,

dan doet U zijn aantrekkelijkheid als een mot teniet.

Ja, ieder mens is een zucht. Sela

13Luister naar mijn gebed, HEERE,

neem mijn hulpgeroep ter ore,

zwijg niet bij mijn tranen,

want

39:13
Lev. 25:23
1 Kron. 29:15
Ps. 119:19
Hebr. 11:13
1 Petr. 2:11
ik ben een vreemdeling bij U,

een bijwoner, zoals al mijn vaderen.

14Wend Uw blik van mij af, zodat ik mij verkwik,

voordat ik heenga en er niet meer ben.

40

Vertrouwen op Gods genade

401Een psalm van David, voor de koorleider.

2Lang heb ik de HEERE verwacht,

en Hij boog Zich naar mij toe en hoorde mijn hulpgeroep.

3Hij beurde mij op uit een kuil vol kolkend water,

uit modderig slijk;

Hij zette mijn voeten op een rots

en maakte mijn schreden vast.

4Hij legde mij een nieuw lied in de mond,

een lofzang voor onze God.

Velen zullen het zien en vrezen,

en op de HEERE vertrouwen.

5Welzalig de man

die op de HEERE zijn vertrouwen stelt,

en zich niet wendt tot wie hoogmoedig zijn

of afdwalen naar leugen.

6HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan,

en Uw gedachten, die U over ons hebt.

Men kan ze voor U niet uiteenzetten.

Zou ik ze verkondigen en uitspreken,

dan zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.

7

40:7
Hebr. 10:5
U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,

U hebt Mijn oren doorboord;

brandoffer en zondoffer

hebt U niet geëist.

8Toen zei Ik: Zie, Ik kom,

in de boekrol is over Mij geschreven.

9Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;

40:9
Ps. 37:31
Jes. 51:7
Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.

10Ik breng de blijde boodschap van de gerechtigheid

in de

40:10
Ps. 35:18
111:1
grote gemeente;

zie, mijn lippen belet ik niet.

Ú, HEERE, weet het!

11Uw gerechtigheid verberg ik niet diep in mijn hart,

Uw waarheid en Uw heil verkondig ik.

Uw goedertierenheid en Uw trouw verzwijg ik niet

in de grote gemeente.

12HEERE, Ú zult mij Uw barmhartigheid niet onthouden;

laat Uw goedertierenheid en Uw trouw mij voortdurend beschermen.

13Want rampen, niet te tellen, hebben mij omvangen;

mijn ongerechtigheden hebben mij getroffen,

en ik heb ze niet kunnen overzien.

Zij zijn machtig veel meer dan de haren van mijn hoofd,

en mijn hart heeft mij verlaten.

14Laat het U behagen, HEERE, mij te redden;

HEERE, kom mij spoedig te hulp.

15

40:15
Ps. 35:4,26
70:3
71:13
Laat tezamen beschaamd en rood van schaamte worden

wie mij naar het leven staan om dat te vernielen;

laat terugwijken en te schande worden

wie vreugde vinden in mijn onheil.

16Laat als loon voor hun smaad verwoest worden

wie tegen mij zeggen: Haha!

17Laat in U vrolijk en verblijd zijn

allen die U zoeken;

laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen:

De HEERE is groot!

18Ík ben wel ellendig en arm,

maar de Heere denkt aan mij.

U bent mijn Helper en mijn Bevrijder;

mijn God, wacht niet langer!

41

Gebed om genezing en genade

411Een psalm van David, voor de koorleider.

2Welzalig is hij die verstandig omgaat met een ellendige;

in dagen van onheil zal de HEERE hem bevrijden.

3De HEERE zal hem bewaren en hem in het leven behouden;

hij zal op aarde gelukkig gemaakt worden.

Geef hem niet over aan het verlangen van zijn vijanden.

4De HEERE zal hem ondersteunen op zijn rustbank;

als hij ziek is, maakt U heel zijn ziekbed anders.

5Ik zei: HEERE, wees mij genadig;

genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

6Mijn vijanden spreken kwaad over mij en zeggen:

Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?

7Als een van hen naar mij komt kijken,

spreekt hij valse dingen

en zijn hart brengt onrecht bijeen;

gaat hij naar buiten, dan spreekt hij daarover.

8Allen die mij haten, mompelen tezamen over mij.

Zij bedenken tegen mij wat slecht voor mij is en zeggen:

9Verdorven praktijken kleven hem aan;

wie zo neerligt, zal niet meer opstaan.

10Zelfs de man met wie ik in vrede leefde,

op wie ik vertrouwde,

41:10
Joh. 13:18
die mijn brood at,

heeft zich tegen mij gekeerd.41:10 heeft … gekeerd - Letterlijk: heeft tegen mij een hiel groot gemaakt.

11Maar U, HEERE, wees mij genadig, en laat mij opstaan,

zodat ik het hun vergeld.

12Hierdoor weet ik dat U mij genegen bent:

dat mijn vijand over mij niet zal juichen.

13Want wat mij betreft, U ondersteunt mij in mijn oprechtheid,

U plaatst mij voor Uw aangezicht, voor eeuwig.

14Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen, ja, amen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]