Herziene Statenvertaling (HSV)
38

Derde boetpsalm

381Een psalm van David, om te doen gedenken.

2

38:2
Ps. 6:2
HEERE, straf mij niet in Uw grote toorn,

bestraf mij niet in Uw grimmigheid.

3Want Uw pijlen zijn in mij gedrongen,

Uw hand is op mij neergekomen.

4Er is niets gezonds aan mijn lichaam door Uw gramschap,

er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.

5Want mijn ongerechtigheden gaan mij boven het hoofd,

als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.

6Mijn wonden stinken, zij zijn vervuild

vanwege mijn dwaasheid.

7Ik ben krom geworden, ik ga zeer diep gebukt;

de hele dag ga

38:7
Ps. 42:10
43:2
ik in het zwart gehuld.

8Want mijn lendenen zijn volledig ontstoken,38:8 ontstoken - Letterlijk: geroosterd.

er is niets gezonds aan mijn lichaam.

9Ik ben bezweken en volkomen verbrijzeld;

ik schreeuw het uit vanwege het bonken van mijn hart.

10Heere, al mijn verlangen ligt voor U open,

mijn zuchten is voor U niet verborgen.

11Mijn hart gaat tekeer, mijn kracht laat mij in de steek;

ook het licht in mijn ogen, alsof ik geen ogen heb.38:11 alsof … heb - Letterlijk: zelfs die zijn niet bij mij.

12Mijn geliefden en mijn vrienden staan afzijdig van mijn plaag,

zij die nauw aan mij verwant zijn, blijven van verre staan.

13Wie mij naar het leven staan, spannen valstrikken;

wie mijn onheil zoeken, spreken schadelijke woorden

en bedenken de hele dag listen.

14Maar ik ben als een dove, ik hoor niet,

en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.

15Ja, ik ben als een man die niet hoort

en in wiens mond geen weerwoord is.

16Maar op U, HEERE, hoop ik;

Ú zult verhoren, Heere, mijn God!

17Want ik zei: Laten zij zich toch over mij niet verblijden!

Zou mijn voet wankelen, zij zouden zich tegen mij verheffen.

18Ja, ik dreig te struikelen,

mijn smart staat voortdurend vóór mij.

19

38:19
Ps. 32:5
Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend,

ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

20Maar mijn vijanden zijn in leven en worden machtig;

wie mij om valse redenen haten, worden talrijk.

21Wie kwaad voor goed vergelden,

zijn mijn tegenstanders, omdat ik het goede najaag.

22Verlaat mij niet, HEERE;

mijn God, blijf niet ver van mij.

23Kom mij spoedig te hulp,

Heere, mijn heil!

39

Het leven is kort

391Een psalm van David, voor de koorleider, van Jeduthun.

2Ik zal mijn wegen bewaren, zei ik,

zodat ik niet zondig met mijn tong;

ik zal mijn mond met een muilkorf bewaren,

zolang de goddeloze tegenover mij staat.

3Ik was verstomd en hield mij stil,

ik zweeg van het goede.

Maar mijn lijden werd heviger,

4mijn hart werd heet in mijn binnenste.

Een vuur ontbrandde bij mijn zuchten;

toen sprak ik met mijn tong:

5HEERE, maak mij mijn einde bekend

en wat de maat van mijn dagen is,

zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben.

6Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt

en mijn levensduur is voor U als niets.

Ja, ieder mens

39:6
Ps. 62:10
144:4
is niet meer dan een zucht,

hoe vast hij ook staat. Sela

7Ja, de mens loopt rond in een schijnbeeld.

Ja, tevergeefs is men onrustig.

Men brengt van alles bijeen

en weet niet wie het binnenhalen zal.

8En nu, wat verwacht ik, Heere?

Mijn hoop, die is op U!

9Red mij van al mijn overtredingen,

maak mij niet tot een smaad voor de dwaas.

10Ik ben verstomd,

ik zal mijn mond niet opendoen,

want Ú hebt het gedaan.

11Neem Uw plaag van mij weg;

ik ben bezweken door de bestrijding van Uw hand.

12Bestraft U iemand met straffen om zijn ongerechtigheid,

dan doet U zijn aantrekkelijkheid als een mot teniet.

Ja, ieder mens is een zucht. Sela

13Luister naar mijn gebed, HEERE,

neem mijn hulpgeroep ter ore,

zwijg niet bij mijn tranen,

want

39:13
Lev. 25:23
1 Kron. 29:15
Ps. 119:19
Hebr. 11:13
1 Petr. 2:11
ik ben een vreemdeling bij U,

een bijwoner, zoals al mijn vaderen.

14Wend Uw blik van mij af, zodat ik mij verkwik,

voordat ik heenga en er niet meer ben.

40

Vertrouwen op Gods genade

401Een psalm van David, voor de koorleider.

2Lang heb ik de HEERE verwacht,

en Hij boog Zich naar mij toe en hoorde mijn hulpgeroep.

3Hij beurde mij op uit een kuil vol kolkend water,

uit modderig slijk;

Hij zette mijn voeten op een rots

en maakte mijn schreden vast.

4Hij legde mij een nieuw lied in de mond,

een lofzang voor onze God.

Velen zullen het zien en vrezen,

en op de HEERE vertrouwen.

5Welzalig de man

die op de HEERE zijn vertrouwen stelt,

en zich niet wendt tot wie hoogmoedig zijn

of afdwalen naar leugen.

6HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan,

en Uw gedachten, die U over ons hebt.

Men kan ze voor U niet uiteenzetten.

Zou ik ze verkondigen en uitspreken,

dan zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.

7

40:7
Hebr. 10:5
U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,

U hebt Mijn oren doorboord;

brandoffer en zondoffer

hebt U niet geëist.

8Toen zei Ik: Zie, Ik kom,

in de boekrol is over Mij geschreven.

9Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;

40:9
Ps. 37:31
Jes. 51:7
Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.

10Ik breng de blijde boodschap van de gerechtigheid

in de

40:10
Ps. 35:18
111:1
grote gemeente;

zie, mijn lippen belet ik niet.

Ú, HEERE, weet het!

11Uw gerechtigheid verberg ik niet diep in mijn hart,

Uw waarheid en Uw heil verkondig ik.

Uw goedertierenheid en Uw trouw verzwijg ik niet

in de grote gemeente.

12HEERE, Ú zult mij Uw barmhartigheid niet onthouden;

laat Uw goedertierenheid en Uw trouw mij voortdurend beschermen.

13Want rampen, niet te tellen, hebben mij omvangen;

mijn ongerechtigheden hebben mij getroffen,

en ik heb ze niet kunnen overzien.

Zij zijn machtig veel meer dan de haren van mijn hoofd,

en mijn hart heeft mij verlaten.

14Laat het U behagen, HEERE, mij te redden;

HEERE, kom mij spoedig te hulp.

15

40:15
Ps. 35:4,26
70:3
71:13
Laat tezamen beschaamd en rood van schaamte worden

wie mij naar het leven staan om dat te vernielen;

laat terugwijken en te schande worden

wie vreugde vinden in mijn onheil.

16Laat als loon voor hun smaad verwoest worden

wie tegen mij zeggen: Haha!

17Laat in U vrolijk en verblijd zijn

allen die U zoeken;

laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen:

De HEERE is groot!

18Ík ben wel ellendig en arm,

maar de Heere denkt aan mij.

U bent mijn Helper en mijn Bevrijder;

mijn God, wacht niet langer!