Herziene Statenvertaling (HSV)
35

Gebed om hulp van God

351Een psalm van David.

Roep ter verantwoording, HEERE, wie mij ter verantwoording roepen;

bestrijd wie mij bestrijden.

2Grijp het kleine en het grote schild,

sta op, mij te hulp.

3Neem de speer in de hand,

sluit de weg af, houd mijn vervolgers tegen;

zeg tegen mijn ziel:

Ik ben uw heil.

4

35:4
Ps. 40:15
70:3
Laat beschaamd en te schande worden

wie mij naar het leven staan;

laat terugwijken en rood van schaamte worden

wie kwaad tegen mij bedenken.

5Laat hen worden als

35:5
Job 21:18
Ps. 1:4
Jes. 29:5
Hos. 13:3
kaf voor de wind,

wanneer de engel van de HEERE hen wegdrijft.

6Laat hun weg duister en spiegelglad zijn,

wanneer de engel van de HEERE hen vervolgt.

7Want zonder reden verborgen zij een kuil – hun net – voor mij,

zonder reden groeven zij een kuil voor mijn ziel.

8Laat verwoesting over hem komen zonder dat hij het merkt,

laat zijn net, dat hij heimelijk spande, hemzelf vangen;

laat hem daarin vallen, met verwoesting.

9Dan zal mijn ziel zich in de HEERE verheugen,

zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.

10Al mijn beenderen zullen zeggen:

HEERE, wie is aan U gelijk!

U redt de ellendige van wie sterker is dan hij,

en de ellendige en arme van wie hem berooft.

11Misdadige getuigen staan tegen mij op;

zij eisen iets van mij waarvan ik niet weet.

12Zij vergelden mij kwaad voor goed,

zij willen mij van het leven beroven.

13Maar ik? Waren zij ziek, dan was een rouwgewaad mijn kleding;

ik kwelde mijzelf35:13 mijzelf - Letterlijk: mijn ziel. door te vasten,

mijn gebed kwam telkens terug in mijn binnenste.35:13 mijn binnenste - Letterlijk: mijn boezem.

14Alsof het mijn vriend was, of mijn broeder,

zo liep ik steeds rond;

ik ging gebukt, in het zwart gehuld,

als iemand die om zijn moeder treurt.

15Maar toen ík strompelde, waren zij verblijd en verzamelden zich;

zij verzamelden zich om mij heen.

Zij waren kreupel en ik merkte het niet,

zij scheurden hun kleren en zwegen niet.

16In hun eigen kring van huichelachtige spotters

knarsetandden zij over mij.

17Heere, hoelang zult U toekijken?

Verlos mijn ziel van hun verwoestende daden,

mijn eenzame ziel van de jonge leeuwen.

18

35:18
Ps. 40:10,11
111:1
Dan zal ik U loven in de grote gemeente,

onder machtig veel volk zal ik U prijzen.

19Laat over mij zich niet verblijden

wie om valse redenen mijn vijand zijn,

en laat niet heimelijk knipogen

35:19
Joh. 15:25
wie mij zonder reden haten.

20Want over vrede spreken zij niet,

maar tegen de stillen in den lande

bedenken zij bedrieglijke zaken.

21Zij sperren hun mond wijd open tegen mij;

zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!

22U hebt het gezien, HEERE, zwijg niet;

Heere, blijf niet ver van mij.

23Ontwaak en word wakker om mij recht te doen;

mijn God en Heere, om mijn rechtszaak te voeren.

24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God;

laat hen zich over mij niet verblijden.

25Laat hen niet zeggen in hun hart: Aha, wij hebben onze zin!35:25 onze zin - Letterlijk: onze ziel.

Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

26Laat beschaamd en tezamen rood van schaamte worden

wie zich over mijn onheil verblijden;

laat met schaamte en schande bekleed worden

wie zich tegen mij verheffen.

27Laat vrolijk zingen en verblijd zijn

wie vreugde vinden in mijn gerechtigheid;

laat hen voortdurend zeggen: De HEERE is groot!

Hij vindt vreugde in de vrede van Zijn dienaar.

28Dan zal mijn tong Uw gerechtigheid tot uiting brengen,

Uw lof, de hele dag.

36

Goddeloosheid tegenover goedertierenheid

361Een psalm van David, de dienaar van de HEERE, voor de koorleider.

2De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart:

ontzag voor God staat hem niet voor ogen.

3Want hij vleit zichzelf in zijn eigen ogen,

tot men zijn ongerechtigheid vindt en haat.

4De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog;

hij laat na verstandig te handelen en goed te doen.

5Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;

hij gaat op een weg staan die niet goed is,

het kwaad verwerpt hij niet.

6HEERE,

36:6
Ps. 57:11
108:5
Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel,

Uw trouw tot de wolken.

7Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,36:7 machtige bergen - Letterlijk: bergen Gods.

Uw oordelen zijn als de grote watervloed;

mensen en dieren verlost U, HEERE.

8Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!

Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht

onder de schaduw van Uw vleugels.

9Zij worden verzadigd met de overvloed36:9 de overvloed - Letterlijk: het vet. van Uw huis;

U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.

10Want bij U is de bron van het leven;

in Uw licht zien wij het licht.

11Strek Uw goedertierenheid uit over wie U kennen,

en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

12Laat de voet van de hoogmoedigen niet over mij heen komen,

laat de hand van de goddelozen mij niet doen rondzwerven.

13Daar zijn zij gevallen die onrecht bedrijven!

Zij zijn neergestoten en kunnen niet meer opstaan.

37

Alleen God schenkt heil

371Een psalm van David.

37:1
Spr. 23:17
24:1
Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, aleph

benijd niet wie onrecht doen.

2Want als gras zullen zij snel verdorren,

als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.

3Vertrouw op de HEERE en doe het goede; beth

bewoon de aarde en voed u met trouw.

4Schep vreugde in de HEERE,

dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.

5

37:5
Ps. 22:9
55:23
Spr. 16:3
Matt. 6:25
Luk. 12:22
1 Petr. 5:7
Wentel uw weg op de HEERE gimel

en vertrouw op Hem: Híj zal het doen.

6Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het morgenlicht,

uw recht doen stralen als de middagzon.

7Zwijg voor de HEERE daleth

en verwacht Hem;

ontsteek niet in woede over hem wiens weg voorspoedig is,

over een man die listige plannen uitvoert.

8Laat uw woede bedaren en laat uw grimmigheid varen; he

ontsteek niet in woede – het brengt slechts kwaad.

9Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden,

maar wie de HEERE verwachten,

die zullen de aarde bezitten.

10Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn; waw

u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.

11Maar de zachtmoedigen zullen de

37:11
Matt. 5:5
aarde bezitten

en vreugde scheppen in grote vrede.

12De goddeloze bedenkt snode plannen tegen de rechtvaardige, zain

hij knarsetandt over hem.

13De Heere lacht hem uit,

want Hij ziet dat zijn dag komt.

14De goddelozen hebben het zwaard getrokken cheth

en hun boog gespannen,

om de ellendige en de arme neer te vellen,

om af te slachten wie oprecht wandelen.37:14 wie oprecht wandelen - Letterlijk: wie oprecht van weg is.

15Hun zwaard zal in hun eigen hart dringen,

hun bogen zullen gebroken worden.

16Het weinige dat de rechtvaardige heeft, teth

is beter dan de overvloed van vele goddelozen.

17Want de armen van de goddelozen worden gebroken,

maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.

18De HEERE kent de dagen van de oprechten, jod

hun erfelijk bezit zal voor eeuwig blijven.

19Zij worden niet beschaamd ten tijde van onheil,

in dagen van honger worden zij verzadigd.

20Maar de goddelozen komen om; kaph

de vijanden van de HEERE zijn als het kostbaarste van de lammeren:

zij verdwijnen, in rook zullen zij verdwijnen.

21De goddeloze leent en betaalt niet terug, lamed

maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft.

22Want wie door Hem zijn gezegend, zullen de aarde bezitten;

maar wie door Hem zijn vervloekt, worden uitgeroeid.

23De voetstappen van die man worden door de HEERE vastgezet, mem

Hij vindt vreugde in zijn weg.

24Als hij valt, wordt hij niet weggeworpen,

want de HEERE ondersteunt zijn hand.

25Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden, nun

maar ik heb de rechtvaardige nooit verlaten gezien,

of zijn nageslacht op zoek naar brood.

26De hele dag ontfermt hij zich en leent uit,

en zijn nageslacht is tot zegen.

27Keer u af van het kwade, doe het goede samech

en bewoon de aarde voor eeuwig.

28Want de HEERE heeft het recht lief

en zal Zijn gunstelingen niet verlaten;

voor eeuwig worden zij bewaard,

maar het nageslacht van de goddelozen wordt uitgeroeid.

29De rechtvaardigen zullen de aarde bezitten

en voor eeuwig daarop wonen.

30De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid tot uiting, pe

zijn tong spreekt het recht.

31

37:31
Ps. 40:9
Jes. 51:7
De wet van zijn God is in zijn hart;

zijn schreden wankelen niet.

32De goddeloze loert op de rechtvaardige tsade

en probeert hem te doden,

33maar de HEERE geeft hem niet over in zijn hand

en verklaart hem niet schuldig, wanneer hij geoordeeld wordt.

34Wacht op de HEERE koph

en houd u aan Zijn weg.

Dan zal Hij u verheffen om de aarde te bezitten;

u zult zien dat de goddelozen worden uitgeroeid.

35Ik heb een gewelddadige goddeloze gezien, resj

die zich wijd vertakte als een bladerrijke inheemse boom.

36Maar hij ging voorbij, en zie, hij was er niet meer;

ik zocht hem, maar hij was niet te vinden.

37Let op de vrome en zie naar de oprechte, sjin

want het einde van die man zal vrede zijn.

38Maar de overtreders worden tezamen weggevaagd,

het einde van de goddelozen wordt afgesneden.

39Maar het heil van de rechtvaardigen komt van de HEERE, taw

hun kracht ten tijde van benauwdheid.

40De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden;

Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen,

want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]