Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Intocht van de HEERE

241Een psalm van David.

24:1
Ex. 19:5
Deut. 10:14
Job 41:2
Ps. 50:12
1 Kor. 10:26,28
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,

de wereld en wie er wonen.

2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën

en haar vastgezet op de rivieren.

3

24:3
Ps. 15:1
Jes. 33:14,15
Wie zal de berg van de HEERE beklimmen?

Wie zal staan in Zijn heilige plaats?

4Wie rein is van handen en zuiver van hart,

wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.

5Hij zal zegen ontvangen van de HEERE

en gerechtigheid van de God van zijn heil.

6Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen,

die Uw aangezicht zoeken; dat is Jakob. Sela

7Hef uw hoofden op, o poorten,

en verhef u, eeuwige deuren,

opdat de Koning der ere binnengaat.

8Wie is deze Koning der ere?

De HEERE, sterk en geweldig,

de HEERE, geweldig in de strijd.

9Hef uw hoofden op, o poorten,

ja, verhef ze, eeuwige deuren,

opdat de Koning der ere binnengaat.

10Wie is Hij, deze Koning der ere?

De HEERE van de legermachten,

Hij is de Koning der ere. Sela

25

Gebed om bescherming en vergeving

251Een psalm van David.

Tot U, HEERE, hef ik mijn ziel op, aleph

2mijn God,

25:2
Ps. 22:6
31:2
34:6
op U vertrouw ik; beth

laat mij niet beschaamd worden,

laat mijn vijanden niet van vreugde over mij opspringen.

3Ja, allen die U verwachten, worden niet

25:3
Jes. 28:16
Rom. 10:11
beschaamd; gimel

beschaamd worden zij die zonder reden trouweloos handelen.

4HEERE,

25:4
Ps. 27:11
86:11
119
maak mij Uw wegen bekend, daleth

leer mij Uw paden.

5Leid mij in Uw waarheid en leer mij, he, waw

want U bent de God van mijn heil;

U verwacht ik de hele dag.

6Denk aan Uw barmhartigheid, HEERE, en Uw goedertierenheid, zain

want

25:6
Ps. 103:17
106:1
107:1
117:2
136
Jer. 33:11
die zijn van eeuwigheid.

7Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd of aan mijn overtredingen; cheth

denkt U aan mij naar Uw goedertierenheid,

omwille van Uw goedheid, HEERE.

8Goed en waarachtig is de HEERE, teth

daarom onderwijst Hij zondaars in de weg.

9Hij leidt zachtmoedigen in het recht, jod

Hij leert zachtmoedigen Zijn weg.

10Alle paden van de HEERE zijn goedertierenheid en trouw kaph

voor wie Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht nemen.

11Omwille van Uw Naam, HEERE, lamed

vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.

12Wie is de man die de HEERE vreest? mem

Hij onderwijst hem in de weg die hij moet kiezen.

13Zijn ziel overnacht in het goede, nun

zijn nageslacht zal de aarde bezitten.

14Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen, samech

Zijn verbond maakt Hij hun bekend.

15Mijn ogen zijn voortdurend gericht op de HEERE, ain

want Hij bevrijdt mijn voeten uit het net.

16Wend U tot mij en wees mij genadig, pe

want ik ben eenzaam en ellendig.

17De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt, tsade

bevrijd mij uit mijn angsten.

18Zie mijn ellende en mijn moeite, resj

neem weg al mijn zonden.

19Zie mijn vijanden, want zij worden talrijk,

zij haten mij met een dodelijke haat.25:19 dodelijke haat - Letterlijk: haat van geweld.

20Bewaar mijn ziel en red mij; sjin

laat mij niet beschaamd worden, want tot U heb ik de toevlucht genomen.

21Laat oprechtheid en vroomheid mij beschermen, taw

want ik verwacht U.

22O God, verlos Israël

uit al zijn benauwdheden.

26

Gebed om recht

261Een psalm van David.

26:1
Ps. 7:9
Doe mij recht, HEERE,

want ík ga mijn weg in mijn oprechtheid.

Op de HEERE vertrouw ik,

ik zal niet wankelen.

2Beproef mij, HEERE, ja, stel mij op de proef,

toets mijn nieren en mijn hart.

3Want Uw goedertierenheid houd ik voor ogen,

ik wandel in Uw waarheid.

4

26:4
Job 31:5
Ps. 1:1
Ik zit niet bij valsaards,

met huichelaars ga ik niet om.

5Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,

bij goddelozen zit ik niet.

6Ik was mijn handen in onschuld;

ik ga rondom Uw altaar, HEERE,

7om een loflied te doen horen

en al Uw wonderen te vertellen.

8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont

en de tabernakel, de woonplaats van Uw eer.

9Neem mijn ziel niet weg met de zondaars,

noch mijn leven met de mannen van bloed.

10In hun handen is schandelijk gedrag,

hun rechterhand is vol geschenken.

11Ik echter, ik ga mijn weg in mijn oprechtheid,

verlos mij dan en wees mij genadig.

12Mijn voet staat op een geëffende weg;

in de samenkomsten zal ik de HEERE loven.