Herziene Statenvertaling (HSV)
14

Mensen zijn goddeloos

141Een psalm van David, voor de koorleider.

14:1
Ps. 10:4
53:2
De dwaas zegt in zijn hart:

Er is geen God.

Zij handelen verderfelijk,

bedrijven gruwelijke daden;

14:1
Rom. 3:10
er is niemand die goeddoet.

2De HEERE heeft uit de hemel neergezien

op de mensenkinderen,

om te zien of er iemand verstandig was,

iemand die God zocht.

3Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;

er is niemand die goeddoet,

zelfs niet één.

4Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,

die mijn volk opeten alsof zij brood aten?

Zij roepen de HEERE niet aan.

5Daar worden zij door angst bevangen,

want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!

6Weliswaar beschaamt u het voornemen van de ellendige,

maar de HEERE is zijn toevlucht.

7Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!14:7 dat Israëls verlossing uit Sion kwam - Letterlijk: wie zal geven uit Sion de verlossing.

Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,

dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

15

Wie bij God mag wonen

151Een psalm van David.

HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?

Wie zal wonen op Uw heilige berg?

2

15:2
Ps. 24:4
Jes. 33:15
Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,

die met zijn hart de waarheid spreekt.

3Die met zijn tong niet lastert,

zijn vrienden geen kwaad doet

en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.

4In zijn ogen is de verworpene veracht,

maar wie de HEERE vrezen, eert hij.

Heeft hij gezworen tot zijn schade,

zijn eed verandert hij evenwel niet.

5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,

een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.

Wie deze dingen doet,

zal niet wankelen, voor eeuwig.

16

Het hoogste goed

161Een gouden kleinood van David.

Bewaar mij, o God,

want ik heb tot U de toevlucht genomen.

2Mijn ziel, u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;

16:2
Job 22:2
35:7
Ps. 50:9Rom. 11:35
mijn goedheid is niet voor U,

3maar voor de heiligen die op de aarde zijn,

en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.

4Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven;

ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit

en neem de namen ervan niet op mijn lippen.

5

16:5
Klaagl. 3:24
De HEERE is mijn enig deel16:5 mijn enig deel - Letterlijk: het deel van mijn deel. en mijn beker.

U onderhoudt wat het lot mij toewees.

6De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen,

ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.

7Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;

zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.

8

16:8
Hand. 2:25
Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen;

omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.

9Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,

ook zal mijn lichaam veilig wonen.

10

16:10
Hand. 2:31
13:35
Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,

U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.

11U maakt mij het pad ten leven bekend;

overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,

lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.