Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Vast vertrouwen op God

131Een psalm van David, voor de koorleider.

2Hoelang nog, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?

Hoelang zult U Uw aangezicht nog voor mij verbergen?

3Hoelang zal ik nog plannen maken in mijn ziel,

verdriet hebben in mijn hart, dag na dag?

Hoelang zal mijn vijand zich nog boven mij verheffen?

4Zie mij aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!

Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik in de dood,

5anders zegt mijn vijand: Ik heb hem overwonnen,

en verheugen

13:5
Ps. 25:2
mijn tegenstanders zich, wanneer ik wankel.

6Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid,

mijn hart zal zich verheugen in Uw heil,

ik zal voor de HEERE zingen,

omdat Hij goed voor mij geweest is.

14

Mensen zijn goddeloos

141Een psalm van David, voor de koorleider.

14:1
Ps. 10:4
53:2
De dwaas zegt in zijn hart:

Er is geen God.

Zij handelen verderfelijk,

bedrijven gruwelijke daden;

14:1
Rom. 3:10
er is niemand die goeddoet.

2De HEERE heeft uit de hemel neergezien

op de mensenkinderen,

om te zien of er iemand verstandig was,

iemand die God zocht.

3Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;

er is niemand die goeddoet,

zelfs niet één.

4Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,

die mijn volk opeten alsof zij brood aten?

Zij roepen de HEERE niet aan.

5Daar worden zij door angst bevangen,

want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!

6Weliswaar beschaamt u het voornemen van de ellendige,

maar de HEERE is zijn toevlucht.

7Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!14:7 dat Israëls verlossing uit Sion kwam - Letterlijk: wie zal geven uit Sion de verlossing.

Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,

dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

15

Wie bij God mag wonen

151Een psalm van David.

HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?

Wie zal wonen op Uw heilige berg?

2

15:2
Ps. 24:4
Jes. 33:15
Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,

die met zijn hart de waarheid spreekt.

3Die met zijn tong niet lastert,

zijn vrienden geen kwaad doet

en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.

4In zijn ogen is de verworpene veracht,

maar wie de HEERE vrezen, eert hij.

Heeft hij gezworen tot zijn schade,

zijn eed verandert hij evenwel niet.

5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,

een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.

Wie deze dingen doet,

zal niet wankelen, voor eeuwig.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]