Herziene Statenvertaling (HSV)
130

Zesde boetpsalm

1301Een pelgrimslied.

Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE;

2Heere, hoor naar mijn stem.

Laat Uw oren opmerkzaam zijn

op mijn luide smeekbeden.

3

130:3
Ps. 143:2
Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,

Heere, wie zal staande blijven?

4Maar

130:4
2 Sam. 24:14
bij U is vergeving,

opdat U gevreesd wordt.

5

130:5
Ps. 27:14
Hab. 2:3
Ik verwacht de HEERE,
130:5
Ps. 40:2
mijn ziel verwacht Hem

en ik hoop op Zijn woord.

6

130:6
Ps. 5:4
119:147
123:1,2
Mijn ziel wacht op de Heere,

meer dan wachters op de morgen,

wachters op de morgen.

7Laat Israël hopen op de HEERE,

want bij de HEERE is goedertierenheid

en bij Hem is veel verlossing.

8Ja, Hij zal Israël verlossen

van al zijn ongerechtigheden.

131

Kinderlijk vertrouwen

1311Een pelgrimslied, van David.

HEERE,

131:1
2 Kron. 32:25
Spr. 16:5
mijn hart is niet hoogmoedig,

131:1
Ps. 101:5
Spr. 6:17
mijn ogen zijn niet trots,

ook wandel ik niet in dingen

die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.

2Voorwaar, ik heb mijn ziel tot rust

en tot stilte gebracht,

als een kind dat de borst ontwend is, bij zijn moeder,

mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is.

3Israël, hoop op de HEERE,

van nu aan tot in eeuwigheid.

132

Gebed voor Sion

1321Een pelgrimslied.

HEERE, denk aan David,

aan al zijn lijden,

2hoe hij de HEERE gezworen heeft,

de Machtige Jakobs deze gelofte deed:

3

132:3
1 Kron. 15:1
Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,

ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;

4ik gun mijn ogen geen slaap,

mijn oogleden geen sluimer,

5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,

een woning voor de Machtige Jakobs!

6Zie, wij hebben van de ark gehoord in Efratha,

hem gevonden in de velden van Jaär.

7Laten wij Zijn woning binnengaan,

ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.

8Sta op, HEERE, ga naar Uw rustplaats,

U en de ark van Uw macht.

9Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,

laat Uw gunstelingen juichen.

10Wijs het gebed132:10 het gebed - Letterlijk: het gezicht. van Uw gezalfde niet af,

omwille van David, Uw dienaar.

11De HEERE heeft David in waarheid gezworen,

en Hij zal daar niet van

132:11
2 Sam. 7:12
1 Kon. 8:25
2 Kron. 6:16
Luk. 1:69
afwijken:

132:11
2 Sam. 7:12
1 Kon. 8:25
2 Kron. 6:16
Luk. 1:69
Eén van de vrucht van uw schoot

zal Ik op uw troon zetten.

12Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen

en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,

zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid

op uw troon zitten.

13Want de HEERE heeft Sion verkozen,

Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.

14

132:14
Vers
Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,

hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.

15Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,

haar armen met brood verzadigen.

16

132:16
2 Kron. 6:41
Haar priesters zal Ik kleden met heil,

haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.

17

132:17
Luk. 1:69
Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen

en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.

18Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden,

maar op hem zal zijn diadeem schitteren.