Herziene Statenvertaling (HSV)
113

Aansporing om de HEERE te loven

1131Halleluja!

Loof, dienaren van de HEERE,

loof de Naam van de HEERE.

2

113:2
Dan. 2:20
De Naam van de HEERE zij geloofd,

van nu aan tot in eeuwigheid.

3

113:3
Mal. 1:11
Vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat,

zij de Naam van de HEERE geprezen.

4De HEERE is verheven boven alle heidenvolken,

boven de hemel is Zijn heerlijkheid.

5Wie is als de HEERE, onze God?

Die zeer hoog woont,

6Die zeer laag ziet,

in de hemel en op de aarde;

7

113:7
1 Sam. 2:8
Ps. 107:41
Die de geringe opricht uit het stof,

de arme verheft uit het vuil,

8om hem te doen zitten bij edelen,

bij de edelen van Zijn volk;

9Die de onvruchtbare doet wonen in haar gezin:

een blijde moeder van kinderen.

Halleluja!

114

Het wonder van de uittocht

1141Toen

114:1
Ex. 13:3
Israël uit Egypte trok,

het huis van Jakob uit een volk met een vreemde taal,

2werd Juda Zijn heiligdom,

Israël Zijn koninklijk bezit.114:2 koninklijk bezit - Letterlijk: heerschappijen.

3De zee zag het en vluchtte,

de Jordaan deinsde achteruit,

4de bergen sprongen op als rammen,

de heuvels als lammeren.

5Wat was er, zee, dat u vluchtte,

Jordaan, dat u achteruit deinsde?

6Wat was er, bergen, dat u opsprong als rammen,

en u, heuvels, als lammeren?

7Beef, aarde, voor het aangezicht van de Heere,

voor het aangezicht van de God van Jakob,

8

114:8
Ex. 17:6
Num. 20:11
Die de rots veranderde in een waterplas,

hard gesteente in een waterbron.

115

De heerlijkheid van de HEERE

1151Niet ons, HEERE, niet ons,

maar geef Uw Naam eer,

om Uw goedertierenheid, om Uw trouw.

2Waarom zouden de heidenvolken zeggen:

Waar is toch hun God?

3Onze God is immers in de hemel,

Hij doet al wat Hem behaagt.

4Hun afgoden zijn zilver en goud,

het werk van mensenhanden:

5

115:5
Deut. 4:28
Jer. 10:3,4,5,9
zij hebben een mond, maar spreken niet;

zij hebben ogen, maar zien niet;

6zij hebben oren, maar horen niet;

zij hebben een neus, maar ruiken niet;

7hun handen, die tasten niet;

hun voeten, die gaan niet;

er komt geen geluid uit hun keel.

8Laat wie ze maken hun gelijk worden,

al wie op hen vertrouwt.

9Israël, vertrouw op de HEERE,

Hij is hun hulp en hun schild.

10Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,

Hij is hun hulp en hun schild.

11U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE,

Hij is hun hulp en hun schild.

12De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen,

Hij zal het huis van Israël zegenen,

Hij zal het huis van Aäron zegenen.

13Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen,

de kleinen met de groten.

14De HEERE zal u meer en meer zegenen,

u en uw kinderen.

15U bent gezegend door de HEERE,

Die hemel en aarde gemaakt heeft.

16De hemel, de hemel is van de HEERE,

maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.

17De doden zullen de HEERE niet prijzen,

evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.

18Maar wíj zullen de HEERE loven,

van nu aan tot in eeuwigheid.

Halleluja!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]