Herziene Statenvertaling (HSV)
108

Loflied en gebed om hulp

1081Een lied, een psalm van David.

2O God, mijn hart is bereid;

ik zal zingen, ik zal psalmen zingen,

ook zal mijn eer U loven.

3Ontwaak, luit en harp;

ik zal de dageraad doen ontwaken.

4Ik zal U loven onder de volken, HEERE;

ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.

5

108:5
Ps. 36:6
57:11
Want Uw goedertierenheid is groot en reikt tot boven de hemel,

Uw trouw tot de wolken.

6Verhef U boven de hemel, o God,

en Uw eer over de hele aarde,

7opdat Uw beminden gered worden.

Verlos door Uw rechterhand en verhoor ons.

8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,

daarom zal ik van vreugde opspringen;

ik zal Sichem verdelen,

het dal van Sukkoth zal ik opmeten.

9Gilead is van mij, Manasse is van mij,

Efraïm de bescherming108:9 de bescherming - Letterlijk: de kracht. voor mijn hoofd,

Juda is mijn wetgever.

10Moab is mijn waskom,

op Edom zal ik mijn schoen werpen,

over Filistea zal ik juichen.

11Wie zal mij brengen in een versterkte stad?

Wie zal mij leiden tot in Edom?

12

108:12
Ps. 60:3
Zult U het niet zijn, o God, Die ons verstoten had

en niet met onze legers uittrok, o God?

13Geef ons hulp uit de benauwdheid,

want heil van een mens is nutteloos.

14Met God zullen wij krachtige daden doen;

Híj zal onze tegenstanders vertrappen.

109

Gebed om straf voor de vijand

1091Een psalm van David, voor de koorleider.

O God van mijn lofzang, zwijg niet.

2Want de mond van de goddeloze

en de mond van bedrog zijn tegen mij geopend,

met valse tong hebben zij met mij gesproken.

3Met hatelijke woorden hebben zij mij omringd,

ja,

109:3
Ps. 69:5
zij hebben mij zonder reden bestreden.

4Voor mijn liefde klagen zij mij aan,

maar ik was steeds in gebed.

5Zij hebben kwaad over mij gebracht in plaats van goed,

en haat in plaats van mijn liefde.

6Stel een goddeloze over hem aan

en moge de satan aan zijn rechterhand staan.

7Wordt hij geoordeeld, laat hij als schuldige uitgaan

en laat zijn

109:7
Spr. 15:8
28:9
gebed tot zonde zijn.

8Laten zijn dagen weinig zijn

en laat een ander zijn ambt nemen.

9Laten zijn kinderen wezen worden

en laat zijn vrouw weduwe worden.

10Laten zijn kinderen overal rondzwerven en bedelen

en ver van hun verwoeste plaatsen voedsel zoeken.

11Laat de schuldeiser beslag leggen op al wat hij heeft,

en laten vreemden zijn arbeid plunderen.

12Laat hij niemand hebben die hem goedertierenheid bewijst,109:12 bewijst - Letterlijk: uitstrekt.

laat er niemand zijn die zijn wezen genadig is.

13Laten zijn nakomelingen uitgeroeid worden,

laat hun naam uitgewist worden in de volgende generatie.

14Laat de ongerechtigheid van zijn vaderen bij de HEERE in gedachtenis blijven,

de zonde van zijn moeder niet worden uitgedelgd.

15Laten ze de HEERE voortdurend voor ogen staan,

109:15
Job 18:17
Ps. 34:17
ja, laat Hij hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.

16Want hij dacht er niet aan goedertierenheid te bewijzen,

maar vervolgde de man die ellendig was en arm

en verslagen van hart, om hem te doden.

17Hij heeft de vloek liefgehad:

laat die over hem komen!

Hij vond geen vreugde in de zegen:

laat die ver van hem blijven!

18Laat hij zich met de vloek kleden als met zijn mantel,

laat die in zijn binnenste doordringen als water,

ja, als olie in zijn beenderen.

19Laat de vloek voor hem zijn als het kleed waarin hij zich hult,

als een gordel die hij steeds ombindt.

20Laat dit het arbeidsloon zijn van de HEERE voor mijn tegenstanders

en voor hen die kwaadspreken over mijn ziel.

21Maar U, HEERE Heere,

doe Uw werk aan mij omwille van Uw Naam,

want Uw goedertierenheid is groot:109:21 groot - Letterlijk: goed. red mij.

22Want ik ben ellendig en arm,

mijn hart is in mijn binnenste dodelijk verwond.

23Ik ga heen als een schaduw die langer wordt,

ik word afgeschud als een sprinkhaan.

24Mijn knieën zijn verzwakt door het vasten,

en mijn vlees is vermagerd: geen vet zit eraan.

25Toch ben ík hun nog tot smaad;

zien zij mij, zij schudden hun hoofd.

26Help mij, HEERE, mijn God,

verlos mij, naar Uw goedertierenheid.

27Dan weten zij: ja, dit is Uw hand;

Ú hebt het gedaan, HEERE.

28Laten zíj vloeken, als Ú maar zegent,

laten zij aanvallen, als zij maar beschaamd worden

en Uw dienaar zich verblijdt.

29Laten mijn tegenstanders met schande bekleed worden,

zich hullen in hun schaamte als in een mantel.

30Ik zal de HEERE met mijn mond op luide toon109:30 op luide toon - Letterlijk: zeer. loven,

te midden van velen zal ik Hem prijzen.

31Want Hij zal aan de rechterhand van de arme staan

om hem te verlossen van hen die zijn ziel veroordelen.

110

Belofte voor de Priesterkoning

1101Een psalm van David.

De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:

Zit aan Mijn rechterhand,

totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben

tot een voetbank voor Uw voeten.

2De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion

en zegt: Heers te midden van Uw vijanden.

3Uw volk is zeer gewillig

op de dag van Uw kracht,

getooid met heilig sieraad;

uit de baarmoeder van de dageraad

is voor U de dauw van Uw jeugd.

4De HEERE heeft gezworen

en Hij zal er geen berouw van hebben:

U bent Priester

110:4
Hebr. 5:6
6:20
7:17
voor eeuwig,

naar de ordening van Melchizedek.

5De Heere is aan Uw rechterhand,

Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn.

6Hij spreekt recht onder de heidenvolken,

110:6
Openb. 14:1416:1420:8
vult het slagveld met dode lichamen

en verplettert hem die het hoofd is over een groot land.

7Hij drinkt onderweg uit de beek,

daarom heft Hij Zijn hoofd omhoog.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]